Samenvatting Klinische
Psychodiagnostiek KPSD 2e jr
bachelor psychologie
geschreven door:
sjorsvd
De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Op Stuvia vind je het grootste aanbod aan samenvattingen en collegeaantekeningen. De
documenten zijn geschreven door jouw medestudenten, specifiek voor jouw opleiding!
www.stuvia.com
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
!!! Lesstructuur cfr. ’09-’10, inhoud cfr. ’09-’10 en ’10-’11 !!!
Les 1: Inleiding
Psychologisering in de samenleving: er wordt door leken veel gecommuniceerd in psychologische
termen, psychologische attributies gemaakt en psychologische kenmerken toegeëigend aan anderen.
Het niet-kritisch toepassen hiervan is een gevaar, want het beïnvloed de impact van de woorden van
een psycholoog. De assumpties en common sense ideeën komen vooral uit de media en de
opvoeding.
Metrisch versus klinisch
Metrische diagnostiek: Meten met gestandaardiseerde meetinstrumenten = kwantitatief
Klinische diagnostiek: Vaak niet kwantificeerbaar (= kwalitatief):
- Psychische kenmerken hebben subjectieve betekenis: niet in getal uit te drukken
- Patronen zoeken in psychische structuren: niet meetbaar
- Positie t.o.v. existentiële kwesties: Getal geven niet nuttig, benoemen wel belangrijk
Psychodiagnostiek t.o.v. metrische diagnostiek:
- Minder positivistisch
Positivisme = Ware kennis is gemeten kennis
KPSD niet gestandaardiseerd. Finesse vatten.
- Meer pragmatisch
Pragmatisme = Waarde afmeten aan praktische bruikbaarheid
Geen procedures, wel theoretisch kader (heuristiek)
Beschrijven om te handelen, kenmerken situeren (per persoon apart)
Metrische PSD te gebruiken als vertrekpunt, niet eindpunt
- Grote impact ethische kwesties
Besef van impact en rekening houden met gevolgen van uitspraken
Invloed mensvisie/ideologie
Etnografie (20e eeuw): Door kolonisatie interesse voor vergelijk tussen volken (begin PSD). Eigen volk
gebruikt als norm en recht toegeëigend om te beschaven. Later zelfde concept toegepast in
testdiagnostiek USA, toelating in leger/immigranten. Voorbeeld: The bell curve (Murray &
Herrnstein): Normaalverdeling. O.a. gebruikt voor intelligentie. Conclusies bleken later onjuist: foute
data en te beperkt theoretisch kader (ideologische basis).
Evolutie van kennis (bijgeschaafde kennis & accuratere ideeën) versus evolutie van het discours
(meerdere termen voor eenzelfde object/onderwerp = verschillende kaders). Mensvisie afhankelijk
van gekozen discours om mens te kaderen. Wetenschap selectief: meest gebruikte discours = meest
onderzochte discours.
Klassieke mensvisie = mens is in essentie goed: contextuele diagnostiek, terug op rechte pad brengen
Hobbes (filosoof, UK) = mens is in essentie slecht: individuele diagnostiek, bijschaven/heropvoeden
Neodarwinisme in KPSD: ethiek opstellen waarin het anders-zijn van de Ander centraal staat
- Basishouding t.o.v. patiënt en niet laten beïnvloeden door (of bewust zijn van!) eigen
normen en waarden
- Pogen verwachtingen uit te schakelen en eigenheid van persoon vatten (luisteren,
inspelen op wat er wordt gezegd)
Ethiek: Principes van goed handelen, vaak lastige kwesties. Geen deontologie!
Pragmatisch principe/ethische beginregel KPSD: Leegte creëren in sociale band (geen
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
vooronderstellingen, verwachtingen) met patiënt (singuliere persoon), particuliere logica die
tevoorschijn komt bestuderen. Tijd nemen om te observeren en luisteren.
Inhoud & doel KPSD I
1. Ziekte versus gezondheid ondergraven: psychische ziekten ≠ organische ziekte. Probleem van
scheiden discours (aparte termen). Pati (latijn) = lijden (patient zelf) en geduld (patient en
diagnosticus.)
