Beco hoofdstuk 1.
Paragraaf 1.
Deel : geheel x 100 = procent
Brutowinst is het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs.
Nettowinst = resultaat voor belasting
Een promille is 1 per 1000
De afzet is het aantal erkochte producten. De omzet is het aantal verkochte producten x de
verkoopprijs.
Procentpunt is het verschil tussen 2 procentgetallen.
Paragraaf 3.
Ongewogen rekenkundig gemiddelde berekenen we door de verschillende waarden op te tellen en te
delen door het aantal waarden.
Het gewogen gemiddelde hou je rekening met de weging van bepaalde dingen.
Paragraaf 4.
Bij een tabel zijn alle onder elkaar geplaatste getallen noemen we kollommen in de horizontaal
geplaatste getallen zijn de rijen.
Een tabel met een enkele ingang is een tabel waarbij de gegevens betrekking hebben op één
kenmerk. Een tabel waarbij de gepresenteerde gegevens betrekking hebben op twee kenmerken is
een tabel met dubbele ingang. Ook mogelijk met 3 of meer
Om te controleren of een tabel klopt kan je de vierkantscontrole uitvoeren. Je telt de waarden van de
kolommen en rijen op. Vervolgens tellen we het totaal van de kolommen en totaal van rijen. Beide
tellingen moeten aan elkaar gelijk zijn.
In een lijndiagram geef je verschillende getallen met punten aan die vervolgens een lijn vormen. Als
er één lijn de ontwikkeling aangeeft is het een enkelvoudig lijndiagram. Bij een samengesteld
lijndiagram zijn er verschillende lijnen met eigen grootheid.
Gekoppeld staafdiagram daar plaatsen we de verschillende grootheden in verschillende staven naast
elkaar. Bij een gestapeld staafdiagram daarbij is de samenstelling staat in één staaf.
Paragraaf 5.
Een indexcijfer is een getal dat de verhouding weergeeft tussen de waarde van een grootheid in een
bepaalde periode en de waarde van die grootheid in de basisperiode. Verhoudingsgetal geen
percentage. Indexcijfer = jaar : basisjaar x 100.
Hoofdstuk 2
Paragraaf 1.
De bezittingen van een onderneming noemen we kapitaalgoederen (activa). Hiervoor is vermogen
nodig dit kan je zelf inbrengen: eigen vermogen ook anderen kunnen dit doen door vreemd
vermogen (schulden).
Een balans geeft een overzicht van bezittingen(kapitaalgoederen of activa) en het eigen vreemd
vermogen (passiva) van een onderneming op een bepaald moment. Linkerkant balans = debetkant
staan bezittingen. Rechterkant = creditkant vermogen van de onderneming.
Aan de debetkant zijn balansposten van de kapitaalgoederen die meer dan één productieproces of
meer dan 1 jaar meegaan -> vaste activa. Daarna vlottende activa deze gaan één productieproces of
minder dan een jaar mee. Deze activa is makkelijk om te zetten in geld. Als laatste liquide middelen:
Paragraaf 1.
Deel : geheel x 100 = procent
Brutowinst is het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs.
Nettowinst = resultaat voor belasting
Een promille is 1 per 1000
De afzet is het aantal erkochte producten. De omzet is het aantal verkochte producten x de
verkoopprijs.
Procentpunt is het verschil tussen 2 procentgetallen.
Paragraaf 3.
Ongewogen rekenkundig gemiddelde berekenen we door de verschillende waarden op te tellen en te
delen door het aantal waarden.
Het gewogen gemiddelde hou je rekening met de weging van bepaalde dingen.
Paragraaf 4.
Bij een tabel zijn alle onder elkaar geplaatste getallen noemen we kollommen in de horizontaal
geplaatste getallen zijn de rijen.
Een tabel met een enkele ingang is een tabel waarbij de gegevens betrekking hebben op één
kenmerk. Een tabel waarbij de gepresenteerde gegevens betrekking hebben op twee kenmerken is
een tabel met dubbele ingang. Ook mogelijk met 3 of meer
Om te controleren of een tabel klopt kan je de vierkantscontrole uitvoeren. Je telt de waarden van de
kolommen en rijen op. Vervolgens tellen we het totaal van de kolommen en totaal van rijen. Beide
tellingen moeten aan elkaar gelijk zijn.
In een lijndiagram geef je verschillende getallen met punten aan die vervolgens een lijn vormen. Als
er één lijn de ontwikkeling aangeeft is het een enkelvoudig lijndiagram. Bij een samengesteld
lijndiagram zijn er verschillende lijnen met eigen grootheid.
Gekoppeld staafdiagram daar plaatsen we de verschillende grootheden in verschillende staven naast
elkaar. Bij een gestapeld staafdiagram daarbij is de samenstelling staat in één staaf.
Paragraaf 5.
Een indexcijfer is een getal dat de verhouding weergeeft tussen de waarde van een grootheid in een
bepaalde periode en de waarde van die grootheid in de basisperiode. Verhoudingsgetal geen
percentage. Indexcijfer = jaar : basisjaar x 100.
Hoofdstuk 2
Paragraaf 1.
De bezittingen van een onderneming noemen we kapitaalgoederen (activa). Hiervoor is vermogen
nodig dit kan je zelf inbrengen: eigen vermogen ook anderen kunnen dit doen door vreemd
vermogen (schulden).
Een balans geeft een overzicht van bezittingen(kapitaalgoederen of activa) en het eigen vreemd
vermogen (passiva) van een onderneming op een bepaald moment. Linkerkant balans = debetkant
staan bezittingen. Rechterkant = creditkant vermogen van de onderneming.
Aan de debetkant zijn balansposten van de kapitaalgoederen die meer dan één productieproces of
meer dan 1 jaar meegaan -> vaste activa. Daarna vlottende activa deze gaan één productieproces of
minder dan een jaar mee. Deze activa is makkelijk om te zetten in geld. Als laatste liquide middelen: