Rigter, J. & van Hintum, M. Ontwikkelingspsychopathologie bij kinderen en jeugdigen:
hoofdstuk 2, 3, 7 en 12.
Hoofdstuk 2
Classificatie, diagnostiek en epidemiologie
Classificatiesystemen worden gebruikt om gedragingen van kinderen te beschrijven, van elkaar te
onderscheiden en in te delen in verschillende categorieën. Op grond van kennis, opvattingen en
praktijkervaring kan een gespecialiseerde hulpverlener deze categorieën verbinden met psychische
stoornissen.
Epidemiologisch onderzoek: hoeveel kinderen hebben de stoornis
- Het is onderzoek naar het voorkomen en de verspreiding van psychische en lichamelijke ziekten onder
de bevolking.
- Epidemiologische onderzoekers proberen ook een samenhang te vinden tussen het voorkomen van
een stoornis en specifieke factoren, door iemand naar bepaalde ervaringen en/of gedrag te vragen.
Classificeren: het in kaart brengen van mogelijk problematisch gedrag
Diagnosticeren: het proberen te begrijpen te verklaren van dat gedrag
2.2 Classificatie
Bij psychische aandoeningen is het ingewikkeld om te classificeren, omdat:
1. Nog geen duidelijke oorzaken voor zijn gevonden.
2. Culturele en persoonlijke opvattingen een grote rol spelen bij het beoordelen van het gedrag.
In de psychopathologie wordt onderscheid gemaakt tussen grote groepen stoornissen, zoals
gedragsstoornissen, psychotische stoornissen en angststoornissen.
Binnen deze groep subgroepen: angststoornissen worden onderverdeeld in de paniekstoornis, de
agorafobie, de specifieke fobie en de separatieangststoornis.
De DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders)
- Handboek waarin een classificatiesysteem voor psychische stoornissen, dat kan helpen bij het stellen
van een diagnose staat.
- DSM 1: richtte zich op psychoanalytische theorieën en aandacht voor minder ernstige stoornissen.
- DSM 3: hulpverleners gingen wereldwijd dezelfde criteria gebruiken om stoornissen te categoriseren.
- DSM 5: gebaseerd op gemaakte afspraken over een stoornis.
Uitgangspunten van de DSM
- Kijk welke symptomen bij welke stoornis horen.
Observeren
Symptomen beschrijven en niet verklaren.
- De DSM beschrijft ook welk aantal symptomen in welke mate en gedurende welk termijn aanwezig
moet zijn wil er sprake zijn van een stoornis.
Hoe meer symptomen, hoe erger de stoornis.
- De symptomen moeten al een bepaalde tijd of vanaf een bepaald moment aanwezig zijn.
Dit verschilt per stoornis
- In welke mate beïnvloed de stoornis negatief.
Groepen stoornissen in de DSM 5
- Ruim 300 stoornissen
Comorbiditeit: meer stoornissen tegelijk
- Kinderen hebben vaak meerdere stoornissen tegelijk.
Oorzaak: ongezonde gewoonten; roken, blowen, alcoholmisbruik.
Oorzaak: wetenschappers steeds verfijndere classificatiesystemen maken: ze delen gedrag steeds
verder op in specifieke onderdelen waaraan ze een begrip koppelen.
- Psychische stoornissen komen niet alleen vaak tegelijk voor, maar gaan ook vaak samen met
lichamelijke klachten (hoofdpijn, astma).
,Kritiek op de DSM
- Houdt onvoldoende rekening met de ontwikkelingscontext waarin een stoornis is ontstaan. De
kenmerken van een psychische stoornis kunnen veranderen als een kind ouder wordt, en ze kunnen
ook anders zijn voor jongens en meisjes.
- DSM houdt weinig rekening met de culturele context.
Een dimensionale benadering van classificatie
De DSM5 bevat zowel categoriale als dimensionale indelingen.
Dimensionaal Categoriaal
De mate van de ernst: die is afhankelijk van de ernst Symptomen zijn wel of niet voldoende aanwezig
van de symptomen en de hoeveelheid symptomen.
Gemeten met de CBL-vragenlijst - Grote mondiale verspreiding
- Sluit beter aan bij - Beter in het opsporen van zeldzame
ontwikkelingspsychopathologische ideeën stoornissen
- Gaat ervan uit dat er geen harde criteria
bestaat voor psychische stoornissen.
- Betrekt ook ouders en andere opvoeders
erbij over opvattingen.
- De meest gebruikte dimensionale vragenlijst is de CBCL, die bestaat uit 120 uitspraken.
Voor elke leeftijdscategorie en geslacht aparte vragen.
Ouders, leerkrachten vullen lijsten ook in.
2.3 Diagnostiek
Bij een diagnostiek gaat het om 3 ‘waarom-vragen’:
1. Waarom heeft dit kind deze klachten op dit moment gekregen?
2. Waarom blijven juist deze problemen en klachten bestaan?
3. Wat zegt het over dit kind en zijn gezin dat deze problemen zijn ontstaan en blijven bestaan?
- De diagnose is een aanzet om te kunnen verklaren en begrijpen wat hulpverleners zien bij een kind.