2. Essentie-idee ondergraven: Essentie (= zijn) versus interactie (=worden, veranderen)
Psyche is niet substantieel. Mens vormt identiteit in interactie met omgeving (geen ware
identiteit. Bestuderen door met patiënt in interactie te treden en interactiepatroon wijzigen
(=behandeling). Valkuil: Niet alles is interactionistisch op te lossen!
3. Vertrek van een formele en structurele visie: verhouding tussen subject en Ander en subject
en lichaam centraal.
- Taal/symbolische orde levert de bouwstenen: woorden- bevatten subjectieve logica en
moeten in context bekeken worden. Verhouding subject/Ander ontwikkelt zich door taal.
- Ander ≠ ander: significante Ander, nadruk op het anders-zijn van de Ander.
- Logica die door verschillende gedragingen naar voren komt is belangrijk: niet inhoud, maar
structuur van belang! KPSD = particuliere situaties.
Les 2: Klinische psychodiagnostiek versus medische diagnostiek
Verloop diagnostiek
Medische kliniek: Kliniek van het zien! Diagnostiek in afgebakend lichaam. Vast model (/discours):
1. Symptomen: autonome zintuigelijke waarneming van diagnosticus.
2. Kennis en etiologie: Onderscheid gezond en ziek, ziekte koppelen aan oorzaak (=etiologie).
3. Diagnose van het syndroom: Syndroom is samengaan van symptomen.
4. Prognose: Verwachtingen over verloop syndroom.
5. Indicatiestelling: Mogelijke te ondernemen acties.
6. Behandeling: Symptomen doen verdwijnen, effectieve interventie van arts.
7. Status quo ante: Terugkeer naar oorspronkelijke staat (symptoomvrij)
Klinische psychodiagnostiek: Kliniek van het horen! Diagnostiek van verhoudingen.
Probleem is niet te observeren via zintuigelijke waarneming. Inbedding bestuderen:
klacht/symptoom in context plaatsen, in licht van verhoudingen zien. 90% van de gevallen: oordeel
via narratieve context (verhaal van patiënt en naasten). Na kaderen van het symptoom naar
behandeling toewerken. Altijd: Symptoom spreekt de waarheid!(Onbewust, los van intenties.)
Parrallel met medische wetenschap: Theoretisch kader nodig voor behandeling!
Andere mogelijke benaderingen:
- Systeemtheoretisch: Richten op verhouding en communicatie, communicatie aanpassen
- Gedragsmatig: Gedrag bestuderen (waarom) en ontkrachten.
Semiotiek: decodering
Semiotiek = studie van hoe tekens functioneren bij mensen
Medische semiotiek = van welke ziekte/syndroom (Z) is dit symptoom (∑)een uiting?
n = ∞ : diagnostiek is op ieder individu van toepassing. Symptoom (∑) heeft vaste betekenis,
gedecodeerd door kennis.
(1. Symptomen KPSD)
Binnen klinische PSD: Welke functie heeft dit symptoom in de context van het ruimere functioneren
van deze persoon?
n = 1 (één specifieke situatie). Symptoom als betekenaar.
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Uitwerking in de taalkunde (De Chaussure):
Betekenaar: fysiek talig symbool. Betekenis ligt niet vast, maar wordt contextueel bepaald.
Betekenaar kan metaforisch gebruikt worden binnen determinatie van spraakcontext:
- grammaticaal/semantisch (inbedding in zin),
- sociaal/interactioneel (interpersoonlijke context) of
- particulier/singulier (context van spreker zelf).
We kunnen de betekenis van een betekenaar pas vatten als we de weten waarnaar het verwijst. Dit
is één of meerdere andere betekenaar(s).
(2. Kennis en etiologie KPSD)
Onderscheid nomothetisch/idiografisch
Nomothetische uitspraken: n = ∞
- Uitspraken gelden voor alle leden van de groep
- Gaan er van uit dat elk lid van de groep adequaat begrepen worden via de algemene wet
Idiografische uitspraken: n = 1
- Uitspraken gelden maar voor één casus of gebeurtenis
- Maken gebruik van nomothetische kennis, maar passen dit niet zomaar toe op het concrete
(individuele) geval
- Individueel geval mag niet binnen bepaalde regel geforceerd worden
Stelling: In de klinische psychodiagostiek hebben we geen duidelijke normen om het onderscheid
normaal/abnormaal te bepalen
Achtergrondkennis is niet eenduidig/uniform, want achtergrondtheorie is niet eenduidig/uniform! Er
zijn verschillende theorieën waaruit we de symptomen kunnen benaderen. Normen zijn altijd
relatief, intellectuele eerlijkheid vereist dat er geen strikte normen zijn. Handelen alsof er wel
normen voor normaal/abnormaal bestaan is gevaarlijk in diagnostiek!
