Week 3
3. Week 3 – Rechtsgevolgen van overeenkomsten: beperking (I)
Belangrijke data
11 september 2020 – 09.00 uur Hoorcollege week 3
14 t/m 17 september 2020 Werkgroepen
(zie de Canvas aankondiging van uw
werkgroependocent voor de link met wachtwoord
voor de zoom-sessie)
Korte omschrijving van de inhoud
Vorige week zijn we ingegaan op gevallen waarbij contractpartijen met elkaar van mening verschillen over de
vraag wat precies de inhoud van de overeenkomst is. Daarbij is vooral aandacht besteed aan de leerstukken van
uitleg en aanvulling van overeenkomsten. Het is echter ook denkbaar dat de discussie tussen partijen zich niet
zozeer toespitst op de vaststelling van de inhoud van de overeenkomst, maar dat zij van mening verschillen over
de vraag of en in hoeverre het beroep van een van de partijen op die inhoud zou moeten worden beperkt.
Daarbij moet overigens worden aangetekend dat het onderscheid tussen uitleg, aanvulling en beperking van de
inhoud van overeenkomsten niet altijd scherp te trekken zal zijn. Wat precies onder “beperking” van de inhoud
van overeenkomsten moet worden verstaan en hoe dat precies in zijn werk gaat, zijn vragen die in deze en de
volgende week centraal staan.
Het belangrijkste leerstuk dat in dit kader aan bod komt in deze week, is het algemene leerstuk van de
beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dat leerstuk kent een aantal specifieke
uitwerkingen waarvan er deze week één zal worden besproken: de beperking van het beroep door een van
de contractspartijen op een (mogelijk onredelijk bezwarend) beding in de tussen partijen overeengekomen
(zie daarover week 1) algemene voorwaarden.
Voorbereiding op het hoorcollege en de werkgroep: algemene instructie
• Lees eerst par. 3 (‘Opzet, planning en organisatie van het onderwijsleerproces’) van de Cursushandleiding
Contractenrecht 2020-2021 (zie Canvas onder map Algemene Informatie). Lees vooral par. 3.2 (‘Zelfstudie
en opdrachten’).
• Bestudeer vervolgens de literatuur en jurisprudentie die staat opgesomd in par. 3.4 en 3.5 hieronder. De in
par. 3.6 opgesomde zelfstudiehulpvragen kunnen hierbij behulpzaam zijn.
Voorbereiding op het hoorcollege en de werkgroep: te bestuderen literatuur
• Beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid - Het algemene leerstuk
- Rechtshandeling & Overeenkomst: nrs. 276-281 en 283-283a (verplicht)
- Verbintenissenrecht Algemeen: nrs. 29-33 (verplicht), nrs. 183,186 (alleen aanbevolen)
• Beperking van het beroep op (onredelijk bezwarende) algemene voorwaarden
- Rechtshandeling & Overeenkomst: nrs. 239-246, 247 en 252-255* (verplicht) en 246a en 255a-257
(alleen aanbevolen)
- Koop en consumentenkoop: par. 11.7 (alleen aanbevolen)
* Reeds voorgeschreven in week 1
1/6
, •
Annotatie J. Hijma bij HR 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0659, NJ 2003/112 (Bramer/Hofman
Beheer BV) (verplicht).
• Annotatie G.J. Scholten bij HR 19 mei 1967, ECLI:NL:HR:1967:AB5287, NJ 1967/261 (Saladin/HBU)
(verplicht).
Door middel van een hyperlink zijn de annotaties verkrijgbaar via de elektronische universiteitsbibliotheek
(www.ub.vu.nl). Wie de voorkeur heeft voor een papieren uitgave van die annotaties, vindt deze tevens in:
Arresten burgerlijk recht met annotaties, verzameld door A.V.T. de Bie en J. de Jong van Lier, Deventer:
Kluwer 2018.
