Samenvatting Psychologische
Functieleer 2, 2e jr bachelor
psychologie
geschreven door:
sjorsvd
De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Op Stuvia vind je het grootste aanbod aan samenvattingen en collegeaantekeningen. De
documenten zijn geschreven door jouw medestudenten, specifiek voor jouw opleiding!
www.stuvia.com
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Psychologische functieleer II 2011-2012 Samenvatting boek
Deel I: Taal
Hoofdstuk 1: Wat is taal?
1.1: Universele taalkenmerken
In onderzoek van talen zijn een aantal gemeenschappelijke kenmerken ontdekt. Hockett noemt er 13
die specifiek zijn voor menselijke taal. De belangrijkste zijn:
Betekenisoverdracht: Spraakklanken worden op communicatieve wijze gebruikt
Willekeurigheid: De relatie tussen teken en betekende is arbitrair
Flexibiliteit: Symbolen kunnen door hun arbitraire aard kunnen worden vervangen door
andere (afkortingen, betekeniswijziging)
Benoembaarheid: Alles kan een naam krijgen
Productiviteit: Met weinig elementen kunnen een quasi-oneindig aantal betekenissen
worden uitgedrukt
Ongebondenheid: Taaluitingen zijn niet gebonden aan een tijd of plaats
Om een gemeenschappelijk systeem van tekens een taal kunnen te kunne noemen, gelden ook een
aantal restricties:
1. De tekens worden steeds geconstrueerd op basis van een beperkt aantal elementen
2. De tekens worden op volledig arbitraire wijze verbonden met betekenissen
3. De tekens kunnen op talloze manieren worden gecombineerd tot uitdrukkingen van
gedachten en gevoelens
1.2: Analyseniveaus
Taal is een bijzonder complex medium en wordt daarom op meerdere niveaus bestudeerd. Ieder
niveau heeft een bepaalde ambiguïteit. De belangrijkste niveaus voor de psychologie zijn:
1. Fonologisch niveau: Spraakklanken (fonemen). Deze zijn soms voor meerdere interpretaties
vatbaar.
2. Lexicaal niveau: Spraakklanken worden gecombineerd tot woorden (lexemen).
3. Syntactisch niveau: Woorden worden gecombineerd tot zinnen. Deze drukken niet altijd de
betekenis juist uit.
4. Semantisch niveau: Een uiting verwijst naar een betekenis. Deze betekenis kan dubbelzinnig
zijn.
5. Pragmatisch niveau: Taal wordt niet altijd gebruikt om betekenis op een directe manier over
te brengen.
6. Niveau van conceptuele kennis: Kennis is belangrijk voor memorisatie en begrijpen.
7. Niveau van geloof: Niet elke taaluiting wordt zonder meer aangenomen. Beweringen sluiten
niet altijd aan bij wat de luisteraar weet of diens geloof- en waardensysteem.
1.3: Een belangrijk onderscheid
Bij de studie van taalprocessen ligt het voor de hand om beroep te doen op linguïstische kennis,
echter richten linguïsten zich op het beschrijven van een systeem van regels waaraan taaluitingen
beantwoorden. Of de gebruikers van de taal deze regels ook volgen houden linguïsten zich niet mee
bezig, maar voor de psychologie is dit het belangrijkste aspect. Hierdoor maakte Chomksy een
onderscheid. Hij noemde competentie als term voor het geheel van declaratieve en procedurele
kennis nodig voor een bepaalde vaardigheid (morfologische en syntactische regels, grammatica) en
performantie als term voor de vaardigheid die door de gebruikers van de taal tot uiting worden
gebracht. Er is een limiet aan de menselijke verwerkingsmogelijkheid die zorgt dat competentie niet
altijd tot uitdrukking komt in de performantie. Psychologie (psycholinguïstiek) richt zich op de relatie
tussen deze twee.
