Scheikunde samenvatting h3 paragraaf 2 en 3
Paragraaf 1:
Alles wat je met je zintuigen kan waarnemen noem je het macroniveau. Als je naar de kleinere
dingen kijkt noem je het microniveau dit is meestal met atomen en moleculen. Je bestudeert dan de
kleinste deeltjes waaruit een stof bestaat. Op microniveau beschrijf je wat de fasen(vast etc)
inhouden en gebruik je waarnemingen op macroniveau.
Je noemt een stapeling val de bolletjes in een vaste stof een rooster. Bij vaste stof trillen de
moleculen maar blijven op hun plek bij vloeibare fase is de stof iets warmer en gaan de moleculen
steeds harder trillen. ze trillen zo hard dat het rooster word verbroken. Ze bewegen nu langs elkaar.
Bij nog hogere temp bewegen de moleculen nog sterker en bij het kookpunt komen de moleculen
helemaal los van elkaar.
Iets wat je niet kunt zien kan je met een model beschrijven, het is een vereenvoudigde weergave van
de werkelijkheid
Paragraaf 2:
Moleculen en atomen; Moleculen zijn opgebouwd uit hele kleine deeltjes deze noem je atomen. Dit
zijn dus de bouwstenen van een molecuul. Twee of meer atomen vormen samen een molecuul.
Ieder bolletje stelt een atoom voor. Een alcoholmolecuul bestaat uit 3 verschillende atoomsoorten.
Omdat dit molecuul uit meerdere atoomsoorten bestaat noem je dit een verbinding. Een molecuul
kan soms ook maar uit één atoomsoort bestaan dat noem je een element. De termen verbinding en
element worden zowel op macro als microniveau gebruikt.
Het periodiek systeem; de symbolen van alle atoomsoorten worden gerangschikt in het periodiek
systeem in 1869 bedacht door Dmitri Mendelejev. Systeem waarbij hij chemische en fysische
eigenschappen van atoomsoorten met elkaar in verband bracht. De horizontale rijen heten perioden.
De verticale kolommen zijn de groepen. Grootste deel bestaat uit metalen de rest zijn niet metalen
en een kleine groep metalloïden
Groep1: alkalimetalen
Groep 2: aardalkalimetalen
Groep 17: halogenen
Groep 18: edelgassen
Een zuiver metaal is een stof waar maar één atoomsoort in voorkomt. Het is dus een element
Stofeigenschappen die alle metalen hebben:
Een glimmend oppervlak in zuivere vorm
Ze geleiden warmte en elektrische stroom
Ze kunnen worden vervormd, vooral als ze heet zijn
Ze kunnen in gesmolten toestand gemengd worden met andere metalen
Veel metalen woorden aangetast door stoffen uit de omgeving. Sommige niet bv goud. Bij ijzer
gebeurt dat snel het heet roesten. Bij de overige noem je het corrosie
Op grond van de reactie met zuurstof en water worden metalen verdeeld in;
Paragraaf 1:
Alles wat je met je zintuigen kan waarnemen noem je het macroniveau. Als je naar de kleinere
dingen kijkt noem je het microniveau dit is meestal met atomen en moleculen. Je bestudeert dan de
kleinste deeltjes waaruit een stof bestaat. Op microniveau beschrijf je wat de fasen(vast etc)
inhouden en gebruik je waarnemingen op macroniveau.
Je noemt een stapeling val de bolletjes in een vaste stof een rooster. Bij vaste stof trillen de
moleculen maar blijven op hun plek bij vloeibare fase is de stof iets warmer en gaan de moleculen
steeds harder trillen. ze trillen zo hard dat het rooster word verbroken. Ze bewegen nu langs elkaar.
Bij nog hogere temp bewegen de moleculen nog sterker en bij het kookpunt komen de moleculen
helemaal los van elkaar.
Iets wat je niet kunt zien kan je met een model beschrijven, het is een vereenvoudigde weergave van
de werkelijkheid
Paragraaf 2:
Moleculen en atomen; Moleculen zijn opgebouwd uit hele kleine deeltjes deze noem je atomen. Dit
zijn dus de bouwstenen van een molecuul. Twee of meer atomen vormen samen een molecuul.
Ieder bolletje stelt een atoom voor. Een alcoholmolecuul bestaat uit 3 verschillende atoomsoorten.
Omdat dit molecuul uit meerdere atoomsoorten bestaat noem je dit een verbinding. Een molecuul
kan soms ook maar uit één atoomsoort bestaan dat noem je een element. De termen verbinding en
element worden zowel op macro als microniveau gebruikt.
Het periodiek systeem; de symbolen van alle atoomsoorten worden gerangschikt in het periodiek
systeem in 1869 bedacht door Dmitri Mendelejev. Systeem waarbij hij chemische en fysische
eigenschappen van atoomsoorten met elkaar in verband bracht. De horizontale rijen heten perioden.
De verticale kolommen zijn de groepen. Grootste deel bestaat uit metalen de rest zijn niet metalen
en een kleine groep metalloïden
Groep1: alkalimetalen
Groep 2: aardalkalimetalen
Groep 17: halogenen
Groep 18: edelgassen
Een zuiver metaal is een stof waar maar één atoomsoort in voorkomt. Het is dus een element
Stofeigenschappen die alle metalen hebben:
Een glimmend oppervlak in zuivere vorm
Ze geleiden warmte en elektrische stroom
Ze kunnen worden vervormd, vooral als ze heet zijn
Ze kunnen in gesmolten toestand gemengd worden met andere metalen
Veel metalen woorden aangetast door stoffen uit de omgeving. Sommige niet bv goud. Bij ijzer
gebeurt dat snel het heet roesten. Bij de overige noem je het corrosie
Op grond van de reactie met zuurstof en water worden metalen verdeeld in;