Inhoud
1.1 Wat is psychologie en wat is het niet?..........................................................................................2
1.1.1 Psychologie: het is meer dan je denkt...................................................................................2
1.1.2 Psychologie is geen psychiatrie..............................................................................................2
1.1.3 Kritisch nadenken over psychologie en pseudopsychologie..................................................3
1
, Hoofdstuk 1 geest, gedrag en psychologische wetenschap
1.1 Wat is psychologie en wat is het niet?
Het woord psychologie is afkomstig uit het Oudgrieks. Psyche betekent ‘geest’. De Grieken geloofden dat die op zichzelf en
apart van het fysieke lichaam bestond. Het aanhangsel -ologie betekent ‘gebied van studie’. De letterlijke betekenis van
psychologie is dus ‘de studie van de geest’.
Psychologie is een breed veld, met vele specialismen, maar in wezen is psychologie de wetenschap van gedrag en
geestelijke processen.
Het terrein van de psychologie beslaat zowel interne geestelijke processen, die we alleen indirect waarnemen (zoals
denken, voelen en begeren), als externe, waarneembare gedragingen (zoals praten, glimlachen en lopen). De wetenschap
van de psychologie is gebaseerd op objectieve, verifieerbare gebeurtenissen.
1.1.1 Psychologie: het is meer dan je denkt
Psychologie beslaat een groter terrein dan de meeste mensen
beseffen. Niet alle psychologen werken als therapeut. Velen werken
in het onderwijs, het bedrijfsleven, de sport, gevangenissen, de
politiek, kerken, de reclame en marketing, en aan de afdelingen
psychologie van opleidingen in het beroepsonderwijs en universitair
onderwijs. Anderen werken voor adviesbureaus en de rechtbank. In
deze verschillende omgevingen verrichten psychologen sterk
uiteenlopende taken, zoals onderwijs geven, onderzoek doen en
apparatuur beoordelen en ontwerpen.
Drie soorten psychologen
Ruwweg vallen psychologen in drie grote groepen uiteen:
experimenteel psychologen, docenten psychologie en toegepast
psychologen. Er bestaat echter enige overlap tussen deze groepen, Figuur 1: Waar psychologen werken
omdat veel psychologen tijdens hun werk verschillende functies uitoefenen.
Experimenteel psychologen (soms onderzoekspsychologen genoemd) vormen de kleinste van de drie groepen. Ze
voeren echter het meeste onderzoek uit dat nieuwe psychologische kennis creëert. Een experimenteel psycholoog zou
bijvoorbeeld de effecten van suiker op hyperactiviteit kunnen onderzoeken. Hoewel sommige experimenteel psychologen
bij bedrijven of onderzoeksinstellingen werken, zijn de meeste werkzaam aan universiteiten, waar ze tevens lesgeven.
In Nederland en België werken docenten psychologie binnen een grote diversiteit aan opleidingen: ze geven
bijvoorbeeld les aan studenten van professionele bacheloropleidingen en aan universiteiten. Op universiteiten doen ze ook
wetenschappelijk onderzoek. Soms behandelen ze daarbij ook nog mensen, bijvoorbeeld als ze werken op een afdeling
medische psychologie.
Toegepast psychologen gebruiken de kennis die door experimenteel psychologen is vergaard om problemen van
mensen op te lossen door middel van trainingen, het ontwerpen van speciale gereedschappen of psychologische
behandelingen. Ze werken op de meest uiteenlopende plekken, bijvoorbeeld op scholen, in klinieken, bij bedrijven,
welzijnsorganisaties, op luchthavens en in ziekenhuizen. Alles bij elkaar werkt ongeveer twee derde van de psychologen
met een universitaire opleiding voornamelijk als toegepast psycholoog.
Specialisaties in de toegepaste psychologie:
Arbeids- en organisatiepsychologen (vaak A&O-psychologen genoemd) hebben zich gespecialiseerd in aanpassingen aan de
werkplek die de productiviteit en de arbeidsmoraal van werknemers moeten maximaliseren.
Sportpsychologen helpen atleten hun prestaties en motivatie te verbeteren, door trainingssessies te plannen en door hen te
leren hun emoties onder druk te beheersen.
Schoolpsychologen zijn deskundig op het gebied van lesgeven en leren.
Klinisch psychologen en counselors helpen mensen zich aan te passen op sociaal en emotioneel gebied, of om moeilijke
keuzes in relaties, hun carrière of opleiding te maken. Bijna de helft van alle psychologen op masterniveau noemt
klinische psychologie of counseling als zijn specialisme.
Forensisch psychologen leveren hun psychologische expertise aan het wets- en rechtssysteem.
Omgevingspsychologen proberen de interactie met onze omgeving en het milieu te verbeteren.
Gerontopsychologen vormen een van de nieuwste vakgroepen in de psychologie. Omdat de bevolking van volwassenen
boven de vijfenzestig jaar snel groeit, heeft de American Psychological Association de gerontopsychologie in het leven
geroepen om ouderen te helpen hun gezondheid en welzijn te behouden en effectief te leren omgaan met
leeftijdgerelateerde problemen (American Psychological Association, s.d.
1.1.2 Psychologie is geen psychiatrie
Vrijwel alle psychiaters behandelen psychische stoornissen. Een aantal psychologen doet dit ook, maar daar houdt de
overeenkomst wel ongeveer op. Psychiatrie is een medisch specialisme en maakt geen deel uit van de psychologie. De
psychiatrie is een veel kleiner vakgebied dan de psychologie. De psychologie beslaat het hele terrein van het menselijk
2
,gedrag en de geestelijke processen, van hersenfuncties tot sociale interacties. Voor de meeste psychologen ligt de nadruk in
hun opleiding op onderzoeksmethoden, in combinatie met het bestuderen van bijvoorbeeld een van de bovengenoemde
specialismen. Hoewel sommige psychologen de doctorstitel hebben (zij zijn dus gepromoveerd), is hun opleiding niet
medisch van aard. Daarom zijn ze in het algemeen ook niet bevoegd om medicijnen voor te schrijven.
1.1.3 Kritisch nadenken over psychologie en pseudopsychologie
Pseudopsychologie: niet-onderbouwde psychologische aannamen die als wetenschappelijke waarheden worden
gepresenteerd.
Wat is kritisch denken?
Het is onmogelijk om een definitie van kritisch denken te geven waarmee iedereen het eens zal zijn. Toch leggen we in dit
boek de nadruk op zes vaardigheden voor kritisch denken. Elk van deze vaardigheden is gebaseerd op een specifieke vraag
waarvan we menen dat je die zou moeten stellen als je met nieuwe ideeën te maken krijgt.
1. Wat is de bron? De eerste vraag die in dit geval gesteld moet worden, is of degene die de bewering doet,
feitelijke kennis heeft over het onderwerp of op zijn allerminst advies heeft gevraagd aan iemand met de
noodzakelijke expertise. Daarbij moet je je afvragen of de bron iets belangrijks te winnen heeft bij de bewering.
2. Is de bewering redelijk of extreem? Het leven is te kort om overal kritisch over te zijn, dus is het de kunst selectief
te zijn. Kritische denkers zijn hoe dan ook sceptisch over beweringen die als ’doorbraak’ of ’revolutionair’ worden
aangemerkt. Ook zou er een waarschuwingslampje moeten gaan branden bij beweringen die in strijd zijn met
bestaande kennis. In het geval van een afschrikprogramma of een andere ‘snelle oplossing’ voor een moeilijk
probleem, dien je altijd op je hoede te zijn, omdat er voor moeilijke problemen zelden eenvoudige oplossingen
bestaan.
3. Wat is het bewijsmateriaal? Dit is een van de belangrijkste richtlijnen bij kritisch denken. In het geval van de
‘afschrikprogramma’s’ luidt de vraag: wat is het bewijsmateriaal dat het afschrikprogramma ondersteunt?
Anekdotisch bewijsmateriaal: getuigenissen die de ervaring van iemand of enkele personen schetsen, maar ten
onrechte voor wetenschappelijk bewijs worden aangezien.
4. Kan de conclusie zijn beïnvloed door bias? Kritische denkers kennen de omstandigheden waaronder er een grote
kans op bias bestaat en zijn in staat veelvoorkomende soorten bias te herkennen die we in dit hoofdstuk zullen
onderzoeken. De vorm van bias die het meest van toepassing is op het afschrikprogramma is emotionele bias: de
neiging om oordelen te vellen gebaseerd op attitudes en gevoelens, in plaats van op een rationele analyse van het
bewijsmateriaal. Een ander veelvoorkomend vooroordeel is confirmation bias (bevestigingsbias): de neiging om
informatie die niet bij je opvattingen aansluit te negeren of te bekritiseren en om in plaats daarvan informatie te
zoeken waar je het wel mee eens bent.
5. Worden veelvoorkomende denkfouten vermeden? De denkfout die het best van toepassing is op het
afschrikprogramma is de aanname dat ’gezond verstand’ een substituut is voor wetenschappelijk bewijs. Sterker nog,
vaak kan gezond verstand een stelling zowel ondersteunen als onderuithalen. Alleen een zorgvuldige analyse van
bewijzen voor en tegen de stelling kan leiden tot een betrouwbaar antwoord.
6. Zijn voor het oplossen van het probleem verschillende invalshoeken nodig? Voor een probleem dat uit meerdere
facetten bestaat, is een complexere oplossing nodig dan een afschrikprogramma.
1.2 Wat zijn de zes belangrijkste perspectieven van de psychologie?
Zes belangrijke perspectieven domineren het snel veranderende veld van de moderne psychologie: het biologische,
cognitieve, behavioristische, whole-person-, ontwikkelings- en socioculturele perspectief. Alle kwamen ze voort uit radicaal
nieuwe ideeën over geest en gedrag.
Als je deze perspectieven bestudeert, zul je zien dat elk gezichtspunt een unieke verklaring biedt voor menselijk gedrag.
Samen omvatten ze de meervoudige perspectieven van de psychologie, die allemaal een belangrijk ’instrument’ zijn in de
’psychologische gereedschapskist’ die je nodig hebt als je menselijk gedrag wilt leren begrijpen. Deze perspectieven zijn ook
in combinatie te gebruiken; bepaald gedrag is namelijk niet altijd enkel te verklaren vanuit één perspectief.
1.2.1 Scheiding van lichaam en geest en het moderne biologische perspectief
De zeventiende-eeuwse Franse filosoof René Descartes stelde het eerste radicaal nieuwe idee voor dat uiteindelijk leidde
tot de moderne psychologie: een scheiding tussen de spirituele geest en het fysieke lichaam. Descartes’ denkbeeld sloot
aan bij opwindende nieuwe ontdekkingen over de biologie van zenuwbanen van dieren, waarbij wetenschappers hadden
aangetoond hoe zintuigen stimulatie omzetten in zenuwimpulsen en spierreacties. Dankzij deze ontdekkingen,
gecombineerd met Descartes’ scheiding van lichaam en geest, konden wetenschappers voor de eerste keer aantonen dat er
biologische processen ten grondslag liggen aan sensaties en eenvoudige reflexmatige gedragingen, in plaats van
mysterieuze, spirituele krachten. Descartes behoorde tot het rationalisme, een filosofiestroming die de ratio, het denken,
als enige middel zag om aan wetenschap en filosofie te doen. Een (Britse) filosofiestroming, het empirisme, formuleerde
echter veel kritiek op Descartes. Empiristen zien het denken als onnodig en zelfs storend in wetenschap en filosofie. Zij
beweren dat waarnemingen, ervaringen en experimenten de enige ware bronnen van kennis zijn.
Het moderne biologische perspectief
Vierhonderd jaar later vormt Descartes’ revolutionaire perspectief de basis voor het modern biologische perspectief.
Moderne biologisch psychologen hebben lichaam en geest opnieuw samengevoegd. Zij beschouwen de geest tegenwoordig
3
,als een product van de hersenen. Volgens dit standpunt komen zowel onze persoonlijkheid, onze voorkeuren, onze
gedragspatronen als onze vaardigheden voort uit onze lichamelijke eigenschappen. Daarom zoeken biologisch psychologen
naar de oorzaken van ons gedrag in het zenuwstelsel, het endocriene stelsel (hormoonstelsel) en de genen.
Twee variaties op het biologische thema
Het biologische standpunt heeft uiteraard sterke wortels in de biologie en de geneeskunde. De biologische psychologie
wordt gecombineerd met de biologie, de neurologie en andere disciplines die geïnteresseerd zijn in processen in de
hersenen tot het nieuwe vakgebied van de neurowetenschap. Dankzij spectaculaire ontwikkelingen van computers en
beeldvormingstechnieken van de hersenen is de neurowetenschap een opwindend onderzoeksgebied. Een andere
belangrijke variant van de biologische psychologie is voortgekomen uit ideeën die circa honderdvijftig jaar geleden door
Charles Darwin zijn geformuleerd. Volgens deze evolutionaire psychologie komt een groot deel van het menselijk gedrag
voort uit overgeërfde neigingen; dit standpunt wordt in hoge mate ondersteund door recent onderzoek in de genetica.