Daarbij maken ze gebruik van (wetenschappelijke) inzichten
- Classificatie kan een eerste aanzet geven voor behandeling, door bijvoorbeeld algemene kennis te
gebruiken over wat werkt bij ADHD.
- Classificatie kan een eerste aanzet geven voor behandeling. Een diagnose is nodig om op een kind
toegespitste hulpverlening te geven.
- Grote kans op psychische problemen tussen 11 en 13 jaar (ontwikkeling pubertijd).
Verschillen tussen classificatie en diagnostiek
Classificatie Diagnostiek
Wat (wat is er aan de hand)? Hoe (Hoe is dat zo gekomen)?
Algemene kennis Specifieke kennis
Beschrijvend Verklarend
Betreft groepen Betreft een individu
Gedragskenmerken Zijn meerdere niveaus van de persoon en context bij
betrokken
Relatief snel te stellen Tijdrovend proces
Geeft enige richting aan hulpverlening Is voorwaardelijk voor (goede) hulpverlening
Classificatie: is een persoon herkennen, er een naam aan geven, en indelen in een categorie. Bij
Psychopathologie gaat het daarbij om de kenmerken van iemands gedrag en belevingen.
, Diagnose: Als een gespecialiseerde hulpverlener op grond van een combinatie van gedragskenmerken een
stoornis bij een kind vaststelt, noemen we dat een diagnose.
Een aanzet om te kunnen verklaren en begrijpen wat hulpverleners zien bij een kind.
Classificatie en diagnose zijn in de praktijk meestal met elkaar verweven.
Classificatie is onvoldoende om te weten welke hulp iemand nodig heeft. Daarvoor is ook diagnostiek nodig.
2.4 Diagnostische methoden en instrumenten
Om psychische problemen in kaart te brengen, kunnen hulpverleners vragenlijsten, gesprekken, interviews en
observaties gebruiken. Soms lopen die methoden in elkaar over.
Diagnostische methoden
1. Het diagnostische gesprek
Gaat om 3 dingen: luisteren, vragen stellen en observeren.
Hulpverleners moeten zich kunnen verplaatsen in de ander, begrijpen en aanvoelen wat deze
meemaakt, en openstaan voor zijn verhaal.
Het diagnostisch en hulpverleningsproces begint met een (intake)gesprek, dat vrijwel altijd wordt
gevoerd door een psychiater of psycholoog.
Deze neemt een anamnese af: hij brengt de voorgeschiedenis van de problemen in kaart op grond van
informatie die hij krijgt van ouders en kind.
Na dit gesprek kan een (diagnostisch) interview volgen bijvoorbeeld DISC.
2. Observeren
Observeren is doelgericht, opzettelijk en systematisch waarnemen
3. Psychodiagnostiek
Het psychodiagnostische onderzoek wordt gedaan door een gespecialiseerde psycholoog. Deze
maakt gebruik van vragenlijsten, testen en beoordelingsschalen.
Bij de psychodiagnostiek worden functietesten gebruikt: testen die bijvoorbeeld intelligentie,
concentratie en geheugen meten.
Er worden ook zelf-invullijsten gebruikt om te kunnen vaststellen in welke mate een psychisch
kenmerk of probleem aanwezig is. Bijvoorbeeld: de CBGL.
Daarnaast wordt soms gebruikgemaakt van projectieve testen, waarbij een kind bijvoorbeeld
reageert op een plaatje.
4. Lichamelijk onderzoek
Alleen een arts mag lichamelijk onderzoek doen en bloed- of urineonderzoek aanvragen.
Zulk onderzoek wordt gedaan om uit te sluiten dat een psychisch probleem eigenlijk een
lichamelijk probleem is.
Betrouwbaar: wanneer meerdere mensen hetzelfde concluderen, omdat verschillende mensen met een
verschillende achtergrond tot dezelfde conclusie komen.
Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: de verschillende onderzoekers zijn het met elkaar eens.
Test-her-testbetrouwbaarheid: een uitspraak geldig voor een langere periode.
Valide: een betrouwbare uitspraak hoeft nog niet valide (geldig of waar) te zijn.
Voorbeeld: een jongetje van niet-Nederlandssprekende ouders op school praat nauwelijks en kan
niet goed spellen en niets te snappen. Verschillende hulpverleners kunnen dan concluderen dat
hij een lichte verstandelijke handicap heeft: een betrouwbare uitspraak.
2.5 Epidemiologie
Verzamelen van kennis over wat normaal is en de afwijking daarvan.
- De epidemiologie werkt veel met het begrip prevalentie: het percentage van een groep kinderen (of
volwassenen) dat een bepaalde stoornis heeft op een bepaald moment in de tijd. Prevalentie wordt
uitgedrukt in een percentage van een bepaalde groep.
Je hebt prevalentie die het voorkomen van ziekten of stoornissen in een bepaalde periode meet,
zoals een maand, een jaar, of ooit in het leven.
Puntprevalentie: het voorkomen van stoornissen op een bepaald moment.
Prevalentie moet je niet verwarren met incidentie: het aantal nieuwe ziektegevallen in een
bepaalde periode.