COÖPERATIE .............................................................................................................................................. 2
INLEIDING ................................................................................................................................................................ 2
Soorten coöperaties ........................................................................................................................................ 2
BELASTINGPLICHT...................................................................................................................................................... 2
Subjectieve belastingplicht.............................................................................................................................. 2
Objectieve belastingplicht ............................................................................................................................... 2
HOUDSTERCOÖPERATIES ............................................................................................................................................ 3
Houdstercoöperatie in nationaal verband ...................................................................................................... 3
Houdstercoöperatie in internationaal verband .............................................................................................. 3
INNOVATIEBOX .......................................................................................................................................... 4
Voorwaarden innovatiebox ............................................................................................................................. 4
VRIJGESTELDE EN FISCALE BELEGGINGSINSTELLING ..................................................................................... 5
VRIJGESTELDE BELEGGINGSINSTELLING .......................................................................................................................... 5
Kenmerken VBI ................................................................................................................................................ 5
Gevolgen voor aandeelhouders ...................................................................................................................... 5
Voorwaarden status VBI ................................................................................................................................. 5
Verkrijging status VBI ...................................................................................................................................... 6
Statusverlies .................................................................................................................................................... 6
FISCALE BELEGGINGSINSTELLING .................................................................................................................................. 6
Kenmerken FBI ................................................................................................................................................ 6
Voorwaarden status FBI .................................................................................................................................. 6
Onderworpenheid winstbelasting aandeelhouder.......................................................................................... 7
Verkrijging status FBI ...................................................................................................................................... 7
Winstbepaling FBI ........................................................................................................................................... 7
Statusverlies .................................................................................................................................................... 8
VERSCHILLEN VRIJGESTELDE EN FISCALE BELEGGINGSINSTELLING ......................................................................................... 8
BELASTINGDRUK ........................................................................................................................................ 9
,Coöperatie
Inleiding
Een coöperatie is een rechtspersoon waarin ondernemingen samen kunnen werken. Het is een
samenwerkingsverband dat erg lijkt op dat van een vereniging. De leden van de coöperatie zijn in
beginsel aansprakelijk voor de verplichtingen. Deze aansprakelijkheid kan worden beperkt of
uitgesloten in de statuten.
Het doel van een coöperatie is om de stoffelijke belangen van haar leden te behartigen. Dit is een
verschil met de vereniging. Een vereniging behartigt juist maatschappelijke belangen. Een coöperatie
is eigenlijk een dualistisch samenwerkingsverband, want het heeft karaktereigenschappen van iets
zelfstandigs en van iets onzelfstandigs. Een coöperatie is zelfstandig omdat zij ook transacties kan doen
met niet-leden. Een coöperatie is onzelfstandig omdat zij een deel van de taak verricht die hoort bij de
ondernemingsactiviteit van haar leden. Het is als het ware een soort hulponderneming van de leden.
Het bijzondere van het coöperatieregime is dat een deel van de winst die zij uitkeert onder
voorwaarden aftrekbaar is voor de fiscale winstbepaling. Hiermee wordt een inbreuk gemaakt op het
klassieke stelsel. Volgens het klassieke stelsel zijn de inkomstenbelasting en de
vennootschapsbelasting onafhankelijk van elkaar.
Soorten coöperaties
Er bestaan verschillende soorten coöperaties:
• Inkoop/verkoop coöperaties bijvoorbeeld boeren die gemeenschappelijk voer inkopen.
• Dienstverlenende coöperaties bijvoorbeeld het financieren van leden en niet-leden, zoals
de Rabobank. Een dienstverlenende coöperatie heeft geen aandelen.
• Houdstercoöperaties een houdstercoöperatie heeft als belangrijkste taak het houden van
deelnemingen.
Belastingplicht
Subjectieve belastingplicht
Een coöperatie is subjectief belastingplichtig op grond van art. 2 lid 1 sub b Wet VPB. Een coöperatie
wordt geacht met haar gehele vermogen een onderneming te drijven (art. 2 lid 5 Wet VPB). Er speelt
dus geen probleem met vermogensetikettering.
Een coöperatie is subjectief belastingplichtig omdat zij winst kan inhouden, transacties kan doen met
niet-leden en overige activiteiten kan verrichten.