Volgens het evolutionaire perspectief is onze genetische opmaak, die aan onze meest fundamentele gedragingen ten
grondslag ligt, gevormd door de omstandigheden waarin onze genetische voorouders duizenden jaren geleden verkeerden.
Volgens de evolutionaire psychologie hebben invloeden in de omgeving de stamboom van de mens ‘gesnoeid’, waarbij de
individuen met de meest adaptieve psychische en lichamelijke kenmerken bevoordeeld werden, want ze leefden langer en
waren daardoor beter in staat zich voort te planten en zo hun eigen kenmerken door te geven. Darwin noemde dit
natuurlijke selectie.
1.2.2 Het begin van de wetenschappelijke psychologie en het moderne cognitieve perspectief
De Duitse wetenschapper Wilhelm Wundt, die later waarschijnlijk de allereerste was die zichzelf ’psycholoog’ noemde,
dacht dat het mogelijk was de menselijke geest op eenzelfde manier te simplificeren als het periodiek systeem de
scheikunde had vereenvoudigd. Hij een baanbrekend inzicht: de wetenschappelijke methoden, zoals die in de schei- en
natuurkunde werden toegepast, konden ook gebruikt worden om zowel de geest als het lichaam te bestuderen.
het eerste psychologisch laboratorium ter wereld (aan de Universiteit van Leipzig). introspectie: beschrijving van je eigen
innerlijke, bewuste ervaringen.
Wundts pupil Edward Bradford Titchener bracht de zoektocht naar de elementen van het bewustzijn naar Amerika, dit
noemde hij het structuralisme: historische stroming binnen de psychologie die de basisstructuren van de geest en de
gedachten trachtte te ontrafelen. Structuralisten zochten de ‘elementen’ van de bewuste ervaring.
Vanaf het begin kreeg zowel Wundt als Titchener veel kritiek te verduren. De bezwaren luidden vooral dat de introspectieve
methode te subjectief was. Wundt en Titchener wonnen echter uiteindelijk. Hoewel psychologen hun ideeën soms vreemd
vinden, maken ze nog steeds gebruik van aangepaste versies van de oude methoden van de structuralisten. Je ziet
bijvoorbeeld introspectie aan het werk als we slaap en dromen bestuderen.
Gestalts reactie: ‘Het geheel, niet de delen’
Begin twintigste eeuw was Duitsland een hotspot van psychologie en wetenschap. Een prominente groep theoretici had
moeite met de nadruk die de structuralisten legden op de elementen van bewustzijn. Deze groep geloofde juist dat het
bewustzijn veel meer omvatte dan simpele zintuiglijke ervaringen en beweerde dat onze ervaringen niet gereduceerd
kunnen worden tot een serie afzonderlijke elementen. Deze Gestaltpsychologen, zoals ze werden genoemd,
concentreerden zich daarom op het geheel van onze bewustzijnservaringen als meer dan de som van de delen en
probeerden te begrijpen hoe we ’perceptuele gehelen’ vormen. (Gestalt is overigens het Duitse woord voor ’geheel’ of
’configuratie’.).
James en de functie van geest en gedrag
Een van de luidruchtigste criticasters van Wundt, de Amerikaanse psycholoog William James, beargumenteerde dat de
benadering van de Duitser veel te beperkt was. De psychologie moest zich richten op de functie van het bewustzijn en niet
alleen op de structuur ervan, betoogde hij. Heel toepasselijk leidden James’ opvattingen tot een richting in de psychologie,
namelijk het functionalisme: historische stroming binnen de psychologie die meende dat psychische processen het beste
begrepen kunnen worden in het licht van hun adaptieve nut en functie.
William James en zijn volgelingen vonden de ideeën van Charles Darwin veel interessanter dan die van Wundt. Net als
Darwin had James een diepe belangstelling voor emoties, met inbegrip van hun relatie tot het lichaam en tot gedrag
(volgens hem waren emoties niet alleen elementen van het bewustzijn, zoals in het systeem van Wundt). James voelde zich
ook aangetrokken tot Darwins idee dat organismen zich aan hun omgeving aanpasten. Hij stelde daarom dat de psychologie
zou moeten verklaren op welke wijze mensen zich aanpassen (of er niet in slagen zich aan te passen) aan de werkelijke
wereld buiten het laboratorium. Door deze manier van denken kwamen de functionalisten ertoe de eerste toegepaste
psychologie te ontwikkelen; zij waren geïnteresseerd in de wijze waarop de psychologie kon worden toegepast om het
menselijk leven te verbeteren.
Zijn navolger, John Dewey, was de grondlegger van de beweging van ’het nieuwe leren’ (progressive education) , waarbij de
nadruk lag op leren door doen, in plaats van door alleen naar colleges te luisteren en feiten uit het hoofd te leren.
Over introspectie waren het structuralisme en het functionalisme het eens. Ironisch genoeg vormde die overeenkomst ook
hun grootste kwetsbaarheid: de introspectieve methode was subjectief, waardoor ook functionalisten verweten werd dat
hun versie van de psychologie niet echt wetenschappelijk was. Het duurde meer dan een halve eeuw om dit probleem te
4
,overwinnen; hiervoor was ook de samenwerking van deskundigen uit andere disciplines nodig, die samen het cognitieve
perspectief vormden.
Het moderne cognitieve perspectief
De ontwikkeling van de computer, die de nieuwe metafoor voor de geest ging vormen, gaf de psychologie een
onomkeerbare duw in de richting van een nieuwe synthese: de moderne cognitieve psychologie. Cognitieve perspectief:
een van de belangrijkste psychologische perspectieven, waarbij de nadruk ligt op mentale processen, zoals leren, geheugen,
perceptie en denken als vormen van informatieverwerking. Tegenwoordig kan het cognitieve perspectief gebruikmaken van
objectievere observatiemethoden dan vroeger, dankzij de verbluffende ontwikkelingen op het gebied van brain imaging-
technieken. Daardoor kunnen wetenschappers de hersenen tijdens allerlei mentale processen bestuderen.
1.2.3 Het behavioristische perspectief: nadruk op waarneembaar gedrag
Rond 1900 werd een bijzonder radicale en opstandige groep wetenschappers bekend, de zogenoemde behavioristen,
doordat ze het met vrijwel iedereen oneens waren. Zij bouwden voort op het empiristische idee dat je enkel zekerheid kan
verwerven over datgene wat je kunt waarnemen en op het idee dat de mens bij de geboorte een tabula rasa is. Ze werden
echter het beroemdst met het idee dat het bestuderen van de geest helemaal geen deel van de psychologie zou moeten
uitmaken. John B. Watson, een vroege leider van de behavioristische beweging, betoogde dat een werkelijk objectieve
psychologische wetenschap zich uitsluitend met waarneembare gebeurtenissen zou moeten bezighouden: fysieke stimuli
vanuit de omgeving en de waarneembare reacties van het organisme daarop.
Het behaviorisme: een historische school die ernaar streefde om van psychologie een objectieve wetenschap te maken die
zich alleen op gedrag richtte (en niet op mentale processen).
Voor de behavioristen waren iemands gedachten of emoties dus irrelevant. Alleen gedrag kon betrouwbaar worden
geobserveerd en gemeten. Belangrijk is dat behavioristen geen subjectieve aannames deden over de interne aanleiding
(zoals angst) voor extern gedrag (vermijding). Het behavioristische perspectief vroeg vooral aandacht voor de manier
waarop ons handelen wordt gevormd door de consequenties ervan.
Een grote verdienste van behavioristen is dat we nu veel beter begrijpen dat krachten vanuit de omgeving van invloed zijn
op het menselijk vermogen om te leren. Daarnaast hebben behavioristen effectieve strategieën ontwikkeld waarmee we
gedrag kunnen wijzigen door de omgeving te veranderen.
1.2.4 De perspectieven vanuit de gehele persoon: psychodynamisch, humanistisch, en karaktertrekken en temperament
PERSPECTIEF IDEE WAT BEPAALT GEDRAG? WIE?
Biologisch perspectief Het lichaam kan apart van de geest De hersenen, zenuwstelsel, René
worden bestudeerd. endocriene stelsel (hormoonstelsel) Descartes
en genen.
Cognitief perspectief De wetenschappelijke methode Iemands unieke patroon van Wilhelm
kan worden gebruikt om de geest waarnemingen, interpretaties, Wundt en
te bestuderen. verwachtingen, overtuigingen, en William James
herinneringen.
Behavioristisch perspectief Psychologie moet de wetenschap De prikkels in onze omgeving en de John Watson
van observeerbaar gedrag zijn, niet voorgaande consequenties van ons en B.F. Skinner
van mentale processen. gedrag.
Perspectief van de gehele Psychodynamische psychologie: Processen in onze onbewuste geest. Sigmund Freud
persoon (‘whole person’) persoonlijkheid en psychische
stoornissen komen voort uit
processen in het onbewuste.
Humanistische psychologie: Onze aangeboren behoefte om te Carl Rogers en
psychologie moet de nadruk leggen groeien en ons potentieel zo goed Abraham
op menselijke groei en potentieel mogelijk te verwezenlijken. Maslow
in plaats van op psychische
stoornissen.
Psychologie van karaktertrekken en Unieke persoonlijkheidskenmerken De oude
temperament: individuen kunnen die in de tijd en in alle situaties Grieken
worden begrepen in termen van consistent zijn.
hun temperament en blijvende
karaktertrekken.
Ontwikkelingsperspectief Mensen veranderen als gevolg van De interactie tussen erfelijkheid en Mary
een interactie tussen erfelijke omgeving, die zich het hele leven Ainsworth,
eigenschappen en de omgeving. door uit in voorspelbare patronen. Jean Piaget en
vele anderen
Sociocultureel perspectief Sociale en culturele invloeden De kracht van de situatie. Stanley
kunnen de invloed overstemmen Milgram, Philip
Tabel 1: De zes perspectieven van de psychologie
5
, van alle andere factoren die gedrag Zimbardo en
beïnvloeden. vele anderen
Psychodynamische psychologie
Freud zette veel van zijn volgelingen ertoe aan zich los te maken en hun eigen theorieën te ontwikkelen. We gebruiken de
term psychodynamisch voor die ideeën van Freud en alle neofreudiaanse theorieën die ontstonden uit het idee dat de
geest (psyche), vooral de onbewuste geest, een reservoir van energie (dynamica) voor de persoonlijkheid is. Volgens
de psychodynamische psychologie is deze energie datgene wat ons motiveert.
psychoanalyse: een benadering van de psychologie die is gebaseerd op de veronderstelling van Freud, die de nadruk legt op
onbewuste processen. De term verwijst zowel naar Freuds psychoanalytische theorie as naar zijn psychoanalytische
behandelmethode.
Er is de afgelopen decennia veel kritiek geuit op de psychoanalyse. Zo stelt wetenschapsfilosoof Karl Popper (1963) dat de
psychoanalyse als wetenschappelijke methode niet beantwoordt aan het criterium van falsificeerbaarheid. Hiermee bedoelt
Popper dat de psychoanalyse uitspraken en voorspellingen doet die niet toetsbaar zijn aan de feitelijke werkelijkheid. Freud
en zijn volgelingen zijn niet de enigen die de gehele mens wilden verklaren. Ook twee andere groepen zijn geïnteresseerd in
een globaal inzicht in de persoonlijkheid: de humanistische psychologie en de psychologie van karaktertrekken en
temperament. Hier groeperen we deze drie perspectieven onder het kopje perspectieven vanuit de gehele persoon (’whole
person’).
Humanistische psychologie
Als reactie op de nadruk van psychoanalytici op duistere krachten in het onbewuste, sloeg de humanistische psychologie
een nieuwe weg in. Ook tegen het behavioristische perspectief kwamen zij in opstand, met de argumentatie dat de mens
geen speelbal is van de prikkels uit de omgeving, maar dat onze innerlijke processen minstens even belangrijk zijn. De
radicaal nieuwe invalshoek die werd ontwikkeld door humanistische therapeuten legde de nadruk op de positieve kant van
onze natuur: onze mogelijkheden, groei en potentie. De humanisten, onder aanvoering van Carl Rogers en Abraham
Maslow, ontwierpen een model dat mensen ziet als organismen met een vrije wil. Op grond van die vrije wil kunnen ze
keuzes maken en zo hun leven beïnvloeden. Vanuit het humanistische perspectief hebben de opvattingen die je hebt over
jezelf en je fysieke en emotionele behoeften een grote invloed op je gedachten, emoties en handelingen, die op hun beurt
allemaal invloed hebben op de ontwikkeling van je potentieel. Net als de psychodynamische psychologie heeft de
humanistische psychologie veel invloed gehad op de psychotherapie en counseling. Zo worden de door Rogers ontwikkelde
grondhoudingen voor hulpverleners (empathie, onvoorwaardelijke acceptatie en echtheid) nog altijd veel gebruikt in de
praktijk.
