Ontwikkelingspsychopathologie
Delfos
geschreven door:
Lisje
De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Op Stuvia vind je het grootste aanbod aan samenvattingen en collegeaantekeningen. De
documenten zijn geschreven door jouw medestudenten, specifiek voor jouw opleiding!
www.stuvia.com
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Deel II
De verstoorde ontwikkeling
Hoofdstuk 11
Stoornissen en belemmeringen
1. Inleiding
Doel: het opzoeken van een specifieke stoornis of belemmering te vereenvoudigen
Diagnostic and Statistical Manual of Mental disorders-IV Tekst Revision (DSM-IV-TR): de internationale diagnostische
statistische maat voor psychische stoornissen, waarbij het uitgangspunt ‘evidence based’ is. Dat wil zeggen ‘bewezen door
wetenschappelijk onderzoek’. In de DSM-IV-TR wordt de omgevingsfactor nauwelijks benoemd en ook niet als
differentiaaldiagnose. Dat betekent dat opvoedkundige problematiek en problematiek als gevolg van de
opvoedingssituatie, bijvoorbeeld echtscheiding, in de DSM-IV-TR nauwelijks genoemd wordt. De DSM-IV-TR kent vijf assen:
1. De classificatie van syndromen
2. Persoonlijkheidsstoornissen en de mogelijke aanwezigheid van een verstandelijke beperking
3. Somatische aandoeningen die van invloed zijn of in relatie staan tot de mentale problematiek
4. Problemen in de (sociale) omgeving die van invloed zijn op de problematiek die op as I en II zijn gediagnosticeerd
5. GAF-schaal: een indicatie van functioneren. De score die van 0 – 100 loopt is een indicatie voor hoezeer de
problematiek waarmee iemand kampt zijn of haar maatschappelijk, emotioneel en sociaal functioneren aantast.
Het is gebruikelijk twee GAF-scores op deze as te plaatsen:
De eerste score geeft het functioneren op dit moment weer
De tweede score bv. de hoogst behaalde score gedurende het afgelopen (half) jaar
Differentiaaldiagnose: de informatie van het afzetten van de stoornis tegen andere stoornissen
Not Otherwise Specified (NOS) / Niet Anderszins Omschreven (NAO): geen specifieke informatie. Er wordt aan enkele
criteria voldaan zonder het gehele beeld te vertonen. PDD-NOS is een uitzondering, omdat die diagnose steeds vaker
gesteld wordt.
Verschuiving: binnen de wetenschap is het accent verschoven van omgeving naar de aanleg en rijping als belangrijkste
bronnen voor stoornissen en de verstoring van de ontwikkeling. Deze verschuiving is mede het gevolg van de verfijning van
meettechnieken.
2. De opvolging van de DSM/DSM-IV-TR
De DSM is een statische maat, geen aanduiding van bron en samenhang in gedrag. Dat betekent dat er een samenvoeging
tot een syndroom wordt gevormd door gedragingen die statistisch significant vaker samen voorkomen. Dat wil zeggen dat
er geen opbouw is naar wat de kern is, wat noodzakelijke en wat minder belangrijke of veelvoorkomende gedragingen zijn.
Men is niet tevreden over de DSM-IV. De huidige diagnoses vormen afgebakende beschrijvingen waaraan men al dan niet
kan voldoen. Als deze hokjes niet geheel passen is er de mogelijkheid van NOS/NAO, die gaan functioneren als
containerbegrippen. Deze ‘hokjes’ maken het diagnosticeren lastig, omdat de nuancering en diversiteit van mensen er niet
goed in onder te brengen zijn.
De lijn tussen twee stoornissen is soms arbitrair
Het systeem geeft problemen bij het onderscheiden van normaal en abnormaal functioneren
Er ontstaan problemen bij het diagnosticeren van stoornissen die gekoppeld zijn aan een bepaalde levensfase
Het levert een hoge comorbiditeit op van diverse diagnoses
Daarom wil men de DSM grondig herzien en wordt gedacht over te gaan op een classificatiesysteem in dimensies in plaats
van afgebakende diagnoses. De dimensies zouden dan onderliggende, genetisch bepaalde facetten van het gedrag
weergeven, bv. interaliserend – externaliserend. Voordelen dimensies:
Men hoopt de onderliggende problematiek te verzamelen, bv. angst en depressie. Hierdoor wordt de
problematiek meer recht gedaan
De mogelijkheid om recht te doen aan de ernst van de problematiek
Nadeel dimensies: het is moeilijker om te diagnosticeren en diagnostische geselde diagnoses bij te houden
3. Voorgestelde clusters voor de DSM-V
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Het idee is om de dimensies onder te brengen in clusters. Op dit moment stelt men vijf clusters voor waarbinnen de huidige
geconceptualiseerde stoornissen kunnen worden gegroepeerd:
1. Neurocognitieve stoornissen: stoornissen die ontstaan na oorspronkelijk normale hersenontwikkeling
2. Neurodevelopmental disorders: stoornissen waarvan gedacht wordt dat deze het gevolg zijn van processen die
de hersenontwikkeling al in een vroeg stadium veranderen. Deze stoornissen zijn reeds aanwezig bij de geboorte
of zich openbaren gedurende de kindertijd
3. Psychotische stoornissen: deze worden gekenmerkt door impaired reality testing: het kwijt zijn van contact met
de werkelijkheid.