Miskenningen van de stelling:
1. Onderscheid normaal/abnormaal puur metrisch bepalen
- Voornamelijk zelfrapportagelijsten.
- Variabele meten bij grote (representatieve) steekproef; gemiddelde en standaarddeviatie
berekenen. Gevaar cirkelredenering: Men moet a priori vaststellen waar de grens
normaal/abnormaal ligt. Probleem ψ t.o.v. o.a. fysica: geen vaste maateenheden voor
normaal/abnormaal.
- Alternatief: Likert-schaal. Problemen: Geen context (‘waarom x?’), geen homogeniteit in
scoring binnen individuen (scores verschillen over tijd) en tussen individuen (cijfers
weerspiegelen voor iedereen andere psychische realiteit).
- Vragenlijsten goed om spreiding te zien en verbanden te meten, niet bruikbaar voor
individuele beslissingscontext. Cijfer op zich heeft geen enkele betekenis, individuele context
is noodzakelijk voor juiste interpretatie.
- Probleem met bewaren objectiviteit bij interpretatie cijfer. Biologische markers en
leugendetectors ook niet eenduidig.
2. Onderscheid normaal/abnormaal via ideaal bepalen
- Ideaal kan geen norm zijn: ideaal is altijd fictie
- Bij bepaling van ideaal gaan normen meespelen: vergelijking met zelf
- Assessment (= beoordeling van een persoon) legt nadruk op behalen van eindpunt: norm
niet objectief
- Heeft dwingend en aliënerend (vervreemdend) karakter, leidt tot segregatie (uitsluiting)
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
Psychodiagnostiek KPSD 2e jr
bachelor psychologie
geschreven door:
sjorsvd
De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Op Stuvia vind je het grootste aanbod aan samenvattingen en collegeaantekeningen. De
documenten zijn geschreven door jouw medestudenten, specifiek voor jouw opleiding!
www.stuvia.com
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
!!! Lesstructuur cfr. ’09-’10, inhoud cfr. ’09-’10 en ’10-’11 !!!
Les 1: Inleiding
Psychologisering in de samenleving: er wordt door leken veel gecommuniceerd in psychologische
termen, psychologische attributies gemaakt en psychologische kenmerken toegeëigend aan anderen.
Het niet-kritisch toepassen hiervan is een gevaar, want het beïnvloed de impact van de woorden van
een psycholoog. De assumpties en common sense ideeën komen vooral uit de media en de
opvoeding.
Metrisch versus klinisch
Metrische diagnostiek: Meten met gestandaardiseerde meetinstrumenten = kwantitatief
Klinische diagnostiek: Vaak niet kwantificeerbaar (= kwalitatief):
- Psychische kenmerken hebben subjectieve betekenis: niet in getal uit te drukken
- Patronen zoeken in psychische structuren: niet meetbaar
- Positie t.o.v. existentiële kwesties: Getal geven niet nuttig, benoemen wel belangrijk
Psychodiagnostiek t.o.v. metrische diagnostiek:
- Minder positivistisch
Positivisme = Ware kennis is gemeten kennis
KPSD niet gestandaardiseerd. Finesse vatten.
- Meer pragmatisch
Pragmatisme = Waarde afmeten aan praktische bruikbaarheid
Geen procedures, wel theoretisch kader (heuristiek)
Beschrijven om te handelen, kenmerken situeren (per persoon apart)
Metrische PSD te gebruiken als vertrekpunt, niet eindpunt
- Grote impact ethische kwesties
Besef van impact en rekening houden met gevolgen van uitspraken
Invloed mensvisie/ideologie
Etnografie (20e eeuw): Door kolonisatie interesse voor vergelijk tussen volken (begin PSD). Eigen volk
gebruikt als norm en recht toegeëigend om te beschaven. Later zelfde concept toegepast in
testdiagnostiek USA, toelating in leger/immigranten. Voorbeeld: The bell curve (Murray &
Herrnstein): Normaalverdeling. O.a. gebruikt voor intelligentie. Conclusies bleken later onjuist: foute
data en te beperkt theoretisch kader (ideologische basis).