Objectieve belastingplicht
In art. 9 lid 1 sub g Wet VPB is geregeld dat wanneer het resultaat dat opkomt uit transacties met de
leden, wordt uitgekeerd aan de leden, die uitkering onder voorwaarden in mindering komt op de
winstbepaling winst -/- aftrekbare verlengstukwinst. Uit art. 9 lid 2 Wet VPB volgt vervolgens hoe
de hoogte van de aftrek moet worden bepaald. Verlengstukwinst: (ledenkosten / totale kosten) x
jaarwinst + maximaal € 2.269.
2
, Wanneer is de verlengstukwinst ook daadwerkelijk aftrekbaar? Hiervoor gelden vier voorwaarden:
1. De verlengstukwinst moet zijn uitgedeeld.
2. De winstuitdeling moet plaatsvinden vanuit de beschikbare winst over het betrokken jaar.
3. De winstuitdeling moet plaatsvinden naar maatstaf van de ledenprestaties. De winstuitdeling
mag dus niet plaatsvinden naar rato van de ingelegde ledengelden.
4. De winstuitdeling mag alleen worden genoten aan leden die natuurlijke personen zijn.
Art. 10 lid 1 sub c Wet VPB regelt dat rente op inleggelden niet aftrekbaar is. Als je lid wil worden van
een coöperatie moet je soms geld storten. Dat geld wordt inleggeld genoemd. De coöperatie geeft
vaak een vergoeding over die inleggelden. Dit wordt rente op inleggelden genoemd. Die inleggelden
hebben eigenlijk het karakter van kapitaal. Er is namelijk niet altijd een terugbetalingsverplichting.
Houdstercoöperaties
Houdstercoöperatie in nationaal verband
Stel er zijn veel DGA’s met een eigen BV die rechtstreeks participeren in D BV. Als er meer dan twintig
vennoten zijn, kan er niet voldaan worden aan de voorwaarden voor een deelnemingsvrijstelling in D
BV, omdat niet geborgd kan worden dat elke vennoot een belang heeft van 5% of meer. Een oplossing
die daarvoor is gevonden is door die BV’s niet rechtstreeks te laten participeren in D BV, maar om ze
te laten deelnemen via een coöperatie. Voor het belang in de coöperatie geldt niet dat het een 5%-
belang moet zijn art. 13 lid 2 sub c Wet VPB.
Houdstercoöperatie in internationaal verband
Stel er is een internationaal concern met een moeder in het buitenland. De moeder houdt rechtstreeks
belangen in een Nederlandse dochter. Als de Nederlandse dochter dividend uitkeert, zal hier
dividendbelasting op rusten. Een oplossing hiervoor is om de belangen niet rechtstreeks te houden,
maar via een coöperatie in Nederland. Als de Nederlandse dochter dividend uitkeert aan de
coöperatie, zal hier geen dividendbelasting op in worden gehouden (art. 4 Wet DB). De coöperatie
collecteert de dividenden en keert ze uit. Moet daar dividendbelasting op worden gehouden? Tot 2011
was een coöperatie niet onderworpen aan de dividendbelasting. Sinds 2011 is een coöperatie onder
voorwaarden wel onderworpen aan de dividendbelasting (art. 1 lid 2 Wet DB). De hoofdregel blijft dat
coöperaties niet onderworpen zijn, maar als het gaat om kwalificerende lidmaatschapsrechten in
houdstercoöperaties, dan ben je wel onderworpen aan de dividendbelasting. Wanneer er sprake is van
een kwalificerend belang is bepaald in art. 1 lid 7 en 8 Wet DB. Een houdstercoöperatie is
inhoudingsplichtig indien:
• De activiteiten en werkzaamheden van de coöperatie bestaan voor 70% of meer uit het
houden van deelnemingen of het financieren van verbonden personen; en
• De moedermaatschappij heeft een belang van minimaal 5% in de coöperatie.
Voor de 70%-toets moet gekeken worden naar de feitelijke werkzaamheden. Als een coöperatie
passief is, dus alleen maar deelnemingen houdt, zal er sprake zijn van een houdstercoöperatie. Als de
coöperatie actief is, wordt niet voldaan aan de 70%-toets.
3