4. Emotionele stoornissen: omvat de grootste groep stoornissen. Emotionele – of internaliserende – stoornissen
worden gekenmerkt door hoge niveaus angst, depressie en somatische symptomen
5. Externalisernde stoornissen: het gaat hierbij anderzijds om stoornissen gekenmerkt door agressief gedrag en
anderzijds gekenmerkt door middelenmisbruik.
4. De status van dit boek met betrekking tot de DSM-V
Dit boek is reeds volgens het principe van dimensies opgebouwd.
1. De eerste ingreep was om de nature-nurturediscussie aan te vullen met de factor rijping van het centrale
zenuwstelsel: de rijping van het centrale zenuwstelsel naakte de nuancering van meer naar minder en ernstig
naar onschuldige problematiek mogelijk. Daarmee werd aanleg-rijping-omgeving een dimensie waarlangs een
problematiek gelegd kon worden om de bijdrage van de drie aspecten aan de problematiek in kaart te brengen.
Rijpingsstoornissen: vertraagde of afwijkende rijping van het centrale zenuwstelsel, dit kan zowel de hersenen als
de zenuwbanen betreffen
2. Functioneren van de hersenen vanuit rechter en linker hersenhelft: het gaat om de wijze waarop hersenen
geordend zijn op voorkeur en via dezelfde mogelijkheden andere banen in de hersenen ontwikkelen. De
samenwerking van de verschillende hersengebieden werd vertaald in twee rode draden: weerstand tegen
verandering en problematisch empathisch vermogen
5. De Rutter-criteria als alternatief
In de praktijk van de diagnostiek en wetenschappelijk onderzoek, liep ook Rutter tegen het probleem van de beperktheid
van de diagnoses op. Kinderen kunnen met problematiekkampen zonder dat er meteen sprake hoeft te zijn van een
diagnose in de zin van de DSM-IV-TR. Rutter ontwikkelde criteria om te onderzoeken waar een kind mee kampt en wat er
de bron van kan zijn:
Is het gedrag leeftijdsadequaat: past het gedrag bij de leeftijd van de leerling? Hoe groter het verschil tussen de
leeftijdsnorm en het probleemgedrag, des te ernstiger het probleem
Duur van probleemgedrag: hoe lang duren de problemen? Hoe langer de problemen duren, des te ernstiger het
probleemgedrag
Omstandigheden: zijn de problemen begrijpelijk gezien de omstandigheden? Als omstandigheden ‘normaal’ zijn, is het
probleemgedrag ernstiger te beoordelen dan wanneer er een duidelijke aanleiding is
Socioculturele setting. Mate van voorkomen in de populatie: past het gedrag in de (sub)cultuur waartoe het kind behoort.
Wanneer een bepaald gedrag niet voldoet aan de hand van normen van de (sub)cultuur beschouwt men het als
problematisch
Hoeveelheid en frequentie van problemen: veel problemen en een hoge frequentie is een maat van ernst
Type problemen en mate van voorkomen van die problemen in de populatie: welke typen problemen zijn er? Als
bepaalde problemen weinig voorkomen in de normale populatie zullen ze eerder als ernstiger worden beschouwd
Intensiteit van de problemen: problemen die intensief voorkomen zijn ernstiger dan wanneer ze in een milde vorm
voorkomen
Verandering van gedrag: was gedragsverandering te verwachten? Is de gedragsverandering begrijpelijk geizen het verleden
of is deze geheel onverwacht? (onverwacht is ernstiger)
Situatiegebondenheid: in een of meerdere situaties? Probleemgedrag in meerdere situaties is ernstiger
Belemmering van ontwikkeling op andere gebieden: belemmert probleemgedrag ook andere gebieden zoals leren,
werkhouding, sociale contacten? Hoe meer belemmering hoe ernstiger.
Hoofdstuk 11.A.1
Eetstoornissen
1.1 Stoornissen in eetgedrag
Eten is nodig voor groei, maar is ook een interactie, een ritueel. De ontwikkeling van het kind is een voortdurende strijd
tussen afhankelijkheid en onafhankelijkheid, die zijn weerslag vindt in het eetritueel. Het kind dat toe is aan zelfstandig te
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
eten heeft minder voedsel nodig voor de groei dan daarvoor. Dit kan een bron van conflicten vormen omdat ouders denken
dat het kind te weinig eet.