Evolutie van kennis (bijgeschaafde kennis & accuratere ideeën) versus evolutie van het discours
(meerdere termen voor eenzelfde object/onderwerp = verschillende kaders). Mensvisie afhankelijk
van gekozen discours om mens te kaderen. Wetenschap selectief: meest gebruikte discours = meest
onderzochte discours.
Klassieke mensvisie = mens is in essentie goed: contextuele diagnostiek, terug op rechte pad brengen
Hobbes (filosoof, UK) = mens is in essentie slecht: individuele diagnostiek, bijschaven/heropvoeden
Neodarwinisme in KPSD: ethiek opstellen waarin het anders-zijn van de Ander centraal staat
- Basishouding t.o.v. patiënt en niet laten beïnvloeden door (of bewust zijn van!) eigen
normen en waarden
- Pogen verwachtingen uit te schakelen en eigenheid van persoon vatten (luisteren,
inspelen op wat er wordt gezegd)
Ethiek: Principes van goed handelen, vaak lastige kwesties. Geen deontologie!
Pragmatisch principe/ethische beginregel KPSD: Leegte creëren in sociale band (geen
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
vooronderstellingen, verwachtingen) met patiënt (singuliere persoon), particuliere logica die
tevoorschijn komt bestuderen. Tijd nemen om te observeren en luisteren.
Inhoud & doel KPSD I
1. Ziekte versus gezondheid ondergraven: psychische ziekten ≠ organische ziekte. Probleem van
scheiden discours (aparte termen). Pati (latijn) = lijden (patient zelf) en geduld (patient en
diagnosticus.)
2. Essentie-idee ondergraven: Essentie (= zijn) versus interactie (=worden, veranderen)
Psyche is niet substantieel. Mens vormt identiteit in interactie met omgeving (geen ware
identiteit. Bestuderen door met patiënt in interactie te treden en interactiepatroon wijzigen
(=behandeling). Valkuil: Niet alles is interactionistisch op te lossen!
3. Vertrek van een formele en structurele visie: verhouding tussen subject en Ander en subject
en lichaam centraal.
- Taal/symbolische orde levert de bouwstenen: woorden- bevatten subjectieve logica en
moeten in context bekeken worden. Verhouding subject/Ander ontwikkelt zich door taal.
- Ander ≠ ander: significante Ander, nadruk op het anders-zijn van de Ander.
- Logica die door verschillende gedragingen naar voren komt is belangrijk: niet inhoud, maar
structuur van belang! KPSD = particuliere situaties.
Les 2: Klinische psychodiagnostiek versus medische diagnostiek
Verloop diagnostiek
Medische kliniek: Kliniek van het zien! Diagnostiek in afgebakend lichaam. Vast model (/discours):
1. Symptomen: autonome zintuigelijke waarneming van diagnosticus.
2. Kennis en etiologie: Onderscheid gezond en ziek, ziekte koppelen aan oorzaak (=etiologie).
3. Diagnose van het syndroom: Syndroom is samengaan van symptomen.
4. Prognose: Verwachtingen over verloop syndroom.
5. Indicatiestelling: Mogelijke te ondernemen acties.
6. Behandeling: Symptomen doen verdwijnen, effectieve interventie van arts.
7. Status quo ante: Terugkeer naar oorspronkelijke staat (symptoomvrij)
Klinische psychodiagnostiek: Kliniek van het horen! Diagnostiek van verhoudingen.
Probleem is niet te observeren via zintuigelijke waarneming. Inbedding bestuderen:
klacht/symptoom in context plaatsen, in licht van verhoudingen zien. 90% van de gevallen: oordeel
via narratieve context (verhaal van patiënt en naasten). Na kaderen van het symptoom naar
behandeling toewerken. Altijd: Symptoom spreekt de waarheid!(Onbewust, los van intenties.)