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Psychologische functieleer II 2011-2012 Samenvatting boek
1.4: De Whorf-mythe
Het onderzoek naar taalprocessen is sterk beïnvloed door de linguïstische relativiteitshypothese,
oftewel de Whorf-Sapir hypothese. Deze hypothese stelt dat taal ons denken over de wereld mede
bepaalt, of zelfs onze denkmogelijkheden bepaalt. Dit moet in brede context worden gezien. Taal
heeft wel een invloed op ons denken, maar dit is eerder accidenteel (door taaleigenschappen) dan
centraal. Bovendien kan men ook denken en cognitieve taken uitvoeren zonder een taal (bijv.
doofstommen).
Hoofdstuk 2: Lezen
2.1: Inleiding
Lezen is het visueel waarnemingsproces waarbij mensen geschreven tekst in betekenis omzetten. Bij
begrijpend lezen is het primaire doel het achterhalen van de betekenis. Bij technisch lezen is het
primaire doel verklanken van de geschreven tekst. Doorgaans komen beide tegelijk. Bij hardop lezen
worden ook woordbetekenissen geactiveerd en bij stillezen worden de woorden ook verklankt.
De ogen bewegen veel tijdens het lezen. De bewegingen die worden gemaakt zijn:
Saccades: Korte sprongen tijdens het volgen van de tekst
Fixaties: Momenten van stilstand tijdens het volgen van de tekst
Terugslag: Grote sprong van het einde van de ene regel naar het begin van de volgende
Regressies: Oogsprongen naar een eerder deel van de tekst, meestal binnen dezelfde zin of
regel.
Van ieder woord wordt de betekenis opgehaald uit het langetermijngeheugen, vervolgens worden
deze betekenissen samengebracht tot een geheel. De processen van woordherkenning en
woordidentificatie leunen sterk aan bij visuele objectherkenning en het herkenningsgeheugen.
Zinnen worden begrepen als betekeniseenheden, waarbij de betekenissen van woorden op basis van
woordorde en grammatica worden gekoppeld. De lezer moet ook een representatie opbouwen van
de tekst als geheel, waarbij kortetermijngeheugen en werkgeheugen ondersteunen. Dit zijn dezelfde
processen als het begrijpen van gesproken taal.
2.1.1: Schrijfsystemen
In de westerse cultuur zijn we vertrouwd met een alfabetisch schrift waarin elk teken voor een
spraakklank staat. De westerse talen onderling verschillen sterk in de mate waarin aan dit
principe wordt voldaan. Andere schrijfsystemen zijn het logografisch systeem (bijv. Chinees),
waarin ieder teken een idee, object gebeurtenis of handeling voorstelt, en het syllabisch
systeem (bijv. sommige Japanse schriften), waarbij ieder teken naar een lettergreep verwijst.
Alle systemen hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken:
1. De regels met tekens lopen parallel aan elkaar
2. Het schrift wordt in een vaste richting gelezen
3. De tekens hebben een vaste oriëntatie
4. De schrifttekens hebben allemaal ongeveer dezelfde grootte
5. De tekens worden gescheiden door open plaatsen
Wat betreft efficiënte in het verwerven van leesvaardigheid in de verschillende systemen
vonden Gibson & Levin geen verschil bij geoefende lezers, maar wel in leerbaarheid. Hoe
sterker de klank-woord correspondentie in een taal, hoe minder leesmoeilijkheden.
2.2: Lezen als visueel-perceptueel proces
2.2.1: Visuele waarneming: het oog
Visuele perceptie is gebaseerd op ontvangst van lichtstralen door de ogen. Licht bestaat uit
lichtgolven met verschillende golflengtes (700 tot 400 nanometer). Lichtgolven vertrekken
vanuit allerlei lichtbronnen en worden op oppervlakten weerkaatst of doorgelaten. In een
kamer zijn dus allerlei lichtgolven in allerlei richtingen (divergentie). Vanuit het oog bestaat de
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Psychologische functieleer II 2011-2012 Samenvatting boek
kamer uit allerlei lichtgolven die samenvallen op het oog (convergentie). Licht komt binnen via
het hoornvlies en een deel gaat door de pupil. Licht wordt daarna gebroken door het
glasachtig lichaam en komt neer op het netvlies (retina). Daar bevinden zich kegeltjes voor
dagwaarneming en staafjes voor nachtwaarneming. Kegeltjes nemen alleen kleur waar en
bevinden zich vooral in de fovea. Staafjes komen niet voor in de fovea maar wel in grote mate
in de zones erbuiten. In de fovea (1mm breed) wordt een scherp beeld geregistreerd. In de
parafoveale zone (4mm rond fovea) neemt de scherpte van het beeld geleidelijk af. Daarbuiten
is het beeld zwak. Om voortdurend een scherp beeld te hebben zijn oogbewegingen nodig.