Voorbereiding op het hoorcollege en de werkgroep: te bestuderen jurisprudentie
• HR 19 mei 1967, ECLI:NL:HR:1967:AB5287, NJ 1967/261 (Saladin/HBU).
• HR 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0659, NJ 2003/112 (Bramer/Hofman Beheer BV).
Door middel van een hyperlink zijn deze arresten ook verkrijgbaar via de elektronische
universiteitsbibliotheek (www.ub.vu.nl). Wie de voorkeur heeft voor een papieren uitgave van deze
arresten, zie Arresten burgerlijk recht met annotaties, verzameld door A.V.T. de Bie en J. de Jong van Lier,
Deventer: Kluwer 2018.
Voorbereiding op het hoorcollege en de werkgroep: zelfstudiehulpvragen
1. Hoe verschilt de norm van art. 6:248 lid 2 BW van de norm van art. 6:248 lid 1?
2. Welke partijen kunnen zich beroepen op art. 6:248 lid 2 BW?
3. Welke (uit de wet en de jurisprudentie voortvloeiende) gezichtspunten kunnen relevant zijn bij de
toepassing van art. 6:248 lid 2 BW?
4. Welke betekenis moet bij de toepassing van art. 6:248 lid 2 BW worden toegekend aan het in dat
artikel gebruikte begrip “onaanvaardbaar”?
5. Wat is het rechtgevolg van een succesvol beroep op art. 6:248 lid 2 BW?
6. Welke partijen kunnen zich beroepen op art. 6:233 sub a BW?
7. Welke (uit de wet en jurisprudentie voortvloeiende) gezichtspunten kunnen relevant zijn bij de
toepassing van art. 6:233 sub a BW?
8. Wat is een exoneratiebeding en wat is het praktische nut daarvan?
9. Welke gezichtspunten zijn in het bijzonder relevant bij de toetsing van exoneratiebedingen, hetzij in het
kader van art. 6:233 sub a BW, hetzij in het kader van art. 6:248 lid 2 BW?
10. Welke regel vloeit voort uit het arrest Bramer/Hofman Beheer?
11. Welke partijen kunnen zich beroepen op art. 6:236 en art. 6:237 BW?
12. Wat wordt bedoeld met de reflexwerking van art. 6:236 en art. 6:237 BW?
13. Wanneer kan een partij zich met succes beroepen op de reflexwerking van de zwarte en de grijze lijst?
14. Wat is precies het rechtsgevolg als iemand zich met succes kan beroepen op de reflexwerking van de
zwarte en de grijze lijst?
15. Wat is het rechtsgevolg van een succesvol beroep op art. 6:233 sub a BW?
Aandachtspunten voor het maken van casus over de leerstukken van deze week
Casus beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid
1. Uit uw beantwoording moet in ieder geval voldoende duidelijk blijken dat u zich realiseert dat de casus
betrekking heeft op het leerstuk van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. U moet
in dat verband de vindplaats van de wettelijke regeling van dat leerstuk kunnen noemen.
2. U dient vervolgens de rechtsvraag te formuleren die u beoogt te beantwoorden met de toepassing op de
casus van het onder (1) genoemde leerstuk.
3. Om de onder (2) bedoelde rechtsvraag te kunnen beantwoorden, moet u de feiten en omstandigheden
van de casus waarderen in het licht van een aantal relevante gezichtspunten. Dit is de kern van de
beantwoording van een casus over de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid: u maakt
, gemotiveerd duidelijk waarom bepaalde feiten en omstandigheden in de casus, bezien vanuit - wegens
hun relevantie - geselecteerde gezichtspunten (zie onder 4), een bepaalde beantwoording van de
rechtsvraag indiceren. Let er goed op dat u bij dit leerstuk terughoudend moet toetsen.
4. U kunt pas toekomen aan de in (3) beschreven activiteit, nadat u heeft vastgesteld welke gezichtspunten
in het kader van de normatieve waardering in de betreffende casus kunnen worden toegepast. Niet alle
gezichtspunten die in theorie zouden kunnen worden genoemd, zullen in elke casus relevant zijn.