Parrallel met medische wetenschap: Theoretisch kader nodig voor behandeling!
Andere mogelijke benaderingen:
- Systeemtheoretisch: Richten op verhouding en communicatie, communicatie aanpassen
- Gedragsmatig: Gedrag bestuderen (waarom) en ontkrachten.
Semiotiek: decodering
Semiotiek = studie van hoe tekens functioneren bij mensen
Medische semiotiek = van welke ziekte/syndroom (Z) is dit symptoom (∑)een uiting?
n = ∞ : diagnostiek is op ieder individu van toepassing. Symptoom (∑) heeft vaste betekenis,
gedecodeerd door kennis.
(1. Symptomen KPSD)
Binnen klinische PSD: Welke functie heeft dit symptoom in de context van het ruimere functioneren
van deze persoon?
n = 1 (één specifieke situatie). Symptoom als betekenaar.
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Uitwerking in de taalkunde (De Chaussure):
Betekenaar: fysiek talig symbool. Betekenis ligt niet vast, maar wordt contextueel bepaald.
Betekenaar kan metaforisch gebruikt worden binnen determinatie van spraakcontext:
- grammaticaal/semantisch (inbedding in zin),
- sociaal/interactioneel (interpersoonlijke context) of
- particulier/singulier (context van spreker zelf).
We kunnen de betekenis van een betekenaar pas vatten als we de weten waarnaar het verwijst. Dit
is één of meerdere andere betekenaar(s).
(2. Kennis en etiologie KPSD)
Onderscheid nomothetisch/idiografisch
Nomothetische uitspraken: n = ∞
- Uitspraken gelden voor alle leden van de groep
- Gaan er van uit dat elk lid van de groep adequaat begrepen worden via de algemene wet
Idiografische uitspraken: n = 1
- Uitspraken gelden maar voor één casus of gebeurtenis
- Maken gebruik van nomothetische kennis, maar passen dit niet zomaar toe op het concrete
(individuele) geval
- Individueel geval mag niet binnen bepaalde regel geforceerd worden
Stelling: In de klinische psychodiagostiek hebben we geen duidelijke normen om het onderscheid
normaal/abnormaal te bepalen
Achtergrondkennis is niet eenduidig/uniform, want achtergrondtheorie is niet eenduidig/uniform! Er
zijn verschillende theorieën waaruit we de symptomen kunnen benaderen. Normen zijn altijd
relatief, intellectuele eerlijkheid vereist dat er geen strikte normen zijn. Handelen alsof er wel
normen voor normaal/abnormaal bestaan is gevaarlijk in diagnostiek!
Miskenningen van de stelling:
1. Onderscheid normaal/abnormaal puur metrisch bepalen
- Voornamelijk zelfrapportagelijsten.
- Variabele meten bij grote (representatieve) steekproef; gemiddelde en standaarddeviatie
berekenen. Gevaar cirkelredenering: Men moet a priori vaststellen waar de grens
normaal/abnormaal ligt. Probleem ψ t.o.v. o.a. fysica: geen vaste maateenheden voor
normaal/abnormaal.
- Alternatief: Likert-schaal. Problemen: Geen context (‘waarom x?’), geen homogeniteit in
scoring binnen individuen (scores verschillen over tijd) en tussen individuen (cijfers
weerspiegelen voor iedereen andere psychische realiteit).
- Vragenlijsten goed om spreiding te zien en verbanden te meten, niet bruikbaar voor
individuele beslissingscontext. Cijfer op zich heeft geen enkele betekenis, individuele context
is noodzakelijk voor juiste interpretatie.
- Probleem met bewaren objectiviteit bij interpretatie cijfer. Biologische markers en
leugendetectors ook niet eenduidig.
2. Onderscheid normaal/abnormaal via ideaal bepalen
- Ideaal kan geen norm zijn: ideaal is altijd fictie
- Bij bepaling van ideaal gaan normen meespelen: vergelijking met zelf
- Assessment (= beoordeling van een persoon) legt nadruk op behalen van eindpunt: norm
niet objectief
- Heeft dwingend en aliënerend (vervreemdend) karakter, leidt tot segregatie (uitsluiting)
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.