OVERHEID
Achtste, herziene druk
Samenvatting van de hoofdstukken: 1, 2, 3, 4, 9, 10
HOOFDSTUK 1 INTRODUCTIE
1.1 Inleiding
De overheid is overal en grijpt in in onze maatschappij. De overheid is echter niet altijd goed te
begrijpen of te volgen.
Begrippen:
Bestuurskunde (ook wel beleidskunde): de discipline (studie) die de overheid centraal stelt.
Het gaat meestal over de discipline die zich bezighoudt met de voorbereiding, de bepaling,
de uitvoering e de evaluatie van overheidsbeleid.
Bestuurder: iemand die stuurt, de richting geeft. In het geval van de overheid zijn de
bestuurders dan de politici: bijv wethouders (gemeente), de gedeputeerden (provincie) of de
ministers (rijksoverheid).
Steeds meer gemeenten hebben tegenwoordig een ‘Publiekdienst’, waar alle contacten met burgers
worden afgehandeld. Alle gemeenten werken aan een ‘Klantencontactcentrum’, een onderdeel van
zo’n Publieksdienst. Klantencontactcentrum: het doel hiervan is dat de meeste vragen in één keer
worden afgehandeld, je wordt hier echt direct geholpen.
Waarom verdiepen in bestuurskunde:
Bestuurskunde helpt de overheid zelf om effectiever te werken
Bestuurskunde helpt anderen doelgerichter met een overheid om te gaan
Bij de totstandkoming van beleid wordt zelden de technisch ‘beste’ oplossing gekozen. Bij
beleidsvorming spelen namelijk allerlei factoren een rol en technische inhoudelijke factoren zijn daar
slechts een onderdeel van
,HOOFDSTUK 2 ENKELE BEGRIPPEN
2.2 Geschiedenis van bestuur
De huidige staten en de wijze waarop de staatsorganisatie (overheid) wordt vormgegeven, zijn het
resultaat van een geschiedenis van duizenden jaren.
Het is gebruikelijk om van een staat te spreken als:
1 Er sprake is van een (afgegrensd) grondgebied
2 Het aanwezig zijn van een (geaccepteerd) bestuursgezag. Hierbij is soevereiniteit (hoogste macht
of gezag) erg belangrijk.
3 Er moet een (te onderscheiden) staatsvolk zijn
Veel moderne staten kennen 2 pijlers die ten grindslag liggen aan de inrichting van hun bestuur:
1 De scheiding tussen kerk en staat (vroeger: kerk is de staat, nu: gescheiden (westerse)
2 De scheiding van de drie machten
Verschillende soorten samenlevingen:
Samenleving op basis van gelijkheid (jagers-verzamelaars)
Samenleving met rangorde (agrarische samenleving, bezit is namelijk een basis voor macht)
Samenleving met gelaagdheid (standensamenleving, hierin wordt je geboren en opstijgen is
erg beperkt)
Trias politica:
De drie machten vormen het staatsbeginsel. Het zijn in principe gelijkwaardige machten, vandaar ook
wel een horizontale machtenscheiding genoemd. Er is dus geen hiërarchie. Elk van de machten kent
zijn eigen grondslagen, regels, bevoegdheden en mechanismen om te corrigeren.
Zo valt ook het Rijksniveau te onderscheiden:
Staten-Generaal (wetgevende macht)
Ministeries (uitvoerende macht)
Onafhankelijke rechters (rechterlijke macht)
Naast de drie machten kennen we nog een aantal machten, zoals de vierde macht: het
ambtenarenapparaat (ook wel bureaucratie).
De media, lobbyisten (vooraf persoonlijke gesprekken voeren om beslissingen te beïnvloeden) en
adviesbureaus worden elk ook machten genoemd. Kenmerkend is dat zij, soms achter de schermen,
de politieke besluitvorming beïnvloeden.
Nederland 1848:
, 1848: er vond een grondwetswijziging plaats door Johan Thorbecke die het begin betekende van de
‘gedecentraliseerde eenheidsstaat’. Dit is ook wel de vreedzame revolutie genoemd door de
ingrijpendheid. Enkele wijzigingen:
Ministeriele verantwoordelijkheid: ministers zijn verantwoordelijk, koning onschendbaar
Rechtstreekse verkiezing van tweede kamer, provinciale staten en gemeenteraden
Indirecte verkiezing van leden van de eerste kamer
Grondrechten:
De grondwet legt zowel het bestuurlijk stelsel als onze grondrechten vast.
Grondrechten: rechten die de burger beschermen tegen de overheid. Er zijn 2 soorten grondrechten:
Klassieke grondrechten, zoals vrijheid van godsdienst/meningsuiting. Deze kunnen worden
afgedwongen
Sociale grondrechten, dit zijn onderwerpen waar de overheid zich mee moet bemoeien zoals
recht op werkgelegenheid. Om sociale grondrechten te realiseren moet er beleid worden
gemaakt.
Nederland richting modern:
Door de grondwet van 1848 begint in Nederland de moderne tijd. In de 19 e eeuw was er een
overheidsrol beperkt tot het garanderen van de veiligheid van de inwoners door de aanwezigheid
van politie en leger. Verder was er weinig bemoeienis met de inwoners en dit heet de
Nachtwakersstaat.
Begin 20e eeuw neemt de overheid steeds meer de rol en wordt belangrijker bij het aanpakken van
de grote maatschappelijke problemen, zoals armoede, slechte arbeidsomstandigheden en gebrekkige
huisvesting. Belangrijke stappen voor ontwikkeling hier waren het Kinderwetje van Van Houten
(1874) en de Ongevallenwet (1901).
Na de WO2 nog meer bemoeienis met de bevolking. Dit kan worden benoemd met de begrippen:
Codificatie: eerst volgt de overheid de ontwikkelingen in de samenleving en daarna stelt zij
wetten op die daarbij passen
Modificatie: aanpassing, sturing. De overheid wil continu inspelen op de ontwikkelingen in de
samenleving en mogelijk zelfs daarop vooruitlopen en ontwikkelingen beïnvloeden
(modificeren)
De overheid gaat de samenleving sturen en schept randvoorwaarden: de verzorgingsstaat.
Participatiesamenleving: een samenleving waarbij iedereen die dat kan ook daadwerkelijk
verantwoordelijkheid moet nemen voor zijn eigen leven en voor zijn eigen omgeving.
Belangrijks stromingen met hun belangrijkste beginselen: