Hoorcollege 9
1. Welke type cellen kunnen pluripotente stamcellen leveren?
a. Alle celtypen
b. Epitheelcellen
c. Spiercellen
d. Zenuwcellen
2. Een stamcel deelt in twee cellen die beide differentiëren.
a. Juist
b. Onjuist
3. Hematopoietische stamcellen in beenmerg zijn
a. multipotent
b. pluripotent
c. unipotent
4. Welk soort epitheelcellen vind je in bloedvaten?
a. Eenlagig hoog cilindrisch epitheel
b. Eenlagig kubisch epitheel
c. Eenlagig plaveiselepitheel
d. Pseudomeerlagig trilhaarepitheel
5. Welk soort epitheelcellen vind je in een nierbuisje?
a. Eenlagig hoog cilindrisch epitheel
b. Eenlagig kubisch epitheel
c. Eenlagig plaveiselepitheel
d. Pseudomeerlagig trilhaarepitheel
6. Welk soort epitheelcellen vind je in de bronchiën?
a. Eenlagig hoog cilindrisch epitheel
b. Eenlagig kubisch epitheel
c. Eenlagig plaveiselepitheel
d. Pseudomeerlagig trilhaarepitheel
GZC I → week 4 → vragen → 1
,7. Welk soort epitheelcellen vind je in de darm?
a. Eenlagig hoog cilindrisch epitheel
b. Eenlagig kubisch epitheel
c. Eenlagig plaveiselepitheel
d. Pseudomeerlagig trilhaarepitheel
8. Wat is een product van fibroblasten?
a. Collageen
b. GAGs
c. N-acetylglucosamine
d. Proteoglycanen
Voorcollege practicum 4
9. Adaptaties zijn altijd pathologisch.
a. Juist
b. Onjuist
10. Welke stelling over adaptatiemechanismen is onjuist?
a. Bij atrofie daalt het aantal cellen
b. Bij atrofie vermindert het aantal cellen
c. Bij hypertrofie ontstaan meer cellen
d. Bij metaplasie ontstaat een ander soort cel
11. Bij pathologische hyperplasie is de toename altijd ongecontroleerd.
a. Juist
b. Onjuist
12. Wat is het nadeel van metaplasie?
a. Er is een verhoogde kans op maligniteit
b. Het is irreversibel
c. Het kan alleen plaatsvinden in doorgangscellen
d. Het kan alleen plaatsvinden in epitheelcellen
13. Is necrose pathologisch of fysiologisch?
a. Pathologisch
b. Fysiologisch
c. Het kan allebei
GZC I → week 4 → vragen → 2
, Zelfstudie 4
14. Welke 3 filamenten vormen het cytoskelet van een eucaryotische cel?
15. Waardoor worden intermediair filamenten gevormd?
a. Actine subunits
b. A-tubulin en β-tubulin
c. Intermediair subunits
d. Vezelige eiwitten
16. Welke uitspraak over intermediair filamenten is onjuist?
a. Het omgeeft alleen de nucleus en strekt niet uit tot celperiferie
b. Het zijn de sterkste en duurzaamste van de drie filamenten
c. Is vaak verankerd aan het plasmamembraan
d. Mechanische spanning leveren bij uitrekking is de hoofdfunctie
17. Welke uitspraak over microtubuli is onjuist?
a. De tubuli zijn hol
b. De verbinding tussen α-tubulin en β-tubulin is covalent
c. Het verzorgt een netwerk voor transport
d. Het β-tubulin-einde is het plus-einde
18. Waarom kennen microtubuli plus- en min-einden?
a. Door het verschil in elektrische lading
b. Door het verschil in snelheid van polymerisatie
19. Welk einde van een microtubulus is ingebed in het centrosoom?
a. Het min-einde
b. Het plus-einde
20.Wanneer krimpen microtubuli?
a. Als een GTP-cap aanwezig is
b. Als eerder een nieuw tubulindimeer wordt toegevoegd dan er GTP wordt
gehydroliseerd
c. Als GTP eerder wordt gehydroliseerd dan er een nieuw tubulindimeer
wordt toegevoegd
d. Als GTP niet wordt gehydroliseerd
21. Welke stelling over microtubuli is juist?
a. Colchicine remt polymerisatie
b. Taxol remt polymerisatie
GZC I → week 4 → vragen → 3