Bepaalde feiten en omstandigheden in de casus kunnen ontbreken waardoor het niet mogelijk is iets
zinnigs te zeggen in het licht van een bepaald gezichtspunt. U mag (en moet) daarom alleen die
gezichtspunten noemen en toepassen die u verder helpen bij de beantwoording van de rechtsvraag in de
concrete casus die voor u ligt.
5. U moet in uw antwoord aangeven uit welke jurisprudentie de door u geselecteerde gezichtspunten
afkomstig zijn.
6. Uw eindoordeel wat betreft de beantwoording van de rechtsvraag is weliswaar belangrijk, maar nog
belangrijker is dat u laat zien dat u begrijpt hoe het selectieproces van gezichtspunten (zie daarvoor 4)
en het waarderen van feiten en omstandigheden van het geval in het licht van de relevante
gezichtspunten (zie daarvoor 3) precies in zijn werk gaat.
7. Uw beantwoording moet een korte conclusie bevatten waaruit voldoende duidelijk blijkt wat het
antwoord op de casusvraag is.
Casus inhoudstoetsing van algemene voorwaarden
Een belangrijke opmerking vooraf: inhoudstoetsing van algemene voorwaarden kan hetzij plaatsvinden met
behulp van de algemene regeling van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (zie hiervoor)
hetzij met behulp van de bijzondere regeling van afdeling 6.5.3 BW. De onderstaande aandachtspunten
hebben betrekking op het laatste.
1. Uit uw beantwoording moet in ieder geval voldoende duidelijk blijken dat u zich realiseert dat de casus
betrekking heeft op het leerstuk van de inhoudstoetsing van algemene voorwaarden. U moet in dat
verband de vindplaats van de bijzondere regeling van dat leerstuk in de wet noemen.
2. U dient vervolgens de rechtsvraag te formuleren die u beoogt te beantwoorden met de toepassing op de
casus van het onder (1) genoemde leerstuk.
3. U moet onderzoeken of en waarom de wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden –
gegeven de hoedanigheid van die wederpartij – rechtstreeks al dan niet een beroep kan doen op de
zogenoemde ‘grijze’ of ‘zwarte’ lijst. In dat verband moet u kunnen aangeven wat de vindplaats in de
wet is van die lijst en van welk op die lijst genoemde bedingen in de casus sprake is.
4. Om de onder (2) bedoelde rechtsvraag te kunnen beantwoorden geldt als uitgangspunt bij de toepassing
van de bijzondere regeling dat u de feiten en omstandigheden van de casus moet waarderen in het licht
van een aantal relevante gezichtspunten. Dit is de kern van de beantwoording van een casus over
inhoudstoetsing van algemene voorwaarden: u maakt gemotiveerd duidelijk waarom bepaalde feiten en
omstandigheden in de casus, bezien vanuit relevante gezichtspunten, een bepaalde beantwoording van
de rechtsvraag indiceren.
5. U kunt pas toekomen aan de in (4) beschreven activiteit, nadat u heeft vastgesteld welke gezichtspunten
in het kader van de normatieve waardering in de betreffende casus kunnen worden toegepast. Niet alle
gezichtspunten die in theorie zouden kunnen worden genoemd, zullen in elke casus relevant zijn.
Bepaalde feiten en omstandigheden in de casus kunnen ontbreken waardoor het niet mogelijk is iets
zinnigs te zeggen in het licht van een bepaald gezichtspunt. U mag (en moet) daarom alleen die
gezichtspunten noemen en toepassen die u verder helpen bij de beantwoording van de normatieve vraag
in de concrete casus die voor u ligt.
6. Heeft u vastgesteld – zie (3) – dat de wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden –
gegeven de hoedanigheid van die wederpartij – rechtstreeks een beroep kan doen op de zogenoemde
, ‘grijze’ of ‘zwarte’ lijst, dan moet u kunnen aangeven wat die vaststelling betekent vanuit het
perspectief van stelplicht en bewijslast van partijen voor de uitvoering van de in (4) beschreven
activiteit.
