− De populaties van verschillende
Ecosysteem soorten in een bepaald gebied
− Een min of meer begrensd gebied − vb. van een rivier of weidegebied
waar abiotische + biotische
factoren een eenheid vormen Populatie
− vb abiotische factoren: − Een groep individuen die in een bepaald
temperatuur, zonlicht gebied leven + zich onderling voortplanten
−vb. bos, meer, koraalrif
Organisme
− Planten
Biosfeer (systeem aarde) − Dieren
− Het geheel aan ecosystemen op aarde − Schimmels
− Het deel van de aarde dat + de − Bacteriën
dampkring dat door organismen wordt
bewoond
Organel
Een deel van een Organenstelsel
cel − Bestaat uit een aantal organen die samen
een bepaalde functie uitoefenen
Prokaryoot:
− Cellen die geen celkern bevatten Orgaan
− DNA ligt los in cel − Deel van organisme met specifieke
bouw+ functie
− Meestal opgebouwd uit meerdere
weefsels
Eukaryote cel:
Weefsel
− Cellen die wel een celkern bevatten
− Cellen in meercellige organismen met
− Het DNA ligt in celkern
dezelfde vorm + functie bij elkaar
, Biologie
• De studie van organismen (levende wezens)
Organismen
• Vertonen allemaal levensverschijnselen:
− Stofwisseling: alle chemische reacties in een organisme
• Elk individu heeft een levensloop: eindigt met de dood van het
individu
• Elke soort heeft een levenscyclus:
• Individuen behoren tot dezelfde soort als ze onderling kunnen
voortplanten
• Enzymen versnellen de chemische reacties van
stofwisselingsprocessen
Levenloos
• Dingen in de natuur die nooit hebben geleefd
Emergentie
• Een effect dat gebeurt wanneer dingen gaan samenwerken op een
bepaald niveau
• Op elk hoger organisatieniveau verschijnen er eigenschappen die
emergente eigenschappen worden genoemd
• Een emergente eigenschap is niet op op een lagere niet op een
lagere niveau waarneembaar
Vb. lopen is op niveau organisme waarneembaar, op lager niveau
niet ( een organenstelsel kan niet lopen)