Psychologie van karaktertrekken en temperament
De oude Grieken, die op zoveel moderne ideeën vooruitliepen, verklaarden dat de persoonlijkheid werd geregeerd door
vier humores (vloeistoffen): bloed, slijm, zwarte gal en gele gal. Afhankelijk van welke humor overheerste, kon iemands
persoonlijkheid sanguinisch (opgewekt, gedomineerd door bloed), traag en behoedzaam (slijm), melancholiek (zwartgallig),
of boos en agressief (gele gal) zijn. Hun idee van persoonlijkheidstrekken leeft nog altijd voort in de psychologie van
karaktertrekken en temperament. Het fundamentele idee dat deze psychologische stroming van andere onderscheidt, luidt
als volgt: verschillen tussen mensen ontstaan uit verschillen in stabiele kenmerken en neigingen, die karaktertrekken en
temperamenten worden genoemd.
1.2.5 Het ontwikkelingsperspectief: veranderingen die ontstaan door nature en nurture
Verandering is misschien wel de enige constante in ons leven. Volgens het ontwikkelingsperspectief is psychologische
verandering het gevolg van een interactie tussen de erfelijke eigenschappen die in onze genen zijn vastgelegd en de invloed
van onze omgeving. Wat levert het grootste aandeel bij het bepalen van wie we worden: nature of nurture (erfelijkheid of
omgeving)? Zoals je zou kunnen verwachten, leggen de biologisch psychologen de nadruk op nature, terwijl behavioristen
nurture benadrukken. We zien deze twee krachten samenkomen in het ontwikkelingsperspectief.
Het grote idee dat bepalend is voor het ontwikkelingsperspectief is dit: mensen veranderen op voorspelbare wijze
naarmate de invloeden van erfelijkheid en omgeving zich in de loop van de tijd ontplooien. Lichamelijk is de ontwikkeling te
zien in voorspelbare processen zoals groei, puberteit en menopauze. Psychologisch is de ontwikkeling waarneembaar in het
verwerven van taal, logisch denken en het aannemen van verschillende rollen op verschillende momenten in het leven.
1.2.6 Het socioculturele perspectief: het individu in context
Het socioculturele perspectief stelt het idee van de sociale invloed centraal. Vanuit deze invalshoek verdiepen
socioculturele of crossculturele psychologen zich in onderwerpen als aardig vinden, liefhebben, vooroordelen, agressie,
gehoorzaamheid en conformisme. En daarbij zijn ze in het bijzonder geïnteresseerd in hoe deze sociale processen per
cultuur variëren.
Cultuur, een complexe mix van taal, opvattingen, gewoonten, waarden en tradities, heeft een diepgaande invloed op ons
allemaal. Het feit dat aandacht voor cultuur vroeger ontbrak, ligt deels aan het feit dat de wetenschappelijke psychologie
haar wortels in Europa en Noord-Amerika heeft, waar de meeste psychologen onder gelijkwaardige culturele
omstandigheden leven en werken. Inmiddels is het perspectief echter wel breder geworden
6
,Crosscultureel psycholoog: hebben dit vooroordeel erkend en wijden zich aan de immense taak de ‘wetten’ van de
psychologie opnieuw te beoordelen aan de hand van andere culturele en etnische normen.
Natuurlijk ontkennen voorstanders van het socioculturele standpunt de effecten van erfelijkheid of leren of zelfs van
onbewuste processen niet. Ze geven de psychologie echter een krachtig bijkomend concept: de kracht van de situatie.
Volgens dit standpunt kunnen de sociale en culturele situatie waarin de persoon is ingebed, soms sterker zijn dan alle
andere factoren die het gedrag beïnvloeden.
Samen helpen deze zes perspectieven dus allemaal om een holistisch beeld van menselijk gedrag te ontwikkelen.
1.3 Hoe vergaren psychologen nieuwe kennis?
Wetenschappelijke methode: een uit vier stappen bestaande procedure voor empirisch onderzoek van een hypothese,
waarbij de omstandigheden zo zijn gekozen dat vooroordelen en subjectieve oordelen worden uitgesloten.
Net als onderzoekers in alle andere vakgebieden gebruiken psychologen de wetenschappelijke methode om hun ideeën
empirisch te toetsen.
De essentie van de wetenschappelijke methode is het empirisch onderzoek, het verzamelen van objectieve informatie uit
de eerste hand door metingen die zijn gebaseerd op sensorische ervaringen en observatie.
Op grond van empirisch onderzoek wil de psychologie uiteindelijk allesomvattende verklaringen voor gedrag en geestelijke
processen ontwikkelen. In de wetenschap noemen we deze verklaringen theorieën, een woord dat vaak verkeerd begrepen
wordt. Theorie: toetsbare verklaring voor een aantal feiten of observaties. Voor een onderzoeker heeft een goede theorie
echter twee aantrekkelijke eigenschappen: a) de theorie kan de feiten verklaren en b) de theorie kan worden getest.
1.3.1 Vier stappen van de wetenschappelijke methode
Dit zijn in essentie altijd dezelfde stappen, of het nu om psychologisch, biologisch, sociologisch of om het even welk
onderzoek gaat. Het is dus de methode die het onderzoek wetenschappelijk maakt, niet het onderwerp. In het ideale geval
is dit de manier waarop een wetenschapper de wetenschappelijke methode uitvoert:
Een hypothese ontwikkelen
Elk wetenschappelijk onderzoek begint met het formuleren van een specifiek idee of een vermoeden over een onderdeel
van een bredere theorie. De voorspelling van de uitkomst van een wetenschappelijk onderzoek, een bewering over de
relatie die er zou bestaan tussen de verschillende variabelen in een onderzoek, wordt een hypothese genoemd.
Om toetsbaar te zijn moet een hypothese potentieel falsificeerbaar (weerlegbaar) zijn; dit wil zeggen dat de hypothese
zodanig moet worden opgesteld dat kan worden bewezen of deze juist of onjuist is. De hypothese zou niet falsificeerbaar
zijn als we alleen een waardeoordeel gaven. Als we geen effect vinden, is de hypothese gefalsificeerd (weerlegd).
Wetenschap geeft geen waardeoordeel en kan geen antwoord geven op vragen die niet empirisch getoetst kunnen worden.
Vervolgens moet de onderzoeker precies bedenken hoe de hypothese zal worden onderzocht; dit betekent dat alle
aspecten (variabelen) in concrete termen worden
gedefinieerd. Deze termen worden operationele
definities genoemd. Hiervoor is het nodig om de
procedures (handelingen) te specificeren die gebruikt
zullen worden bij het uitvoeren van het experiment en
bij het meten van de resultaten.
Het toetsen van de hypothese: objectieve data
verzamelen
Een hypothese empirisch onderzoeken houdt in dat we
zorgvuldig en systematisch bewijs verzamelen, aan de
hand van verschillende methoden die zich bewezen
hebben. Ze zijn ontwikkeld om te voorkomen dat we de
verkeerde conclusies trekken op basis van onze Figuur 2: experimentele en controlegroepen in een
verwachtingen, biases en vooroordelen. Alleen dan medicijnenstudie
kunnen we de data die het onderzoek heeft opgeleverd met
meer vertrouwen toepassen op een grotere groep mensen (generaliseren).
De groep die de speciale behandeling ondergaat, bevindt zich in de experimentele conditie van het onderzoek. Mensen die
zich in de experimentele conditie bevinden, vormen de experimentele groep. Degenen die de controlegroep vormen, zijn in
de controleconditie geplaatst, waarin ze geen speciale behandeling ontvangen. De controlegroep dient dus als standaard
en wordt gebruikt om degenen in de experimentele groep mee te vergelijken.
Bij de eenvoudigste experimentele opzet varieert de onderzoeker één factor en houdt hij alle andere experimentele
omstandigheden constant. Onderzoekers noemen die ene variabele factor de onafhankelijke variabele. Door de
onafhankelijke variabele op deze wijze te manipuleren, kan de onderzoeker bepalen of die factor het waargenomen effect
veroorzaakt. Zo is de afhankelijke variabele de variabele in de uitkomst die volgens onze hypothese het gevolg is van de
onafhankelijke variabele.
Bij het opzetten en uitvoeren van een experiment is er een probleem dat we moeten overdenken: het kiezen van de
deelnemers zodat de experimentele groep en de controlegroep in wezen gelijk zijn, met uitzondering van de experimentele
7
,behandeling die ze ontvangen. We willen vermijden dat we ten onrechte een al bestaand verschil aanzien voor het effect
van de onafhankelijke variabele. Een goede oplossing is randomisering, waarbij deelnemers uitsluitend volgens toeval in
een groep worden ingedeeld
De resultaten (data) analyseren en de hypothese accepteren of verwerpen
Als de onderzoeker de data verzameld heeft, bekijkt hij ze, om te zien of zijn hypothese de test heeft doorstaan of dat deze
moet worden verworpen. Deze stap vraagt om een vorm van wiskundige analyse, vooral als de uitkomst niet eenduidig is.
Met behulp van statistische methoden kan de onderzoeker berekenen of de waargenomen resultaten significant zijn of
niet, dat wil zeggen: of het waarschijnlijk is dat de resultaten van het experiment zijn
veroorzaakt door de onafhankelijke variabele of dat ze het gevolg zijn van toeval.
De resultaten publiceren, bekritiseren en repliceren
Tijdens de laatste stap van de wetenschappelijke methode moeten wetenschappers uitzoeken
of hun onderzoek bestand is tegen de kritische blik en het commentaar van de
wetenschappelijke wereld. Daartoe maken ze hun resultaten bekend bij collega’s door ze te
publiceren in een vakblad, er een lezing over te houden tijdens een wetenschappelijk congres of
door er een boek over te schrijven. Vervolgens is het wachten op reacties van critici.
Bij repliceren voeren onderzoekers een onderzoek opnieuw uit, om te zien of ze dezelfde
uitkomsten krijgen als in het oorspronkelijke onderzoek.
We moeten echter benadrukken dat wetenschappelijke resultaten altijd voorlopig zijn. Zolang
ze worden aangenomen, worden ze bedreigd door nieuw onderzoek dat een nieuwe
interpretatie vereist of dat eerder werk naar de wetenschappelijke schroothoop verwijst. De
wetenschappelijke methode is geen onfeilbaar systeem, maar het is de beste methode die is
ontwikkeld om ideeën over de werkelijkheid te testen. Als zodanig vormt deze methode een van
de grootste intellectuele prestaties van de mensheid.
1.3.2 Vijf soorten psychologisch onderzoek
Binnen de wetenschappelijke methode kan een onderzoeker op verschillende specifieke
manieren objectieve data verzamelen. Elke manier heeft voordelen en beperkingen. Een
belangrijke stap in een gedegen onderzoek is daarom dat je de methode selecteert die het
meest geschikt is voor jouw specifieke hypothese en middelen.
Experimenten
Net als het woord theorie heeft de term experiment een heel specifieke betekenis in de
wetenschap. Anders dan in de alledaagse aanduiding voor elk type formele of informele test,
slaat het wetenschappelijk gebruik van de term op een specifieke serie procedures om onder
streng gecontroleerde omstandigheden informatie te verzamelen. Het experiment staat bekend
als de enige onderzoeksmethode waarmee een betrouwbare oorzaak-en-gevolgrelatie
(causaliteit) kan worden vastgesteld. Als een hypothese dus zo is geformuleerd dat er een
oorzaak en gevolg wordt gesuggereerd is het experiment de beste optie om die bewering te
onderzoeken. In een experiment vergelijkt men twee groepen. Individuen die in de
experimentele situatie zitten, vormen dus de experimentele groep. Aan de andere kant is er een
controlegroep, die geen speciale behandeling krijgt. De controlegroep dient dus als standaard Figuur 3: Drie soorten correlatie
waarmee degenen in de experimentele groep worden vergeleken.
De experimentele methode wordt gezien als de gouden standaard voor het vinden van een relatie tussen oorzaak en
gevolg. Dit gebeurt door de onafhankelijke variabele te isoleren en alle andere condities van het experiment constant te
houden. Willekeurige toewijzing (randomisering) aan de experimentele en controlegroepen moet de vooraf bestaande
verschillen tussen de groepen tot een minimum beperken, zodat we er zo veel mogelijk op kunnen vertrouwen dat de
verschillen in uitkomst (de afhankelijke variabele) zijn te danken aan de gevolgen van de onafhankelijke variabele en niet
aan iets anders.
Correlatieonderzoek
Soms is de mate van controle die nodig is voor een zorgvuldig experiment om praktische of ethische redenen niet haalbaar.