7. Heeft u vastgesteld – zie (3) – dat de wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden –
gegeven de hoedanigheid van die wederpartij – niet rechtstreeks een beroep kan doen op de
zogenoemde ‘grijze’ of ‘zwarte’ lijst, dan moet u in het kader van de uitvoering van de in (4)
beschreven activiteit onderzoeken of desalniettemin reflexwerking kan toekomen aan het feit dat het
beding op een van de lijsten vermeld staat en wat dat laatste vervolgens voor de casus betekent.
8. Uw eindoordeel wat betreft de beantwoording van de normatieve vraag is weliswaar belangrijk, maar
nog belangrijker is dat u laat zien dat u begrijpt op wie van partijen de stelplicht en bewijslast rust met
betrekking tot die beantwoording (zie daarvoor 6) en hoe het selectieproces van gezichtspunten (zie
daarvoor 5) en het waarderen van feiten en omstandigheden van het geval in het licht van de door u
geselecteerde gezichtspunten (zie daarvoor 4) precies in zijn werk gaat.
9. Uw beantwoording moet een korte conclusie bevatten waaruit voldoende duidelijk blijkt wat het
antwoord op de casusvraag is.
Een concrete illustratie van onder meer de inhoudstoetsing van algemene voorwaarden door de rechtspraak
biedt het arrest van het Hof Amsterdam van 19 maart 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:904.
Verplichte opdrachten voor de werkgroep
A. Opdracht ‘Casus Very Sure Verzekeringen’
Anton heeft bij Very Sure Verzekeringen met ingang van 23 januari een motorrijwielverzekering afgesloten
voor zijn Italiaanse Benilli motorfiets. In artikel 27 lid 1 sub b van de op de verzekering van toepassing
zijnde verzekeringsvoorwaarden is bepaald:
“(…) Diefstal van de motor is uitsluitend verzekerd indien de motor op slot is gezet met een ART
categorie 4 goedgekeurd slot.
(…) Indien niet aan de boven omschreven preventiemaatregelen is voldaan, bestaat er op grond van
de Verzekertingsovereenkomst geen recht op uitkering voor de als gevolg van diefstal van de motor
geleden schade”.
De motorfiets wordt hetzelfde jaar op 10 mei gestolen uit een afgesloten, door Anton gehuurde berging. De
schade is door een door Very Sure Verzekeringen ingeschakelde expert vastgesteld op een bedrag van
€29.650. Bij brief van 10 juni van dat jaar heeft Very Sure Verzekeringen aangegeven geen
verzekeringsuitkering aan Anton te zullen doen, omdat in strijd met art. 27 van de verzekeringsvoorwaarden
geen ART categorie 4 goedgekeurd slot is gebruikt.
Anton vindt de opstelling van de verzekeraar niet terecht. De motorfiets stond ten tijde van de diefstal
immers in een met twee sloten afgesloten ruimte en was afgesloten met het stuurslot en een
startonderbreker. Het door Anton daarnaast gebruikte Benilli U-slot had weliswaar niet de kwalificatie ART
categorie 4, maar was even veilig als een dergelijk slot. Dat laatste aspect moet doorslaggevend zijn,
volgens hem.
Vraag
Ziet u mogelijkheden voor Anton om in deze omstandigheden toch uitkering van de verzekeraar te
ontvangen? Ga er bij uw beantwoording vanuit dat volgens leidende experts op het gebied van
diefstalpreventie het door Anton gebruikte slot door de CNPP is goedgekeurd, welke keuring nog strenger is
dan een ART-keuring. Laat bij uw beantwoording van deze vraag het leerstuk van vernietigbaarheid van
algemene voorwaarden buiten beschouwing.
, Leerstuk: beperkende werking van redelijkheid en billijkheid
Rechtsvraag: Kan Anton het beding van de verzekeraar buiten toepassing verklaren?