2.2.2: Oogbewegingen
Er kunnen verschillende soorten oogbewegingen onderscheiden worden:
Volgbewegingen: Trage bewegingen waarbij een voorwerp of punt gevolgd wordt. De
bedoeling is een projectie van het doel in de fovea te houden.
Convergenties: De ogen draaien naar het centrum van het gezichtsveld om een
voorwerp te volgen dat steeds dichterbij komt.
Divergenties: De ogen draaien naar buiten om een object te volgen dat uit het
centrale gezichtsveld verdwijnt.
Fixaties: Beide ogen blijven gedurende een zekere tijd op hetzelfde stilstaande doel
gericht.
Tijdens fixatie staan de ogen niet perfect stil. Tremor zijn kleine frequente trillengen
rond het fixatiepunt. Drift is een langzame afglijding weg van het fixatiepunt.
Saccades: Oogsprongen om een nieuw fixatiepunt te vinden.
2.2.3: Registratie van oogbewegingen
Er is speciale apparatuur ontwikkeld om oogbewegingen nauwkeurig te kunnen registreren. Bij
de corneale reflectiemethode wordt infrarood licht naar het oog gestuurd. Door de beweging
van het oog verandert het patroon van weerkaatsing dat registratieapparatuur opvangt. Men
registreert hier oogoriëntatie. Om te weten welk deel van een stimulus op de fovea
gereflecteerd wordt maakt men gebruik van een calibratieprocedure, waarbij de proefpersoon
op een aantal punten moet fixeren op een raster waarmee men de correspondentie tussen
stimuluspunten en oogoriëntatie bepalen. Bij dit soort procedures wordt het hoofd soms
vastgeklemd om storing van hoofdbewegingen uit te sluiten.
2.2.4: Oogbewegingen en lezen
Lezen is een afwisseling van fixaties en saccades. Tijdens saccades is geen waarneming
mogelijk, omdat het oog te snel beweegt. Saccades worden automatisch uitgelokt door
ruimtelijke verschuivingen. Het duurt ongeveer 150-160ms voordat een saccade wordt
uitgevoerd nadat een stimulus de aandacht heeft getrokken. Ook endogene controle kan als
basis dienen voor een saccade, hierbij duurt het ongeveer 190-200ms voor de saccade wordt
uitgevoerd.
2.3: Cognitieve controle over oogbewegingen
Er zijn twee grote opvattingen over wat er gebeurd tijdens een fixatie. De post fixation processing
hypothese gaat er van uit dat verwerking na de fixatie plaatsvindt. Deze visie kan echter niet
verklaren waarom een tekst met hoogfrequente woorden sneller wordt gelezen. De meeste
onderzoekers nemen daarom aan dat lezen een online proces is, waarbij informatie direct wordt
verwerkt. Onderzoek naar leesgedrag middels oogbewegingen is gebaseerd op de assumptie van
onmiddellijkheid (onmiddellijke interpretatie van elke gelezen tekstpassage) en de eye-mind
assumptie (het oog blijft gefixeerd zolang verwerking van het woord bezig is). Deze assumpties
bieden echter geen antwoord op de vraag op grond van welke informatie het lezen wordt
aangestuurd. De eenvoudigste verklaring is dat er geen cognitieve controle mogelijk is. De
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
Functieleer 2, 2e jr bachelor
psychologie
geschreven door:
sjorsvd
De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Op Stuvia vind je het grootste aanbod aan samenvattingen en collegeaantekeningen. De
documenten zijn geschreven door jouw medestudenten, specifiek voor jouw opleiding!
www.stuvia.com
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Psychologische functieleer II 2011-2012 Samenvatting boek
Deel I: Taal
Hoofdstuk 1: Wat is taal?
