Klinische Praktijk, Klinische Psychologie
Aantekeningen HC1................................................................................................................................2
Aantekeningen literatuur week 1...........................................................................................................3
Aantekeningen HC2................................................................................................................................6
Aantekeningen literatuur week 2...........................................................................................................8
Aantekeningen HC3.............................................................................................................................12
Aantekeningen literatuur week 3.........................................................................................................15
Aantekeningen HC4..............................................................................................................................16
Aantekeningen literatuur week 4.........................................................................................................18
Aantekeningen HC5.............................................................................................................................20
Aantekeningen literatuur week 5.........................................................................................................20
Aantekeningen HC6..............................................................................................................................21
Aantekeningen literatuur week 6.........................................................................................................22
Aantekeningen HC7..............................................................................................................................23
Aantekeningen literatuur week 7........................................................................................................25
..........................................................................................................................................................25
,Aantekeningen HC1
Diagnostisch proces; bestaat meestal uit 3 verschillende rollen; diagnosticus (= testen), psychiater (=
DSM) en therapeut (= behandeling). Deze drie rollen kunnen in één persoon zitten maar ook in
verschillende.
Diagnostiek;
1. Theorievorm over gedragingen, cognities en emoties/motivaties (= hypothese vormen)
2. Operationalisatie en metingen van problemen/ klachten (= keuze maken over instrumenten)
3. Toepassing van relevante diagnostische methodes
Er moet gekeken worden naar het gehele verhaal dus het biopsychosociaal model. Er wordt dus
gekeken naar het biologische, psychologische en sociale model.
Vijf basisvragen binnen de diagnostiek;
1. Onderkenning; wat zijn de problemen? Onderkenningsvragen kunnen op verschillende
manieren meetbaar gemaakt worden;
i) Criteriumgericht; een vooraf bepaalde standaard
ii) Normgericht; een representatieve vergelijkingsgroep
iii) Ipsatief; er wordt gekeken naar het individu zelf bv. een eerder moment
2. Verklaring; waarom, wat houdt de problemen in stand? Er kunnen verschillende soorten
bronnen zijn;
i) Persoonsgericht/ situatiegericht
(1) Persoonsgericht; bv. overgevoeligheid voor geluiden, extreme verlegenheid
(2) Situatiegericht; bv. overvolle klas, omgevingsdruk om extrovert gedrag uit te oefenen
ii) Aard van de controle/ oorzaak
(1) Aarde van controle; bv. vallen uit een boom door roekeloosheid bij het plukken van
een appel door intense passie
iii) Synchrone (in tijd samenvallend) en diachrone (voorafgaande) condities
(1) Synchroon; bv. geïrriteerd gedrag naar leidinggevende en tegelijkertijd ervaren van
huwelijksproblemen
(2) Diachroon; bv. onveilige gehechtheidsrepresentatie met eigen opvoeder die
doorwerkt in huidige huwelijksproblemen
iv) Inducerende (ontstaan) een continuerende (in stand houdende) condities
(1) Inducerend; bv. eerdere angstige ervaring met een hond
(2) Continuerend; bv. aandacht richten op alles dat op een hond lijkt
3. Predictie/voorspellend; hoe ontwikkelen de problemen? meestal niet bekend of nagenoeg
niet te onderzoeken/diagnosticeren
4. Indicatie; hoe kunnen de problemen verholpen worden?
5. Evaluatie; zijn de problemen voldoende verholpen?
2
, Er zijn 3 diagnostische basismethodes;
Gesprek;
Doel; informatieverzameling, opbouwen goede professionele werkrelatie en eerste
inschatting vervolg traject.
Twee verschillende gespreksvormen; 1) intakegesprek (= klinische interview gericht op
globale inventarisatie van het probleem/klacht/hulpvraag) en 2) (semi-)gestructureerd
interview (= bijvoorbeeld SCID, MINI, SCAN, HONOS/HONOSCA, MATE, Y-BOCS).
Obstakels tijdens gesprek van de cliënt af;
Depressief; moeizaam, laag tempo, meer steunen, meer tijd geven, ingaan sterke kanten
en uitvragen suïcidegedachten.
Angstig; op gemak stellen, veel minimale aanmoedigingen, korte open vragen, vaker
samenvatten, suggestieve vragen en alert voor schaamte.
Verslaving; vage of onduidelijke antwoorden, aandacht aan probleemdefinitie en
motivering en concreet doorvraag.
Somatiserend en hypochonder; willen een dokter want het is niet psychologisch en
verwachtingen bespreken.
Psychotisch; contact met realiteit kwijt, psychotische uitingen negeren en ingaan op niet-
psychotische uitingen en navragen complot.
Observatie
Er zijn twee soorten gedragsobservaties; 1) ongestandaardiseerde observatie tijdens
testafname (= werkhouding, werktempo, reactie op stress enzovoort) en 2)
gestandaardiseerde observatie (= vaak gericht op specifieke doelgroepen, bv. BAT, SSIT,
NOSIE-30, BOP, EE).
Gestandaardiseerde meetinstrumenten
Aantekeningen literatuur week 1
Suhr, J. A.Preview the document (2015). Psychological assessment: A problem-solving approach.
Guilford Publications. chapter 3
Om het verhaal van een cliënt te vergaren op een betrouwbare manier kan er gebruik worden van
het biopsychosociaal model. Hierbij wordt er zowel gekeken naar biologische, psychologische als
sociale-culturele factoren die een rol kunnen spelen bij de problemen die de cliënt ervaart. Binnen
het model wordt bij het begin de aandacht gefocust op de specifieke symptomen die cliënt ervaart
(in plaats van het focussen op diagnosticeren).
Biologische lens; Verschillende gezondheidsfactoren of medische diagnoses kunnen ook invloed
hebben op het ervaren van psychologische symptomen of klachten.
Bijvoorbeeld; hyperventilatie en astma kunnen waargenomen worden als een
paniekstoornis, bloedarmoede kan waargenomen worden als symptomen voor depressie,
overschot aan cafeïne kan waargenomen worden als symptomen voor een paniekstoornis en
symptomen van een slaapstoornis kunnen waargenomen worden als hallucinaties/ wanen.
3