Juridisch kader: art 3:12, 6:248 lid 2 BW, Saladin/ HBU
Toepassing:
Anton is het niet eens met het beding van de verzekeraar. Zijn motorfiets stond namelijk ten tijde van de diefstal in
een met twee sloten afgesloten ruimte en was afgesloten met het stuurslot en een startonderbreker.
Ogv art 6:248 kan een beding buiten toepassing worden verklaard, indien het in de gegeven omstandigheden naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Wanneer is een beding nou onaanvaardbaar?
Uit het arrest Saladin/ HBU blijkt dat de vraag of een beroep op een beding tot uitsluiting van aansprakelijkheid
(exoneratiebeding) vrijstaat afhangt van de waardering van de omstandigheden van het geval:
- Wat is de zwaarte van de schuld (ter zake van het veroorzaken van de desbetreffende schade), mede
in verband met de aard en de ernst van de bij enige gedraging betrokken belangen?
(exoneratiebeding?)
Gesteld kan worden dat Anton geen schuld heeft bij de diefstal, aangezien hij zijn fiets in een ruimte
met 2 sloten had afgesloten. Hem kan dus niet verweten worden dat hij bv onvoorzichtig is geweest.
Het slot was immers even veilig als art categorie goedgekeurd slot.
DIT GEZICHTSPUNT NIET NOEMEN ALS HET GAAT OM EEN
EXONERATIEBEDING
- Wat is de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt?
Het is ene verzekeringsovereenkomst. In het contract wordt uiteindelijk gezegd welk slot, maar het
gebruikte slot is beter. Het doel van het beding is dat het goed beveiligd is. Hieraan is voldaan. Nar de
geest van de bepaling heeft Anton zich hieraan gehouden, aangezien ij een beter slot heeft gebruikt
- Wat is de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen?
De verzekeringsmaatschappij is een grote partij en Anton is slechts een natuurlijk persoon. De
verzekeringsmaatschappij heeft dus een sterkere positie dan Anton. Anton is de zwakkere partij. Hij
is minder deskundig. Anton had waarschijnlijk geen andere keus dan het beding te accepteren
- Wat is de wijze waarop het beding tot stand is gekomen? (wat voor soort voorwaarden zijn het en is
er over onderhandeld)
Het beding is tot stand gekomen in een overeenkomst. Er is niet over onderhandeld, want het zijn
AV. Je kan het of accepteren of niet. Het is eenzijdig bijgevoegd en aanvaard.
Scholten noemt AV die eenzijdig aan het contract zijn gehecht adhesiecontract genoemd. “Iets erbij
plakken”. Er is niet apart over onderhandeld, wordt gewoon bijgevoegd.
- In welke mate is de wederpartij zich bewust geweest van de strekking van het beding?
Wel bewust van geweest dat hij een diefstalpreventie moest doen, want hij heeft een slot gebruikt dat beter
is. Hij heeft dus wel naar de strekking van de AV gehandeld.
Belangenafweging ex art. 3:12 BW hoewel de verzekeraar geen diefstalrisico’s wilt, kan er gesteld worden dat
Anton dit risico niet in het leven heeft geroepen, aangezien Anton een veiliger slot heeft gebruikt.
Niet in verhouding
Gesteld kan worden dat het belang van Anton heel groot is om het geld te krijgen.
Het beding is wel ondredelijk bezwarend voor Anton.
Conclusie: Anton heeft wel recht op de vergoeding en kan het beding van de verzekeraar ogv art 6:248 lid 2 BW
buiten toepassing laten verklaren
Uitleg. Als je twijfelt of er bedoeld wordt of een art categorie 4 goedgekeurd slot/ beter/ gelijkwaardige slot
art 6:238 lid 2 BW een voor de wp gunstige uitleg.
6:2 algemene bepaling
6:248 overeenkomst
B. Opdracht ‘Casus Compuworld’