1.1: Universele taalkenmerken
In onderzoek van talen zijn een aantal gemeenschappelijke kenmerken ontdekt. Hockett noemt er 13
die specifiek zijn voor menselijke taal. De belangrijkste zijn:
Betekenisoverdracht: Spraakklanken worden op communicatieve wijze gebruikt
Willekeurigheid: De relatie tussen teken en betekende is arbitrair
Flexibiliteit: Symbolen kunnen door hun arbitraire aard kunnen worden vervangen door
andere (afkortingen, betekeniswijziging)
Benoembaarheid: Alles kan een naam krijgen
Productiviteit: Met weinig elementen kunnen een quasi-oneindig aantal betekenissen
worden uitgedrukt
Ongebondenheid: Taaluitingen zijn niet gebonden aan een tijd of plaats
Om een gemeenschappelijk systeem van tekens een taal kunnen te kunne noemen, gelden ook een
aantal restricties:
1. De tekens worden steeds geconstrueerd op basis van een beperkt aantal elementen
2. De tekens worden op volledig arbitraire wijze verbonden met betekenissen
3. De tekens kunnen op talloze manieren worden gecombineerd tot uitdrukkingen van
gedachten en gevoelens
1.2: Analyseniveaus
Taal is een bijzonder complex medium en wordt daarom op meerdere niveaus bestudeerd. Ieder
niveau heeft een bepaalde ambiguïteit. De belangrijkste niveaus voor de psychologie zijn:
1. Fonologisch niveau: Spraakklanken (fonemen). Deze zijn soms voor meerdere interpretaties
vatbaar.
2. Lexicaal niveau: Spraakklanken worden gecombineerd tot woorden (lexemen).
3. Syntactisch niveau: Woorden worden gecombineerd tot zinnen. Deze drukken niet altijd de
betekenis juist uit.
4. Semantisch niveau: Een uiting verwijst naar een betekenis. Deze betekenis kan dubbelzinnig
zijn.
5. Pragmatisch niveau: Taal wordt niet altijd gebruikt om betekenis op een directe manier over
te brengen.
6. Niveau van conceptuele kennis: Kennis is belangrijk voor memorisatie en begrijpen.
7. Niveau van geloof: Niet elke taaluiting wordt zonder meer aangenomen. Beweringen sluiten
niet altijd aan bij wat de luisteraar weet of diens geloof- en waardensysteem.
1.3: Een belangrijk onderscheid
Bij de studie van taalprocessen ligt het voor de hand om beroep te doen op linguïstische kennis,
echter richten linguïsten zich op het beschrijven van een systeem van regels waaraan taaluitingen
beantwoorden. Of de gebruikers van de taal deze regels ook volgen houden linguïsten zich niet mee
bezig, maar voor de psychologie is dit het belangrijkste aspect. Hierdoor maakte Chomksy een
onderscheid. Hij noemde competentie als term voor het geheel van declaratieve en procedurele
kennis nodig voor een bepaalde vaardigheid (morfologische en syntactische regels, grammatica) en
performantie als term voor de vaardigheid die door de gebruikers van de taal tot uiting worden
gebracht. Er is een limiet aan de menselijke verwerkingsmogelijkheid die zorgt dat competentie niet
altijd tot uitdrukking komt in de performantie. Psychologie (psycholinguïstiek) richt zich op de relatie
tussen deze twee.
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Psychologische functieleer II 2011-2012 Samenvatting boek
1.4: De Whorf-mythe
Het onderzoek naar taalprocessen is sterk beïnvloed door de linguïstische relativiteitshypothese,
oftewel de Whorf-Sapir hypothese. Deze hypothese stelt dat taal ons denken over de wereld mede
bepaalt, of zelfs onze denkmogelijkheden bepaalt. Dit moet in brede context worden gezien. Taal
heeft wel een invloed op ons denken, maar dit is eerder accidenteel (door taaleigenschappen) dan
centraal. Bovendien kan men ook denken en cognitieve taken uitvoeren zonder een taal (bijv.
doofstommen).
Hoofdstuk 2: Lezen
2.1: Inleiding
Lezen is het visueel waarnemingsproces waarbij mensen geschreven tekst in betekenis omzetten. Bij
begrijpend lezen is het primaire doel het achterhalen van de betekenis. Bij technisch lezen is het
primaire doel verklanken van de geschreven tekst. Doorgaans komen beide tegelijk. Bij hardop lezen
worden ook woordbetekenissen geactiveerd en bij stillezen worden de woorden ook verklankt.
De ogen bewegen veel tijdens het lezen. De bewegingen die worden gemaakt zijn:
Saccades: Korte sprongen tijdens het volgen van de tekst
Fixaties: Momenten van stilstand tijdens het volgen van de tekst
Terugslag: Grote sprong van het einde van de ene regel naar het begin van de volgende
Regressies: Oogsprongen naar een eerder deel van de tekst, meestal binnen dezelfde zin of
regel.
Van ieder woord wordt de betekenis opgehaald uit het langetermijngeheugen, vervolgens worden
deze betekenissen samengebracht tot een geheel. De processen van woordherkenning en
woordidentificatie leunen sterk aan bij visuele objectherkenning en het herkenningsgeheugen.
Zinnen worden begrepen als betekeniseenheden, waarbij de betekenissen van woorden op basis van
woordorde en grammatica worden gekoppeld. De lezer moet ook een representatie opbouwen van
de tekst als geheel, waarbij kortetermijngeheugen en werkgeheugen ondersteunen. Dit zijn dezelfde
processen als het begrijpen van gesproken taal.
2.1.1: Schrijfsystemen
In de westerse cultuur zijn we vertrouwd met een alfabetisch schrift waarin elk teken voor een
spraakklank staat. De westerse talen onderling verschillen sterk in de mate waarin aan dit
principe wordt voldaan. Andere schrijfsystemen zijn het logografisch systeem (bijv. Chinees),
waarin ieder teken een idee, object gebeurtenis of handeling voorstelt, en het syllabisch
systeem (bijv. sommige Japanse schriften), waarbij ieder teken naar een lettergreep verwijst.
Alle systemen hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken:
1. De regels met tekens lopen parallel aan elkaar
2. Het schrift wordt in een vaste richting gelezen
3. De tekens hebben een vaste oriëntatie
4. De schrifttekens hebben allemaal ongeveer dezelfde grootte
5. De tekens worden gescheiden door open plaatsen
Wat betreft efficiënte in het verwerven van leesvaardigheid in de verschillende systemen
vonden Gibson & Levin geen verschil bij geoefende lezers, maar wel in leerbaarheid. Hoe
sterker de klank-woord correspondentie in een taal, hoe minder leesmoeilijkheden.
2.2: Lezen als visueel-perceptueel proces
2.2.1: Visuele waarneming: het oog
Visuele perceptie is gebaseerd op ontvangst van lichtstralen door de ogen. Licht bestaat uit
lichtgolven met verschillende golflengtes (700 tot 400 nanometer). Lichtgolven vertrekken
vanuit allerlei lichtbronnen en worden op oppervlakten weerkaatst of doorgelaten. In een
kamer zijn dus allerlei lichtgolven in allerlei richtingen (divergentie). Vanuit het oog bestaat de
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Psychologische functieleer II 2011-2012 Samenvatting boek
kamer uit allerlei lichtgolven die samenvallen op het oog (convergentie). Licht komt binnen via
het hoornvlies en een deel gaat door de pupil. Licht wordt daarna gebroken door het
glasachtig lichaam en komt neer op het netvlies (retina). Daar bevinden zich kegeltjes voor
dagwaarneming en staafjes voor nachtwaarneming. Kegeltjes nemen alleen kleur waar en
bevinden zich vooral in de fovea. Staafjes komen niet voor in de fovea maar wel in grote mate
in de zones erbuiten. In de fovea (1mm breed) wordt een scherp beeld geregistreerd. In de
parafoveale zone (4mm rond fovea) neemt de scherpte van het beeld geleidelijk af. Daarbuiten
is het beeld zwak. Om voortdurend een scherp beeld te hebben zijn oogbewegingen nodig.
2.2.2: Oogbewegingen
Er kunnen verschillende soorten oogbewegingen onderscheiden worden:
Volgbewegingen: Trage bewegingen waarbij een voorwerp of punt gevolgd wordt. De
bedoeling is een projectie van het doel in de fovea te houden.
Convergenties: De ogen draaien naar het centrum van het gezichtsveld om een
voorwerp te volgen dat steeds dichterbij komt.
Divergenties: De ogen draaien naar buiten om een object te volgen dat uit het
centrale gezichtsveld verdwijnt.
Fixaties: Beide ogen blijven gedurende een zekere tijd op hetzelfde stilstaande doel
gericht.
Tijdens fixatie staan de ogen niet perfect stil. Tremor zijn kleine frequente trillengen
rond het fixatiepunt. Drift is een langzame afglijding weg van het fixatiepunt.
Saccades: Oogsprongen om een nieuw fixatiepunt te vinden.
2.2.3: Registratie van oogbewegingen
Er is speciale apparatuur ontwikkeld om oogbewegingen nauwkeurig te kunnen registreren. Bij
de corneale reflectiemethode wordt infrarood licht naar het oog gestuurd. Door de beweging
van het oog verandert het patroon van weerkaatsing dat registratieapparatuur opvangt. Men
registreert hier oogoriëntatie. Om te weten welk deel van een stimulus op de fovea
gereflecteerd wordt maakt men gebruik van een calibratieprocedure, waarbij de proefpersoon
op een aantal punten moet fixeren op een raster waarmee men de correspondentie tussen
stimuluspunten en oogoriëntatie bepalen. Bij dit soort procedures wordt het hoofd soms
vastgeklemd om storing van hoofdbewegingen uit te sluiten.
2.2.4: Oogbewegingen en lezen
Lezen is een afwisseling van fixaties en saccades. Tijdens saccades is geen waarneming
mogelijk, omdat het oog te snel beweegt. Saccades worden automatisch uitgelokt door
ruimtelijke verschuivingen. Het duurt ongeveer 150-160ms voordat een saccade wordt
uitgevoerd nadat een stimulus de aandacht heeft getrokken. Ook endogene controle kan als
basis dienen voor een saccade, hierbij duurt het ongeveer 190-200ms voor de saccade wordt
uitgevoerd.
2.3: Cognitieve controle over oogbewegingen
Er zijn twee grote opvattingen over wat er gebeurd tijdens een fixatie. De post fixation processing
hypothese gaat er van uit dat verwerking na de fixatie plaatsvindt. Deze visie kan echter niet
verklaren waarom een tekst met hoogfrequente woorden sneller wordt gelezen. De meeste
onderzoekers nemen daarom aan dat lezen een online proces is, waarbij informatie direct wordt
verwerkt. Onderzoek naar leesgedrag middels oogbewegingen is gebaseerd op de assumptie van
onmiddellijkheid (onmiddellijke interpretatie van elke gelezen tekstpassage) en de eye-mind
assumptie (het oog blijft gefixeerd zolang verwerking van het woord bezig is). Deze assumpties
bieden echter geen antwoord op de vraag op grond van welke informatie het lezen wordt
aangestuurd. De eenvoudigste verklaring is dat er geen cognitieve controle mogelijk is. De
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.