Gelukkig is er een manier om dit probleem te omzeilen, al heb je dan de onderzoekscondities niet meer volledig onder
controle. Dit alternatief is een correlatieonderzoek. Bij correlatieonderzoek ga je in feite op zoek naar een ‘experiment’ dat
al toevallig, onopzettelijk, heeft plaatsgevonden in de wereld buiten het laboratorium. Vervolgens probeer je beide groepen
zo gelijk mogelijk te maken (qua leeftijd, gezinsinkomen, geslacht). Het grote nadeel van een correlatieonderzoek is dat je
nooit zeker weet of de groepen werkelijk op alle vlakken vergelijkbaar zijn. Omdat je de proefpersonen niet willekeurig aan
de twee groepen kunt toewijzen en omdat je de onafhankelijke variabele niet kunt manipuleren, weet je nooit zeker of de
omstandigheid die jou interesseert, de werkelijke oorzaak is van de effecten die je hebt waargenomen. De twee groepen
zouden wellicht van elkaar kunnen verschillen wat betreft een aantal variabelen die je over het hoofd hebt gezien. Het
8
,verwarren van correlatie met causaliteit is een van de meest gemaakte kritische denkfouten. Onderzoekers drukken de
mate van correlatie meestal uit als een getal dat we kennen als de correlatiecoëfficiënt, en dat vaak wordt aangegeven met
de letter r. De grootte van de correlatiecoëfficiënt vat de samenhang tussen de twee variabelen samen en hij ligt altijd
tussen –1,0 en +1,0. Als de variabelen geen enkele correlatie vertonen, is hun coëfficiënt 0. Als de twee variabelen een
samenhang vertonen waarbij ze in dezelfde richting variëren (dit betekent dat als de scores van de ene variabele toenemen,
die van de andere dat ook doen), zeggen we dat ze positief correleren. Als de ene variabele afneemt zodra de andere
toeneemt, zijn ze negatief gecorreleerd en staat er voor hun correlatiecoëfficiënt een minteken. Het is belangrijk op te
merken dat ook een negatieve correlatie kan betekenen dat er een sterke samenhang bestaat tussen variabelen.
Surveys
Als je geïnteresseerd bent in de standpunten, voorkeuren of meningen van een groep mensen kun je ze daar simpelweg
naar vragen met behulp van een ‘self-report’-techniek die survey wordt genoemd. Een survey houdt in dat mensen
gevraagd wordt een reactie te geven op een van tevoren vastgestelde lijst met vragen. Het voordeel van dit soort
onderzoek is dat je met relatief weinig moeite grote hoeveelheden respondenten kunt bereiken. De waarde van een survey
is echter sterk afhankelijk van de vraag of de respondenten eerlijke antwoorden geven en niet zozeer sociaal
wenselijke.Twee andere belangrijke factoren die van invloed zijn op de resultaten van een survey zijn de formulering van de
vragen (Zijn ze helder? Zijn ze suggestief?) en de steekproef (Hoe goed representeren de respondenten de groep die de
aandacht van de onderzoekers heeft?).
Natuurlijke observaties
Als een onderzoeker wil weten hoe individuen zich in hun natuurlijke omgeving gedragen, kan hij gebruikmaken van de
methode van natuurlijke observatie. Zo’n onderzoek kan op de meest uiteenlopende plekken plaatsvinden. Het is echter
belangrijk om te onthouden dat de omstandigheden waaronder het onderzoek wordt verricht, veel minder gecontroleerd
zijn dan bij een experiment, omdat de onderzoeker bij deze methode noch de condities in de hand heeft, noch in staat is de
onafhankelijke variabele te manipuleren.
Het voordeel van natuurlijke observatie is dat je de gedragingen ziet zoals ze zich op natuurlijke wijze voordoen. Dat levert
vaak inzichten op die je niet krijgt in een laboratorium. In sommige situaties is het ook goedkoper om gebruik te maken van
een natuurlijke omgeving in plaats van die proberen te reconstrueren in een laboratorium. Nadelen zijn bijvoorbeeld dat je
geen controle hebt over de omgeving, wat causale conclusies onmogelijk maakt, en dat een gedegen natuurlijke studie een
hoop tijd en geld kost.
Gevalstudie
gevalstudie (casestudy) richt zich op enkele personen (soms slechts één). Deze methode wordt over het algemeen alleen
gebruikt voor diepgaand onderzoek naar individuen met zeldzame stoornissen of ongewone talenten. Therapeuten die
casestudy’s gebruiken om theorieën te ontwikkelen over psychische stoornissen, noemen dit de klinische methode. De
nadelen van de gevalstudie liggen voor de hand: de methode is subjectief en door de geringe omvang van de onderzochte
groep zijn de conclusies niet automatisch van toepassing op andere individuen. Desondanks levert de gevalstudie soms
waardevolle inzichten op, die op geen enkele andere manier verkregen kunnen worden.
1.3.3 Vertekening in psychologisch onderzoek beperken
Door emotioneel beladen onderwerpen als deze kunnen biases naar voren komen, waardoor kritisch denken moeilijk is. Als
we hier niet op toezien, kan de bias van onderzoekers van invloed zijn op de wijze waarop ze een onderzoek opzetten,
gegevens verzamelen en resultaten interpreteren. Laten we eens naar twee vormen van bias kijken, waarvoor speciaal
moet worden opgelet bij onderzoek.
Emotionele bias betreft de gekoesterde aannames, sterke voorkeuren, ingebakken opvattingen of persoonlijke voorkeuren
van een individu. Ze zijn vaak niet duidelijk voor degene die zulke vertekeningen heeft. Gelukkig biedt de
wetenschappelijke methode, met de ruimte voor kritiek van collega’s en herhaling, een krachtig tegenwicht voor de
emotionele biases van een onderzoeker. Toch zouden onderzoekers er de voorkeur aan moeten geven hun biases te
identificeren en te controleren, voordat mogelijk onjuiste conclusies worden gepubliceerd.
Er is sprake van expectancy bias (verwachtingsbias) als de waarnemer verwacht – en daardoor op zoek gaat naar bewijzen –
dat bepaalde gebeurtenissen zullen leiden tot bepaalde resultaten (je kunt een sterke relatie zien met de confirmation bias,
die we eerder bespraken).
Deze bronnen van vertekening kunnen niet alleen leiden tot verkeerde conclusies, ze kunnen ook dure of zelfs gevaarlijke
gevolgen hebben. Je loopt namelijk het risico dat je onderzoek door jouw eigen vertekening wordt ‘vervuild’, net als door
de verwachtingen van andere betrokkenen.
Een veelgebruikte strategie om dit soort vertekeningen in de hand te houden, is door de deelnemers aan een experiment
‘blind’ te houden, dat wil zeggen, ze niet te vertellen of ze het werkelijke medicijn of een placebo krijgen. Een nog betere
strategie is een dubbelblindonderzoek, waarbij zowel de proefpersonen als de onderzoekers niet weten wie welke
behandeling krijgt.
9
, 1.3.4 Ethische kwesties in psychologisch onderzoek
Onderzoek kan ook te maken krijgen met serieuze ethische kwesties, zoals de mogelijkheid dat iemand gekwetst, gewond
of onnodig geagiteerd raakt door deelname aan een slecht uitgevoerd psychologisch onderzoek. Geen enkele onderzoeker
zal daar blij mee zijn, maar de grenzen van wat toelaatbaar is, zijn niet altijd duidelijk. Waar ligt de balans tussen de mate
van ongemak en de kennis die het onderzoek zal opleveren? Om psychologische onderzoekers een paar richtlijnen en
grenzen te bieden heeft het Nederlands Instituut van Psychologen een beroepscode opgesteld. Hierin staat dat
onderzoekers ethisch verplicht zijn hun proefpersonen te beschermen tegen potentieel schadelijke procedures. Bovendien
zijn onderzoekers verplicht de informatie die ze via het onderzoek hebben verkregen vertrouwelijk te behandelen.
Gegevens mogen alleen openbaar gemaakt worden als het recht op privacy van het individu niet wordt geschaad.
Geïnformeerde toestemming
Een belangrijke ethische richtlijn betreft het verkrijgen van geïnformeerde toestemming (informed consent), die geldt als
verzekering dat deelnemers vrijwillig meedoen aan het onderzoek.
Misleiding
Het gebruik van misleiding vormt een bijzonder taai probleem voor onderzoekers in de psychologie. Volgens het document
Ethical Principles van de American Psychological Association moet deelname aan onderzoeken vrijwillig en geïnformeerd
plaatsvinden. Proefpersonen wordt dus verteld met welke problemen ze te maken krijgen en ze moeten de mogelijkheid
hebben om uit de studie te stappen. De meeste onderzoekscentra hebben tegenwoordig commissies die daar streng
toezicht op houden en alle studies onderzoeken die binnen een instituut worden uitgevoerd, zoals een hogeschool,
universiteit of kliniek. Verder vereisen de richtlijnen dat er zo snel mogelijk een debriefing volgt na het onderzoek, om er
zeker van te zijn dat de deelnemers er geen langdurige schadelijke gevolgen van ondervinden. In een debriefing worden de
deelnemers op de hoogte gesteld van de misleiding en de reden daarvoor. Deelnemers kunnen dan desgewenst vragen
stellen en meer inzicht krijgen in het proces. Ondanks deze voorzorgsmaatregelen zijn er toch psychologen die bezwaar
maken tegen het gebruik van welke vorm van misleiding dan ook in psychologisch onderzoek.
Sociale media in onderzoek
Wat vind je van onderzoekers die aan de hand van Facebook, Twitter of Reddit informatie over je inwinnen? Of je het nu
leuk vindt of niet, het gebeurt wel, en zoals vaak het geval is met nieuwe technologieën, loopt het explosief gestegen
gebruik ervan ver vooruit op weloverwogen, geïnformeerde discussie en besluitvorming over de potentiële voor- en
nadelen. Het duurt vaak ook even voordat er voorzorgsmaatregelen genomen kunnen worden om gebruikers te
beschermen tegen mogelijke schade. De kernvraag is of gebruikers van sociale media risico’s lopen en of hun recht op
privacy en vertrouwelijkheid wordt geschonden als er onderzoek naar hen wordt gedaan. Geïnformeerde toestemming en
privacy zijn de twee aangelegenheden die in dit geval het meest in het oog springen. De Wet Bescherming
Persoonsgegevens vereist bijvoorbeeld dat mensen toestemming geven als de onderzoeker informatie inwint door
interactie met die personen of informatie inwint die persoonlijk en traceerbaar is. Net zoals er geen verwachting van
privacy is in een winkelcentrum, is die er ook niet op Twitter. Daarom worden er in deze gevallen geen ethische grenzen
overschreden.
Dierstudies
Een andere ethische kwestie speelt al lang rond het gebruik van proefdieren, zoals ratten, duiven en apen. Dieren zijn
aantrekkelijke onderzoeksobjecten, omdat ze een relatief eenvoudig zenuwstelsel hebben en het vaak gemakkelijk is om
grote aantallen onder gecontroleerde omstandigheden te houden. Dieren fungeren ook als alternatief voor mensen als een
procedure riskant of ronduit schadelijk wordt geacht, bijvoorbeeld wanneer er elektroden in de hersenen worden
geïmplementeerd om de afzonderlijke delen ervan te bestuderen. De American Psychological Association (APA, 2010) heeft
in het document Ethical Principles nog eens uitgebreid herhaald welke verplichtingen onderzoekers hebben om
laboratoriumdieren onder fatsoenlijke leefomstandigheden te houden en elk ongemak bij de dieren af te wegen tegen de
waarde van de informatie die met het onderzoek kan worden verkregen. In Nederland is het gebruik van proefdieren alleen
toegestaan als het onderzoek niet op een andere manier kan worden uitgevoerd. Een onderzoeker die van proefdieren
gebruik wil maken, heeft in principe twee vergunningen nodig: ten eerste moet de instelling waarvoor hij werkt – een
universiteit, hogeschool of bedrijf bijvoorbeeld – een algemene vergunning hebben van de Nederlandse Voedsel en
Warenautoriteit (NVWA). Ten tweede moet voor elk onderzoek een positief advies zijn afgegeven door een zogenoemde
Dierexperimentencommissie (DEC). In principe heeft elke vergunninghouder zijn eigen DEC, hoewel sommige instellingen
een DEC delen. In de aanvraag van zo’n advies staat precies gespecificeerd om wat voor soort onderzoek het gaat, welke
dieren erbij worden gebruikt en wat de procedures zullen zijn. Het advies van deze DEC’s is geheim. De laatste jaren is de
bezorgdheid over het gebruik van dieren als onderzoeksobjecten opnieuw op de voorgrond getreden. Als er in het
onderzoek pijnlijke of schadelijke ingrepen worden uitgevoerd voelen veel mensen zich daar bijzonder ongemakkelijk over.
Sommigen vinden dat de beperkingen strakker gehandhaafd moeten worden, vooral in studies met chimpansees of andere
mensachtige dieren. Anderen zijn van mening dat onderzoek op dieren ingeperkt of zelfs helemaal verboden zou moeten
worden, inclusief onderzoek op lagere diersoorten als naaktslakken (vaak gebruikt in neurologische studies). Hoewel veel
psychologen voorstander zijn van dieronderzoek, mits onder duidelijke voorwaarden, blijft de kwestie omstreden.
10
1.1 Wat is psychologie en wat is het niet?..........................................................................................2
1.1.1 Psychologie: het is meer dan je denkt...................................................................................2
1.1.2 Psychologie is geen psychiatrie..............................................................................................2
1.1.3 Kritisch nadenken over psychologie en pseudopsychologie..................................................3
1
, Hoofdstuk 1 geest, gedrag en psychologische wetenschap
1.1 Wat is psychologie en wat is het niet?
Het woord psychologie is afkomstig uit het Oudgrieks. Psyche betekent ‘geest’. De Grieken geloofden dat die op zichzelf en
apart van het fysieke lichaam bestond. Het aanhangsel -ologie betekent ‘gebied van studie’. De letterlijke betekenis van
psychologie is dus ‘de studie van de geest’.
Psychologie is een breed veld, met vele specialismen, maar in wezen is psychologie de wetenschap van gedrag en
geestelijke processen.
Het terrein van de psychologie beslaat zowel interne geestelijke processen, die we alleen indirect waarnemen (zoals
denken, voelen en begeren), als externe, waarneembare gedragingen (zoals praten, glimlachen en lopen). De wetenschap
van de psychologie is gebaseerd op objectieve, verifieerbare gebeurtenissen.
1.1.1 Psychologie: het is meer dan je denkt
Psychologie beslaat een groter terrein dan de meeste mensen
beseffen. Niet alle psychologen werken als therapeut. Velen werken
in het onderwijs, het bedrijfsleven, de sport, gevangenissen, de
politiek, kerken, de reclame en marketing, en aan de afdelingen
psychologie van opleidingen in het beroepsonderwijs en universitair
onderwijs. Anderen werken voor adviesbureaus en de rechtbank. In
deze verschillende omgevingen verrichten psychologen sterk
uiteenlopende taken, zoals onderwijs geven, onderzoek doen en
apparatuur beoordelen en ontwerpen.
Drie soorten psychologen
Ruwweg vallen psychologen in drie grote groepen uiteen:
experimenteel psychologen, docenten psychologie en toegepast
psychologen. Er bestaat echter enige overlap tussen deze groepen, Figuur 1: Waar psychologen werken
omdat veel psychologen tijdens hun werk verschillende functies uitoefenen.
Experimenteel psychologen (soms onderzoekspsychologen genoemd) vormen de kleinste van de drie groepen. Ze
voeren echter het meeste onderzoek uit dat nieuwe psychologische kennis creëert. Een experimenteel psycholoog zou
bijvoorbeeld de effecten van suiker op hyperactiviteit kunnen onderzoeken. Hoewel sommige experimenteel psychologen
bij bedrijven of onderzoeksinstellingen werken, zijn de meeste werkzaam aan universiteiten, waar ze tevens lesgeven.
In Nederland en België werken docenten psychologie binnen een grote diversiteit aan opleidingen: ze geven
bijvoorbeeld les aan studenten van professionele bacheloropleidingen en aan universiteiten. Op universiteiten doen ze ook
wetenschappelijk onderzoek. Soms behandelen ze daarbij ook nog mensen, bijvoorbeeld als ze werken op een afdeling
medische psychologie.
Toegepast psychologen gebruiken de kennis die door experimenteel psychologen is vergaard om problemen van
mensen op te lossen door middel van trainingen, het ontwerpen van speciale gereedschappen of psychologische
behandelingen. Ze werken op de meest uiteenlopende plekken, bijvoorbeeld op scholen, in klinieken, bij bedrijven,
welzijnsorganisaties, op luchthavens en in ziekenhuizen. Alles bij elkaar werkt ongeveer twee derde van de psychologen
met een universitaire opleiding voornamelijk als toegepast psycholoog.
Specialisaties in de toegepaste psychologie:
Arbeids- en organisatiepsychologen (vaak A&O-psychologen genoemd) hebben zich gespecialiseerd in aanpassingen aan de
werkplek die de productiviteit en de arbeidsmoraal van werknemers moeten maximaliseren.
Sportpsychologen helpen atleten hun prestaties en motivatie te verbeteren, door trainingssessies te plannen en door hen te
leren hun emoties onder druk te beheersen.
Schoolpsychologen zijn deskundig op het gebied van lesgeven en leren.
Klinisch psychologen en counselors helpen mensen zich aan te passen op sociaal en emotioneel gebied, of om moeilijke
keuzes in relaties, hun carrière of opleiding te maken. Bijna de helft van alle psychologen op masterniveau noemt
klinische psychologie of counseling als zijn specialisme.
Forensisch psychologen leveren hun psychologische expertise aan het wets- en rechtssysteem.
Omgevingspsychologen proberen de interactie met onze omgeving en het milieu te verbeteren.
Gerontopsychologen vormen een van de nieuwste vakgroepen in de psychologie. Omdat de bevolking van volwassenen
boven de vijfenzestig jaar snel groeit, heeft de American Psychological Association de gerontopsychologie in het leven
geroepen om ouderen te helpen hun gezondheid en welzijn te behouden en effectief te leren omgaan met
leeftijdgerelateerde problemen (American Psychological Association, s.d.
1.1.2 Psychologie is geen psychiatrie
Vrijwel alle psychiaters behandelen psychische stoornissen. Een aantal psychologen doet dit ook, maar daar houdt de
overeenkomst wel ongeveer op. Psychiatrie is een medisch specialisme en maakt geen deel uit van de psychologie. De
psychiatrie is een veel kleiner vakgebied dan de psychologie. De psychologie beslaat het hele terrein van het menselijk
2
,gedrag en de geestelijke processen, van hersenfuncties tot sociale interacties. Voor de meeste psychologen ligt de nadruk in
hun opleiding op onderzoeksmethoden, in combinatie met het bestuderen van bijvoorbeeld een van de bovengenoemde
specialismen. Hoewel sommige psychologen de doctorstitel hebben (zij zijn dus gepromoveerd), is hun opleiding niet
medisch van aard. Daarom zijn ze in het algemeen ook niet bevoegd om medicijnen voor te schrijven.
1.1.3 Kritisch nadenken over psychologie en pseudopsychologie
Pseudopsychologie: niet-onderbouwde psychologische aannamen die als wetenschappelijke waarheden worden
gepresenteerd.
Wat is kritisch denken?
Het is onmogelijk om een definitie van kritisch denken te geven waarmee iedereen het eens zal zijn. Toch leggen we in dit
boek de nadruk op zes vaardigheden voor kritisch denken. Elk van deze vaardigheden is gebaseerd op een specifieke vraag
waarvan we menen dat je die zou moeten stellen als je met nieuwe ideeën te maken krijgt.
1. Wat is de bron? De eerste vraag die in dit geval gesteld moet worden, is of degene die de bewering doet,
feitelijke kennis heeft over het onderwerp of op zijn allerminst advies heeft gevraagd aan iemand met de
noodzakelijke expertise. Daarbij moet je je afvragen of de bron iets belangrijks te winnen heeft bij de bewering.
2. Is de bewering redelijk of extreem? Het leven is te kort om overal kritisch over te zijn, dus is het de kunst selectief
te zijn. Kritische denkers zijn hoe dan ook sceptisch over beweringen die als ’doorbraak’ of ’revolutionair’ worden
aangemerkt. Ook zou er een waarschuwingslampje moeten gaan branden bij beweringen die in strijd zijn met
bestaande kennis. In het geval van een afschrikprogramma of een andere ‘snelle oplossing’ voor een moeilijk
probleem, dien je altijd op je hoede te zijn, omdat er voor moeilijke problemen zelden eenvoudige oplossingen
bestaan.
3. Wat is het bewijsmateriaal? Dit is een van de belangrijkste richtlijnen bij kritisch denken. In het geval van de
‘afschrikprogramma’s’ luidt de vraag: wat is het bewijsmateriaal dat het afschrikprogramma ondersteunt?
Anekdotisch bewijsmateriaal: getuigenissen die de ervaring van iemand of enkele personen schetsen, maar ten
onrechte voor wetenschappelijk bewijs worden aangezien.
4. Kan de conclusie zijn beïnvloed door bias? Kritische denkers kennen de omstandigheden waaronder er een grote
kans op bias bestaat en zijn in staat veelvoorkomende soorten bias te herkennen die we in dit hoofdstuk zullen
onderzoeken. De vorm van bias die het meest van toepassing is op het afschrikprogramma is emotionele bias: de
neiging om oordelen te vellen gebaseerd op attitudes en gevoelens, in plaats van op een rationele analyse van het
bewijsmateriaal. Een ander veelvoorkomend vooroordeel is confirmation bias (bevestigingsbias): de neiging om
informatie die niet bij je opvattingen aansluit te negeren of te bekritiseren en om in plaats daarvan informatie te
zoeken waar je het wel mee eens bent.
5. Worden veelvoorkomende denkfouten vermeden? De denkfout die het best van toepassing is op het
afschrikprogramma is de aanname dat ’gezond verstand’ een substituut is voor wetenschappelijk bewijs. Sterker nog,
vaak kan gezond verstand een stelling zowel ondersteunen als onderuithalen. Alleen een zorgvuldige analyse van
bewijzen voor en tegen de stelling kan leiden tot een betrouwbaar antwoord.
6. Zijn voor het oplossen van het probleem verschillende invalshoeken nodig? Voor een probleem dat uit meerdere
facetten bestaat, is een complexere oplossing nodig dan een afschrikprogramma.
1.2 Wat zijn de zes belangrijkste perspectieven van de psychologie?
Zes belangrijke perspectieven domineren het snel veranderende veld van de moderne psychologie: het biologische,
cognitieve, behavioristische, whole-person-, ontwikkelings- en socioculturele perspectief. Alle kwamen ze voort uit radicaal
nieuwe ideeën over geest en gedrag.
Als je deze perspectieven bestudeert, zul je zien dat elk gezichtspunt een unieke verklaring biedt voor menselijk gedrag.
Samen omvatten ze de meervoudige perspectieven van de psychologie, die allemaal een belangrijk ’instrument’ zijn in de
’psychologische gereedschapskist’ die je nodig hebt als je menselijk gedrag wilt leren begrijpen. Deze perspectieven zijn ook
in combinatie te gebruiken; bepaald gedrag is namelijk niet altijd enkel te verklaren vanuit één perspectief.
1.2.1 Scheiding van lichaam en geest en het moderne biologische perspectief
De zeventiende-eeuwse Franse filosoof René Descartes stelde het eerste radicaal nieuwe idee voor dat uiteindelijk leidde
tot de moderne psychologie: een scheiding tussen de spirituele geest en het fysieke lichaam. Descartes’ denkbeeld sloot
aan bij opwindende nieuwe ontdekkingen over de biologie van zenuwbanen van dieren, waarbij wetenschappers hadden
aangetoond hoe zintuigen stimulatie omzetten in zenuwimpulsen en spierreacties. Dankzij deze ontdekkingen,
gecombineerd met Descartes’ scheiding van lichaam en geest, konden wetenschappers voor de eerste keer aantonen dat er
biologische processen ten grondslag liggen aan sensaties en eenvoudige reflexmatige gedragingen, in plaats van
mysterieuze, spirituele krachten. Descartes behoorde tot het rationalisme, een filosofiestroming die de ratio, het denken,
als enige middel zag om aan wetenschap en filosofie te doen. Een (Britse) filosofiestroming, het empirisme, formuleerde
echter veel kritiek op Descartes. Empiristen zien het denken als onnodig en zelfs storend in wetenschap en filosofie. Zij
beweren dat waarnemingen, ervaringen en experimenten de enige ware bronnen van kennis zijn.
Het moderne biologische perspectief
Vierhonderd jaar later vormt Descartes’ revolutionaire perspectief de basis voor het modern biologische perspectief.
Moderne biologisch psychologen hebben lichaam en geest opnieuw samengevoegd. Zij beschouwen de geest tegenwoordig
3
,als een product van de hersenen. Volgens dit standpunt komen zowel onze persoonlijkheid, onze voorkeuren, onze
gedragspatronen als onze vaardigheden voort uit onze lichamelijke eigenschappen. Daarom zoeken biologisch psychologen
naar de oorzaken van ons gedrag in het zenuwstelsel, het endocriene stelsel (hormoonstelsel) en de genen.
Twee variaties op het biologische thema
Het biologische standpunt heeft uiteraard sterke wortels in de biologie en de geneeskunde. De biologische psychologie
wordt gecombineerd met de biologie, de neurologie en andere disciplines die geïnteresseerd zijn in processen in de
hersenen tot het nieuwe vakgebied van de neurowetenschap. Dankzij spectaculaire ontwikkelingen van computers en
beeldvormingstechnieken van de hersenen is de neurowetenschap een opwindend onderzoeksgebied. Een andere
belangrijke variant van de biologische psychologie is voortgekomen uit ideeën die circa honderdvijftig jaar geleden door
Charles Darwin zijn geformuleerd. Volgens deze evolutionaire psychologie komt een groot deel van het menselijk gedrag
voort uit overgeërfde neigingen; dit standpunt wordt in hoge mate ondersteund door recent onderzoek in de genetica.
Volgens het evolutionaire perspectief is onze genetische opmaak, die aan onze meest fundamentele gedragingen ten
grondslag ligt, gevormd door de omstandigheden waarin onze genetische voorouders duizenden jaren geleden verkeerden.
Volgens de evolutionaire psychologie hebben invloeden in de omgeving de stamboom van de mens ‘gesnoeid’, waarbij de
individuen met de meest adaptieve psychische en lichamelijke kenmerken bevoordeeld werden, want ze leefden langer en
waren daardoor beter in staat zich voort te planten en zo hun eigen kenmerken door te geven. Darwin noemde dit
natuurlijke selectie.
1.2.2 Het begin van de wetenschappelijke psychologie en het moderne cognitieve perspectief
De Duitse wetenschapper Wilhelm Wundt, die later waarschijnlijk de allereerste was die zichzelf ’psycholoog’ noemde,
dacht dat het mogelijk was de menselijke geest op eenzelfde manier te simplificeren als het periodiek systeem de
scheikunde had vereenvoudigd. Hij een baanbrekend inzicht: de wetenschappelijke methoden, zoals die in de schei- en
natuurkunde werden toegepast, konden ook gebruikt worden om zowel de geest als het lichaam te bestuderen.
het eerste psychologisch laboratorium ter wereld (aan de Universiteit van Leipzig). introspectie: beschrijving van je eigen
innerlijke, bewuste ervaringen.
Wundts pupil Edward Bradford Titchener bracht de zoektocht naar de elementen van het bewustzijn naar Amerika, dit
noemde hij het structuralisme: historische stroming binnen de psychologie die de basisstructuren van de geest en de
gedachten trachtte te ontrafelen. Structuralisten zochten de ‘elementen’ van de bewuste ervaring.
Vanaf het begin kreeg zowel Wundt als Titchener veel kritiek te verduren. De bezwaren luidden vooral dat de introspectieve
methode te subjectief was. Wundt en Titchener wonnen echter uiteindelijk. Hoewel psychologen hun ideeën soms vreemd
vinden, maken ze nog steeds gebruik van aangepaste versies van de oude methoden van de structuralisten. Je ziet
bijvoorbeeld introspectie aan het werk als we slaap en dromen bestuderen.
Gestalts reactie: ‘Het geheel, niet de delen’
Begin twintigste eeuw was Duitsland een hotspot van psychologie en wetenschap. Een prominente groep theoretici had
moeite met de nadruk die de structuralisten legden op de elementen van bewustzijn. Deze groep geloofde juist dat het
bewustzijn veel meer omvatte dan simpele zintuiglijke ervaringen en beweerde dat onze ervaringen niet gereduceerd
kunnen worden tot een serie afzonderlijke elementen. Deze Gestaltpsychologen, zoals ze werden genoemd,
concentreerden zich daarom op het geheel van onze bewustzijnservaringen als meer dan de som van de delen en
probeerden te begrijpen hoe we ’perceptuele gehelen’ vormen. (Gestalt is overigens het Duitse woord voor ’geheel’ of
’configuratie’.).
James en de functie van geest en gedrag
Een van de luidruchtigste criticasters van Wundt, de Amerikaanse psycholoog William James, beargumenteerde dat de
benadering van de Duitser veel te beperkt was. De psychologie moest zich richten op de functie van het bewustzijn en niet
alleen op de structuur ervan, betoogde hij. Heel toepasselijk leidden James’ opvattingen tot een richting in de psychologie,
namelijk het functionalisme: historische stroming binnen de psychologie die meende dat psychische processen het beste
begrepen kunnen worden in het licht van hun adaptieve nut en functie.
William James en zijn volgelingen vonden de ideeën van Charles Darwin veel interessanter dan die van Wundt. Net als
Darwin had James een diepe belangstelling voor emoties, met inbegrip van hun relatie tot het lichaam en tot gedrag
(volgens hem waren emoties niet alleen elementen van het bewustzijn, zoals in het systeem van Wundt). James voelde zich
ook aangetrokken tot Darwins idee dat organismen zich aan hun omgeving aanpasten. Hij stelde daarom dat de psychologie
zou moeten verklaren op welke wijze mensen zich aanpassen (of er niet in slagen zich aan te passen) aan de werkelijke
wereld buiten het laboratorium. Door deze manier van denken kwamen de functionalisten ertoe de eerste toegepaste
psychologie te ontwikkelen; zij waren geïnteresseerd in de wijze waarop de psychologie kon worden toegepast om het
menselijk leven te verbeteren.
Zijn navolger, John Dewey, was de grondlegger van de beweging van ’het nieuwe leren’ (progressive education) , waarbij de
nadruk lag op leren door doen, in plaats van door alleen naar colleges te luisteren en feiten uit het hoofd te leren.
Over introspectie waren het structuralisme en het functionalisme het eens. Ironisch genoeg vormde die overeenkomst ook
hun grootste kwetsbaarheid: de introspectieve methode was subjectief, waardoor ook functionalisten verweten werd dat
hun versie van de psychologie niet echt wetenschappelijk was. Het duurde meer dan een halve eeuw om dit probleem te
4
,overwinnen; hiervoor was ook de samenwerking van deskundigen uit andere disciplines nodig, die samen het cognitieve
perspectief vormden.
Het moderne cognitieve perspectief
De ontwikkeling van de computer, die de nieuwe metafoor voor de geest ging vormen, gaf de psychologie een
onomkeerbare duw in de richting van een nieuwe synthese: de moderne cognitieve psychologie. Cognitieve perspectief:
een van de belangrijkste psychologische perspectieven, waarbij de nadruk ligt op mentale processen, zoals leren, geheugen,
perceptie en denken als vormen van informatieverwerking. Tegenwoordig kan het cognitieve perspectief gebruikmaken van
objectievere observatiemethoden dan vroeger, dankzij de verbluffende ontwikkelingen op het gebied van brain imaging-
technieken. Daardoor kunnen wetenschappers de hersenen tijdens allerlei mentale processen bestuderen.
1.2.3 Het behavioristische perspectief: nadruk op waarneembaar gedrag
Rond 1900 werd een bijzonder radicale en opstandige groep wetenschappers bekend, de zogenoemde behavioristen,
doordat ze het met vrijwel iedereen oneens waren. Zij bouwden voort op het empiristische idee dat je enkel zekerheid kan
verwerven over datgene wat je kunt waarnemen en op het idee dat de mens bij de geboorte een tabula rasa is. Ze werden
echter het beroemdst met het idee dat het bestuderen van de geest helemaal geen deel van de psychologie zou moeten
uitmaken. John B. Watson, een vroege leider van de behavioristische beweging, betoogde dat een werkelijk objectieve
psychologische wetenschap zich uitsluitend met waarneembare gebeurtenissen zou moeten bezighouden: fysieke stimuli
vanuit de omgeving en de waarneembare reacties van het organisme daarop.
Het behaviorisme: een historische school die ernaar streefde om van psychologie een objectieve wetenschap te maken die
zich alleen op gedrag richtte (en niet op mentale processen).
Voor de behavioristen waren iemands gedachten of emoties dus irrelevant. Alleen gedrag kon betrouwbaar worden
geobserveerd en gemeten. Belangrijk is dat behavioristen geen subjectieve aannames deden over de interne aanleiding
(zoals angst) voor extern gedrag (vermijding). Het behavioristische perspectief vroeg vooral aandacht voor de manier
waarop ons handelen wordt gevormd door de consequenties ervan.
Een grote verdienste van behavioristen is dat we nu veel beter begrijpen dat krachten vanuit de omgeving van invloed zijn
op het menselijk vermogen om te leren. Daarnaast hebben behavioristen effectieve strategieën ontwikkeld waarmee we
gedrag kunnen wijzigen door de omgeving te veranderen.
1.2.4 De perspectieven vanuit de gehele persoon: psychodynamisch, humanistisch, en karaktertrekken en temperament
PERSPECTIEF IDEE WAT BEPAALT GEDRAG? WIE?
Biologisch perspectief Het lichaam kan apart van de geest De hersenen, zenuwstelsel, René
worden bestudeerd. endocriene stelsel (hormoonstelsel) Descartes
en genen.
Cognitief perspectief De wetenschappelijke methode Iemands unieke patroon van Wilhelm
kan worden gebruikt om de geest waarnemingen, interpretaties, Wundt en
te bestuderen. verwachtingen, overtuigingen, en William James
herinneringen.
Behavioristisch perspectief Psychologie moet de wetenschap De prikkels in onze omgeving en de John Watson
van observeerbaar gedrag zijn, niet voorgaande consequenties van ons en B.F. Skinner
van mentale processen. gedrag.
Perspectief van de gehele Psychodynamische psychologie: Processen in onze onbewuste geest. Sigmund Freud
persoon (‘whole person’) persoonlijkheid en psychische
stoornissen komen voort uit
processen in het onbewuste.
Humanistische psychologie: Onze aangeboren behoefte om te Carl Rogers en
psychologie moet de nadruk leggen groeien en ons potentieel zo goed Abraham
op menselijke groei en potentieel mogelijk te verwezenlijken. Maslow
in plaats van op psychische
stoornissen.
Psychologie van karaktertrekken en Unieke persoonlijkheidskenmerken De oude
temperament: individuen kunnen die in de tijd en in alle situaties Grieken
worden begrepen in termen van consistent zijn.
hun temperament en blijvende
karaktertrekken.
Ontwikkelingsperspectief Mensen veranderen als gevolg van De interactie tussen erfelijkheid en Mary
een interactie tussen erfelijke omgeving, die zich het hele leven Ainsworth,
eigenschappen en de omgeving. door uit in voorspelbare patronen. Jean Piaget en
vele anderen
Sociocultureel perspectief Sociale en culturele invloeden De kracht van de situatie. Stanley
kunnen de invloed overstemmen Milgram, Philip
Tabel 1: De zes perspectieven van de psychologie
5
, van alle andere factoren die gedrag Zimbardo en
beïnvloeden. vele anderen
Psychodynamische psychologie
Freud zette veel van zijn volgelingen ertoe aan zich los te maken en hun eigen theorieën te ontwikkelen. We gebruiken de
term psychodynamisch voor die ideeën van Freud en alle neofreudiaanse theorieën die ontstonden uit het idee dat de
geest (psyche), vooral de onbewuste geest, een reservoir van energie (dynamica) voor de persoonlijkheid is. Volgens
de psychodynamische psychologie is deze energie datgene wat ons motiveert.
psychoanalyse: een benadering van de psychologie die is gebaseerd op de veronderstelling van Freud, die de nadruk legt op
onbewuste processen. De term verwijst zowel naar Freuds psychoanalytische theorie as naar zijn psychoanalytische
behandelmethode.
Er is de afgelopen decennia veel kritiek geuit op de psychoanalyse. Zo stelt wetenschapsfilosoof Karl Popper (1963) dat de
psychoanalyse als wetenschappelijke methode niet beantwoordt aan het criterium van falsificeerbaarheid. Hiermee bedoelt
Popper dat de psychoanalyse uitspraken en voorspellingen doet die niet toetsbaar zijn aan de feitelijke werkelijkheid. Freud
en zijn volgelingen zijn niet de enigen die de gehele mens wilden verklaren. Ook twee andere groepen zijn geïnteresseerd in
een globaal inzicht in de persoonlijkheid: de humanistische psychologie en de psychologie van karaktertrekken en
temperament. Hier groeperen we deze drie perspectieven onder het kopje perspectieven vanuit de gehele persoon (’whole
person’).
Humanistische psychologie
Als reactie op de nadruk van psychoanalytici op duistere krachten in het onbewuste, sloeg de humanistische psychologie
een nieuwe weg in. Ook tegen het behavioristische perspectief kwamen zij in opstand, met de argumentatie dat de mens
geen speelbal is van de prikkels uit de omgeving, maar dat onze innerlijke processen minstens even belangrijk zijn. De
radicaal nieuwe invalshoek die werd ontwikkeld door humanistische therapeuten legde de nadruk op de positieve kant van
onze natuur: onze mogelijkheden, groei en potentie. De humanisten, onder aanvoering van Carl Rogers en Abraham
Maslow, ontwierpen een model dat mensen ziet als organismen met een vrije wil. Op grond van die vrije wil kunnen ze
keuzes maken en zo hun leven beïnvloeden. Vanuit het humanistische perspectief hebben de opvattingen die je hebt over
jezelf en je fysieke en emotionele behoeften een grote invloed op je gedachten, emoties en handelingen, die op hun beurt
allemaal invloed hebben op de ontwikkeling van je potentieel. Net als de psychodynamische psychologie heeft de
humanistische psychologie veel invloed gehad op de psychotherapie en counseling. Zo worden de door Rogers ontwikkelde
grondhoudingen voor hulpverleners (empathie, onvoorwaardelijke acceptatie en echtheid) nog altijd veel gebruikt in de
praktijk.
Psychologie van karaktertrekken en temperament
De oude Grieken, die op zoveel moderne ideeën vooruitliepen, verklaarden dat de persoonlijkheid werd geregeerd door
vier humores (vloeistoffen): bloed, slijm, zwarte gal en gele gal. Afhankelijk van welke humor overheerste, kon iemands
persoonlijkheid sanguinisch (opgewekt, gedomineerd door bloed), traag en behoedzaam (slijm), melancholiek (zwartgallig),
of boos en agressief (gele gal) zijn. Hun idee van persoonlijkheidstrekken leeft nog altijd voort in de psychologie van
karaktertrekken en temperament. Het fundamentele idee dat deze psychologische stroming van andere onderscheidt, luidt
als volgt: verschillen tussen mensen ontstaan uit verschillen in stabiele kenmerken en neigingen, die karaktertrekken en
temperamenten worden genoemd.
1.2.5 Het ontwikkelingsperspectief: veranderingen die ontstaan door nature en nurture
Verandering is misschien wel de enige constante in ons leven. Volgens het ontwikkelingsperspectief is psychologische
verandering het gevolg van een interactie tussen de erfelijke eigenschappen die in onze genen zijn vastgelegd en de invloed
van onze omgeving. Wat levert het grootste aandeel bij het bepalen van wie we worden: nature of nurture (erfelijkheid of
omgeving)? Zoals je zou kunnen verwachten, leggen de biologisch psychologen de nadruk op nature, terwijl behavioristen
nurture benadrukken. We zien deze twee krachten samenkomen in het ontwikkelingsperspectief.
Het grote idee dat bepalend is voor het ontwikkelingsperspectief is dit: mensen veranderen op voorspelbare wijze
naarmate de invloeden van erfelijkheid en omgeving zich in de loop van de tijd ontplooien. Lichamelijk is de ontwikkeling te
zien in voorspelbare processen zoals groei, puberteit en menopauze. Psychologisch is de ontwikkeling waarneembaar in het
verwerven van taal, logisch denken en het aannemen van verschillende rollen op verschillende momenten in het leven.
1.2.6 Het socioculturele perspectief: het individu in context
Het socioculturele perspectief stelt het idee van de sociale invloed centraal. Vanuit deze invalshoek verdiepen
socioculturele of crossculturele psychologen zich in onderwerpen als aardig vinden, liefhebben, vooroordelen, agressie,
gehoorzaamheid en conformisme. En daarbij zijn ze in het bijzonder geïnteresseerd in hoe deze sociale processen per
cultuur variëren.
Cultuur, een complexe mix van taal, opvattingen, gewoonten, waarden en tradities, heeft een diepgaande invloed op ons
allemaal. Het feit dat aandacht voor cultuur vroeger ontbrak, ligt deels aan het feit dat de wetenschappelijke psychologie
haar wortels in Europa en Noord-Amerika heeft, waar de meeste psychologen onder gelijkwaardige culturele
omstandigheden leven en werken. Inmiddels is het perspectief echter wel breder geworden
6
,Crosscultureel psycholoog: hebben dit vooroordeel erkend en wijden zich aan de immense taak de ‘wetten’ van de
psychologie opnieuw te beoordelen aan de hand van andere culturele en etnische normen.
Natuurlijk ontkennen voorstanders van het socioculturele standpunt de effecten van erfelijkheid of leren of zelfs van
onbewuste processen niet. Ze geven de psychologie echter een krachtig bijkomend concept: de kracht van de situatie.
Volgens dit standpunt kunnen de sociale en culturele situatie waarin de persoon is ingebed, soms sterker zijn dan alle
andere factoren die het gedrag beïnvloeden.
Samen helpen deze zes perspectieven dus allemaal om een holistisch beeld van menselijk gedrag te ontwikkelen.
1.3 Hoe vergaren psychologen nieuwe kennis?
Wetenschappelijke methode: een uit vier stappen bestaande procedure voor empirisch onderzoek van een hypothese,
waarbij de omstandigheden zo zijn gekozen dat vooroordelen en subjectieve oordelen worden uitgesloten.
Net als onderzoekers in alle andere vakgebieden gebruiken psychologen de wetenschappelijke methode om hun ideeën
empirisch te toetsen.
De essentie van de wetenschappelijke methode is het empirisch onderzoek, het verzamelen van objectieve informatie uit
de eerste hand door metingen die zijn gebaseerd op sensorische ervaringen en observatie.
Op grond van empirisch onderzoek wil de psychologie uiteindelijk allesomvattende verklaringen voor gedrag en geestelijke
processen ontwikkelen. In de wetenschap noemen we deze verklaringen theorieën, een woord dat vaak verkeerd begrepen
wordt. Theorie: toetsbare verklaring voor een aantal feiten of observaties. Voor een onderzoeker heeft een goede theorie
echter twee aantrekkelijke eigenschappen: a) de theorie kan de feiten verklaren en b) de theorie kan worden getest.
1.3.1 Vier stappen van de wetenschappelijke methode
Dit zijn in essentie altijd dezelfde stappen, of het nu om psychologisch, biologisch, sociologisch of om het even welk
onderzoek gaat. Het is dus de methode die het onderzoek wetenschappelijk maakt, niet het onderwerp. In het ideale geval
is dit de manier waarop een wetenschapper de wetenschappelijke methode uitvoert:
Een hypothese ontwikkelen
Elk wetenschappelijk onderzoek begint met het formuleren van een specifiek idee of een vermoeden over een onderdeel
van een bredere theorie. De voorspelling van de uitkomst van een wetenschappelijk onderzoek, een bewering over de
relatie die er zou bestaan tussen de verschillende variabelen in een onderzoek, wordt een hypothese genoemd.
Om toetsbaar te zijn moet een hypothese potentieel falsificeerbaar (weerlegbaar) zijn; dit wil zeggen dat de hypothese
zodanig moet worden opgesteld dat kan worden bewezen of deze juist of onjuist is. De hypothese zou niet falsificeerbaar
zijn als we alleen een waardeoordeel gaven. Als we geen effect vinden, is de hypothese gefalsificeerd (weerlegd).
Wetenschap geeft geen waardeoordeel en kan geen antwoord geven op vragen die niet empirisch getoetst kunnen worden.
Vervolgens moet de onderzoeker precies bedenken hoe de hypothese zal worden onderzocht; dit betekent dat alle
aspecten (variabelen) in concrete termen worden
gedefinieerd. Deze termen worden operationele
definities genoemd. Hiervoor is het nodig om de
procedures (handelingen) te specificeren die gebruikt
zullen worden bij het uitvoeren van het experiment en
bij het meten van de resultaten.
Het toetsen van de hypothese: objectieve data
verzamelen
Een hypothese empirisch onderzoeken houdt in dat we
zorgvuldig en systematisch bewijs verzamelen, aan de
hand van verschillende methoden die zich bewezen
hebben. Ze zijn ontwikkeld om te voorkomen dat we de
verkeerde conclusies trekken op basis van onze Figuur 2: experimentele en controlegroepen in een
verwachtingen, biases en vooroordelen. Alleen dan medicijnenstudie
kunnen we de data die het onderzoek heeft opgeleverd met
meer vertrouwen toepassen op een grotere groep mensen (generaliseren).
De groep die de speciale behandeling ondergaat, bevindt zich in de experimentele conditie van het onderzoek. Mensen die
zich in de experimentele conditie bevinden, vormen de experimentele groep. Degenen die de controlegroep vormen, zijn in
de controleconditie geplaatst, waarin ze geen speciale behandeling ontvangen. De controlegroep dient dus als standaard
en wordt gebruikt om degenen in de experimentele groep mee te vergelijken.
Bij de eenvoudigste experimentele opzet varieert de onderzoeker één factor en houdt hij alle andere experimentele
omstandigheden constant. Onderzoekers noemen die ene variabele factor de onafhankelijke variabele. Door de
onafhankelijke variabele op deze wijze te manipuleren, kan de onderzoeker bepalen of die factor het waargenomen effect
veroorzaakt. Zo is de afhankelijke variabele de variabele in de uitkomst die volgens onze hypothese het gevolg is van de
onafhankelijke variabele.
Bij het opzetten en uitvoeren van een experiment is er een probleem dat we moeten overdenken: het kiezen van de
deelnemers zodat de experimentele groep en de controlegroep in wezen gelijk zijn, met uitzondering van de experimentele
7
,behandeling die ze ontvangen. We willen vermijden dat we ten onrechte een al bestaand verschil aanzien voor het effect
van de onafhankelijke variabele. Een goede oplossing is randomisering, waarbij deelnemers uitsluitend volgens toeval in
een groep worden ingedeeld
De resultaten (data) analyseren en de hypothese accepteren of verwerpen
Als de onderzoeker de data verzameld heeft, bekijkt hij ze, om te zien of zijn hypothese de test heeft doorstaan of dat deze
moet worden verworpen. Deze stap vraagt om een vorm van wiskundige analyse, vooral als de uitkomst niet eenduidig is.
Met behulp van statistische methoden kan de onderzoeker berekenen of de waargenomen resultaten significant zijn of
niet, dat wil zeggen: of het waarschijnlijk is dat de resultaten van het experiment zijn
veroorzaakt door de onafhankelijke variabele of dat ze het gevolg zijn van toeval.
De resultaten publiceren, bekritiseren en repliceren
Tijdens de laatste stap van de wetenschappelijke methode moeten wetenschappers uitzoeken
of hun onderzoek bestand is tegen de kritische blik en het commentaar van de
wetenschappelijke wereld. Daartoe maken ze hun resultaten bekend bij collega’s door ze te
publiceren in een vakblad, er een lezing over te houden tijdens een wetenschappelijk congres of
door er een boek over te schrijven. Vervolgens is het wachten op reacties van critici.
Bij repliceren voeren onderzoekers een onderzoek opnieuw uit, om te zien of ze dezelfde
uitkomsten krijgen als in het oorspronkelijke onderzoek.
We moeten echter benadrukken dat wetenschappelijke resultaten altijd voorlopig zijn. Zolang
ze worden aangenomen, worden ze bedreigd door nieuw onderzoek dat een nieuwe
interpretatie vereist of dat eerder werk naar de wetenschappelijke schroothoop verwijst. De
wetenschappelijke methode is geen onfeilbaar systeem, maar het is de beste methode die is
ontwikkeld om ideeën over de werkelijkheid te testen. Als zodanig vormt deze methode een van
de grootste intellectuele prestaties van de mensheid.
1.3.2 Vijf soorten psychologisch onderzoek
Binnen de wetenschappelijke methode kan een onderzoeker op verschillende specifieke
manieren objectieve data verzamelen. Elke manier heeft voordelen en beperkingen. Een
belangrijke stap in een gedegen onderzoek is daarom dat je de methode selecteert die het
meest geschikt is voor jouw specifieke hypothese en middelen.
Experimenten
Net als het woord theorie heeft de term experiment een heel specifieke betekenis in de
wetenschap. Anders dan in de alledaagse aanduiding voor elk type formele of informele test,
slaat het wetenschappelijk gebruik van de term op een specifieke serie procedures om onder
streng gecontroleerde omstandigheden informatie te verzamelen. Het experiment staat bekend
als de enige onderzoeksmethode waarmee een betrouwbare oorzaak-en-gevolgrelatie
(causaliteit) kan worden vastgesteld. Als een hypothese dus zo is geformuleerd dat er een
oorzaak en gevolg wordt gesuggereerd is het experiment de beste optie om die bewering te
onderzoeken. In een experiment vergelijkt men twee groepen. Individuen die in de
experimentele situatie zitten, vormen dus de experimentele groep. Aan de andere kant is er een
controlegroep, die geen speciale behandeling krijgt. De controlegroep dient dus als standaard Figuur 3: Drie soorten correlatie
waarmee degenen in de experimentele groep worden vergeleken.
De experimentele methode wordt gezien als de gouden standaard voor het vinden van een relatie tussen oorzaak en
gevolg. Dit gebeurt door de onafhankelijke variabele te isoleren en alle andere condities van het experiment constant te
houden. Willekeurige toewijzing (randomisering) aan de experimentele en controlegroepen moet de vooraf bestaande
verschillen tussen de groepen tot een minimum beperken, zodat we er zo veel mogelijk op kunnen vertrouwen dat de
verschillen in uitkomst (de afhankelijke variabele) zijn te danken aan de gevolgen van de onafhankelijke variabele en niet
aan iets anders.
Correlatieonderzoek
Soms is de mate van controle die nodig is voor een zorgvuldig experiment om praktische of ethische redenen niet haalbaar.
Gelukkig is er een manier om dit probleem te omzeilen, al heb je dan de onderzoekscondities niet meer volledig onder
controle. Dit alternatief is een correlatieonderzoek. Bij correlatieonderzoek ga je in feite op zoek naar een ‘experiment’ dat
al toevallig, onopzettelijk, heeft plaatsgevonden in de wereld buiten het laboratorium. Vervolgens probeer je beide groepen
zo gelijk mogelijk te maken (qua leeftijd, gezinsinkomen, geslacht). Het grote nadeel van een correlatieonderzoek is dat je
nooit zeker weet of de groepen werkelijk op alle vlakken vergelijkbaar zijn. Omdat je de proefpersonen niet willekeurig aan
de twee groepen kunt toewijzen en omdat je de onafhankelijke variabele niet kunt manipuleren, weet je nooit zeker of de
omstandigheid die jou interesseert, de werkelijke oorzaak is van de effecten die je hebt waargenomen. De twee groepen
zouden wellicht van elkaar kunnen verschillen wat betreft een aantal variabelen die je over het hoofd hebt gezien. Het
8
,verwarren van correlatie met causaliteit is een van de meest gemaakte kritische denkfouten. Onderzoekers drukken de
mate van correlatie meestal uit als een getal dat we kennen als de correlatiecoëfficiënt, en dat vaak wordt aangegeven met
de letter r. De grootte van de correlatiecoëfficiënt vat de samenhang tussen de twee variabelen samen en hij ligt altijd
tussen –1,0 en +1,0. Als de variabelen geen enkele correlatie vertonen, is hun coëfficiënt 0. Als de twee variabelen een
samenhang vertonen waarbij ze in dezelfde richting variëren (dit betekent dat als de scores van de ene variabele toenemen,
die van de andere dat ook doen), zeggen we dat ze positief correleren. Als de ene variabele afneemt zodra de andere
toeneemt, zijn ze negatief gecorreleerd en staat er voor hun correlatiecoëfficiënt een minteken. Het is belangrijk op te
merken dat ook een negatieve correlatie kan betekenen dat er een sterke samenhang bestaat tussen variabelen.
Surveys
Als je geïnteresseerd bent in de standpunten, voorkeuren of meningen van een groep mensen kun je ze daar simpelweg
naar vragen met behulp van een ‘self-report’-techniek die survey wordt genoemd. Een survey houdt in dat mensen
gevraagd wordt een reactie te geven op een van tevoren vastgestelde lijst met vragen. Het voordeel van dit soort
onderzoek is dat je met relatief weinig moeite grote hoeveelheden respondenten kunt bereiken. De waarde van een survey
is echter sterk afhankelijk van de vraag of de respondenten eerlijke antwoorden geven en niet zozeer sociaal
wenselijke.Twee andere belangrijke factoren die van invloed zijn op de resultaten van een survey zijn de formulering van de
vragen (Zijn ze helder? Zijn ze suggestief?) en de steekproef (Hoe goed representeren de respondenten de groep die de
aandacht van de onderzoekers heeft?).
Natuurlijke observaties
Als een onderzoeker wil weten hoe individuen zich in hun natuurlijke omgeving gedragen, kan hij gebruikmaken van de
methode van natuurlijke observatie. Zo’n onderzoek kan op de meest uiteenlopende plekken plaatsvinden. Het is echter
belangrijk om te onthouden dat de omstandigheden waaronder het onderzoek wordt verricht, veel minder gecontroleerd
zijn dan bij een experiment, omdat de onderzoeker bij deze methode noch de condities in de hand heeft, noch in staat is de
onafhankelijke variabele te manipuleren.
Het voordeel van natuurlijke observatie is dat je de gedragingen ziet zoals ze zich op natuurlijke wijze voordoen. Dat levert
vaak inzichten op die je niet krijgt in een laboratorium. In sommige situaties is het ook goedkoper om gebruik te maken van
een natuurlijke omgeving in plaats van die proberen te reconstrueren in een laboratorium. Nadelen zijn bijvoorbeeld dat je
geen controle hebt over de omgeving, wat causale conclusies onmogelijk maakt, en dat een gedegen natuurlijke studie een
hoop tijd en geld kost.
Gevalstudie
gevalstudie (casestudy) richt zich op enkele personen (soms slechts één). Deze methode wordt over het algemeen alleen
gebruikt voor diepgaand onderzoek naar individuen met zeldzame stoornissen of ongewone talenten. Therapeuten die
casestudy’s gebruiken om theorieën te ontwikkelen over psychische stoornissen, noemen dit de klinische methode. De
nadelen van de gevalstudie liggen voor de hand: de methode is subjectief en door de geringe omvang van de onderzochte
groep zijn de conclusies niet automatisch van toepassing op andere individuen. Desondanks levert de gevalstudie soms
waardevolle inzichten op, die op geen enkele andere manier verkregen kunnen worden.
1.3.3 Vertekening in psychologisch onderzoek beperken
Door emotioneel beladen onderwerpen als deze kunnen biases naar voren komen, waardoor kritisch denken moeilijk is. Als
we hier niet op toezien, kan de bias van onderzoekers van invloed zijn op de wijze waarop ze een onderzoek opzetten,
gegevens verzamelen en resultaten interpreteren. Laten we eens naar twee vormen van bias kijken, waarvoor speciaal
moet worden opgelet bij onderzoek.
Emotionele bias betreft de gekoesterde aannames, sterke voorkeuren, ingebakken opvattingen of persoonlijke voorkeuren
van een individu. Ze zijn vaak niet duidelijk voor degene die zulke vertekeningen heeft. Gelukkig biedt de
wetenschappelijke methode, met de ruimte voor kritiek van collega’s en herhaling, een krachtig tegenwicht voor de
emotionele biases van een onderzoeker. Toch zouden onderzoekers er de voorkeur aan moeten geven hun biases te
identificeren en te controleren, voordat mogelijk onjuiste conclusies worden gepubliceerd.
Er is sprake van expectancy bias (verwachtingsbias) als de waarnemer verwacht – en daardoor op zoek gaat naar bewijzen –
dat bepaalde gebeurtenissen zullen leiden tot bepaalde resultaten (je kunt een sterke relatie zien met de confirmation bias,
die we eerder bespraken).
Deze bronnen van vertekening kunnen niet alleen leiden tot verkeerde conclusies, ze kunnen ook dure of zelfs gevaarlijke
gevolgen hebben. Je loopt namelijk het risico dat je onderzoek door jouw eigen vertekening wordt ‘vervuild’, net als door
de verwachtingen van andere betrokkenen.
Een veelgebruikte strategie om dit soort vertekeningen in de hand te houden, is door de deelnemers aan een experiment
‘blind’ te houden, dat wil zeggen, ze niet te vertellen of ze het werkelijke medicijn of een placebo krijgen. Een nog betere
strategie is een dubbelblindonderzoek, waarbij zowel de proefpersonen als de onderzoekers niet weten wie welke
behandeling krijgt.
9
, 1.3.4 Ethische kwesties in psychologisch onderzoek
Onderzoek kan ook te maken krijgen met serieuze ethische kwesties, zoals de mogelijkheid dat iemand gekwetst, gewond
of onnodig geagiteerd raakt door deelname aan een slecht uitgevoerd psychologisch onderzoek. Geen enkele onderzoeker
zal daar blij mee zijn, maar de grenzen van wat toelaatbaar is, zijn niet altijd duidelijk. Waar ligt de balans tussen de mate
van ongemak en de kennis die het onderzoek zal opleveren? Om psychologische onderzoekers een paar richtlijnen en
grenzen te bieden heeft het Nederlands Instituut van Psychologen een beroepscode opgesteld. Hierin staat dat
onderzoekers ethisch verplicht zijn hun proefpersonen te beschermen tegen potentieel schadelijke procedures. Bovendien
zijn onderzoekers verplicht de informatie die ze via het onderzoek hebben verkregen vertrouwelijk te behandelen.
Gegevens mogen alleen openbaar gemaakt worden als het recht op privacy van het individu niet wordt geschaad.
Geïnformeerde toestemming
Een belangrijke ethische richtlijn betreft het verkrijgen van geïnformeerde toestemming (informed consent), die geldt als
verzekering dat deelnemers vrijwillig meedoen aan het onderzoek.
Misleiding
Het gebruik van misleiding vormt een bijzonder taai probleem voor onderzoekers in de psychologie. Volgens het document
Ethical Principles van de American Psychological Association moet deelname aan onderzoeken vrijwillig en geïnformeerd
plaatsvinden. Proefpersonen wordt dus verteld met welke problemen ze te maken krijgen en ze moeten de mogelijkheid
hebben om uit de studie te stappen. De meeste onderzoekscentra hebben tegenwoordig commissies die daar streng
toezicht op houden en alle studies onderzoeken die binnen een instituut worden uitgevoerd, zoals een hogeschool,
universiteit of kliniek. Verder vereisen de richtlijnen dat er zo snel mogelijk een debriefing volgt na het onderzoek, om er
zeker van te zijn dat de deelnemers er geen langdurige schadelijke gevolgen van ondervinden. In een debriefing worden de
deelnemers op de hoogte gesteld van de misleiding en de reden daarvoor. Deelnemers kunnen dan desgewenst vragen
stellen en meer inzicht krijgen in het proces. Ondanks deze voorzorgsmaatregelen zijn er toch psychologen die bezwaar
maken tegen het gebruik van welke vorm van misleiding dan ook in psychologisch onderzoek.
Sociale media in onderzoek
Wat vind je van onderzoekers die aan de hand van Facebook, Twitter of Reddit informatie over je inwinnen? Of je het nu
leuk vindt of niet, het gebeurt wel, en zoals vaak het geval is met nieuwe technologieën, loopt het explosief gestegen
gebruik ervan ver vooruit op weloverwogen, geïnformeerde discussie en besluitvorming over de potentiële voor- en
nadelen. Het duurt vaak ook even voordat er voorzorgsmaatregelen genomen kunnen worden om gebruikers te
beschermen tegen mogelijke schade. De kernvraag is of gebruikers van sociale media risico’s lopen en of hun recht op
privacy en vertrouwelijkheid wordt geschonden als er onderzoek naar hen wordt gedaan. Geïnformeerde toestemming en
privacy zijn de twee aangelegenheden die in dit geval het meest in het oog springen. De Wet Bescherming
Persoonsgegevens vereist bijvoorbeeld dat mensen toestemming geven als de onderzoeker informatie inwint door
interactie met die personen of informatie inwint die persoonlijk en traceerbaar is. Net zoals er geen verwachting van
privacy is in een winkelcentrum, is die er ook niet op Twitter. Daarom worden er in deze gevallen geen ethische grenzen
overschreden.
Dierstudies
Een andere ethische kwestie speelt al lang rond het gebruik van proefdieren, zoals ratten, duiven en apen. Dieren zijn
aantrekkelijke onderzoeksobjecten, omdat ze een relatief eenvoudig zenuwstelsel hebben en het vaak gemakkelijk is om
grote aantallen onder gecontroleerde omstandigheden te houden. Dieren fungeren ook als alternatief voor mensen als een
procedure riskant of ronduit schadelijk wordt geacht, bijvoorbeeld wanneer er elektroden in de hersenen worden
geïmplementeerd om de afzonderlijke delen ervan te bestuderen. De American Psychological Association (APA, 2010) heeft
in het document Ethical Principles nog eens uitgebreid herhaald welke verplichtingen onderzoekers hebben om
laboratoriumdieren onder fatsoenlijke leefomstandigheden te houden en elk ongemak bij de dieren af te wegen tegen de
waarde van de informatie die met het onderzoek kan worden verkregen. In Nederland is het gebruik van proefdieren alleen
toegestaan als het onderzoek niet op een andere manier kan worden uitgevoerd. Een onderzoeker die van proefdieren
gebruik wil maken, heeft in principe twee vergunningen nodig: ten eerste moet de instelling waarvoor hij werkt – een
universiteit, hogeschool of bedrijf bijvoorbeeld – een algemene vergunning hebben van de Nederlandse Voedsel en
Warenautoriteit (NVWA). Ten tweede moet voor elk onderzoek een positief advies zijn afgegeven door een zogenoemde
Dierexperimentencommissie (DEC). In principe heeft elke vergunninghouder zijn eigen DEC, hoewel sommige instellingen
een DEC delen. In de aanvraag van zo’n advies staat precies gespecificeerd om wat voor soort onderzoek het gaat, welke
dieren erbij worden gebruikt en wat de procedures zullen zijn. Het advies van deze DEC’s is geheim. De laatste jaren is de
bezorgdheid over het gebruik van dieren als onderzoeksobjecten opnieuw op de voorgrond getreden. Als er in het
onderzoek pijnlijke of schadelijke ingrepen worden uitgevoerd voelen veel mensen zich daar bijzonder ongemakkelijk over.
Sommigen vinden dat de beperkingen strakker gehandhaafd moeten worden, vooral in studies met chimpansees of andere
mensachtige dieren. Anderen zijn van mening dat onderzoek op dieren ingeperkt of zelfs helemaal verboden zou moeten
worden, inclusief onderzoek op lagere diersoorten als naaktslakken (vaak gebruikt in neurologische studies). Hoewel veel
psychologen voorstander zijn van dieronderzoek, mits onder duidelijke voorwaarden, blijft de kwestie omstreden.
10