Er moet zorg besteed worden aan een correct eetgedrag ten behoeve van een goede lichamelijke ontwikkeling en een
positieve interactie, anders kan het eetproblemen tot gevolg hebben. Een eetstoornis kan ook samenhangen met een
lichamelijke afwijking of het gevolg van een onaangename ervaring, zoals ernstig verslikken.
Voedingsstoornissen op zuigelingenleeftijd of vroege kinderleeftijd: onvoldoende voedselinname waardoor significant
achterblijven in gewicht of gewichtsverlies zonder dat dit aan een medische afwijking toegeschreven kan worden, een
psychische stoornis of voedseltekort. Deze kinderen zijn vaak prikkelbaar en moeilijk te troosten. Er kunnen neurologische
factoren aan ten grondslag liggen of omgevingsfactoren als een verwaarlozende opvoeding.
Pica: het gedurende langere tijd, minstens een maand, eten van niet-voedzame stoffen, bijvoorbeeld zand of plastic, zonder
dat dit bij het ontwikkelingsniveau hoort of dat er culturele factoren een rol spelen. Vaak is dit een onderdeel van andere
stoornissen, als zwakzinnigheid of pervasieve ontwikkelingsstoornissen.
Rumineren/herkauwen: het gedurende minstens een maand, regurgiteren (malen van teruggegeven voedsel) en
herkauwen van voedsel, terwijl hieraan voorafgaand gewoon eetgedrag bestaan heeft en zonder dat er een medische
oorzaak voor is. Het ontstaat meestal tussen 3 en 12 maanden. Het komt vaak bij zwakzinnigheid voor.
Er zijn drie stoornissen die samenhangen met een storing van de regulatie van de hoeveelheid voedsel die genomen moet
worden:
Anorexia nervosa: een tekort aan voedselinname
Boulimia nervosa: een wisselvallige voedselinname (eetbui en overgeven)
Obesitas: een teveel aan voedselinname
1.2 Anorexia nervosa
Anorexia nervosa: weigering het lichaamsgewicht op voor leeftijd en lengte normaal gewicht te houden (minder dan 85%
van het te verwachten gewicht of in periode van groei het niet stagneren van gewichtstoename). |Het beleven van het
lichaamsgewicht en de vorm is verstoord. Het gaat vaak samen met depressie, terugtrekken uit sociaal gedrag,
prikkelbaarheid, slaapstoornissen, verminderde behoefte aan seks en obsessief-compulsief gedrag. Subtypes:
Restrictieve, beperkende type: te weinig voedsel innemen
Purgerende type: eetbuien en laxeren
Uitblijven van de menarche: eerste menstruatie of ontstaan van amenorroe: wegblijven van menstruatie.
In de beschrijving van de DSM-IV-TR lijkt het alsof anorexia een keuze is, terwijl er sprake is van onvermogen.
Oorzaak: het is een complexe problematiek die haar bodem lijkt te vinden in aanleg, mogelijk een auto-immuunfunctie van
het lichaam en geluxeerd kan worden door stressfactoren. De angststoornis, die op hetzelfde gen zou zitten, manifesteert
zich eerder en de anorexia kan volledig vervlochten raken met de angst. De dwanggedachten en –handelingen ontstaan
eerder en zijn eerder zichtbaar dan de anorexia.
Geen oorzaak: het schoonheidsideaal is niet de oorzaak, er is geen verstoorde waarneming van het lichaamsbeeld en ook
niet de cultuur is bepalend.
Behandeling: er moet met de aanlegfactor rekening gehouden worden. Een behandeling die iemand leert eten op basis van
een herprogrammeren van de hersenen.
Symptomen: mager worden; energieverlies; bleekheid van de huid, brosse nagels; moeite met urineren; constipatie; doof
gevoel of tintelingen in armen en benen; fijne haargroei over het hele lichaam; dunner worden van haar of haarverlies en
extreme gevoeligheid voor kou
1.3 Boulimia nervosa
Boulimia nervosa: wanneer de obsessieve behoefte aan dun zijn, gepaard gaat met aanvallen van overeten en compensatie
daarvoor. |De eetbuien worden gevolgd door het uitbraken van het voedsel, buitensporig vasten of andere methoden om
te voorkomen dat er gewichtstoename volgt. Er is sprake van een sterke lijdenslast over de vorm van het lichaam. Het
braken zelf veroorzaakt een psychisch gevoel van walging. Er is sprake van een controleverlies over het eten, waardoor
doorgegeten wordt.
Gevaar: kaliumtekort
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
Delfos
geschreven door:
Lisje
De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Op Stuvia vind je het grootste aanbod aan samenvattingen en collegeaantekeningen. De
documenten zijn geschreven door jouw medestudenten, specifiek voor jouw opleiding!
www.stuvia.com
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Deel II
De verstoorde ontwikkeling
Hoofdstuk 11
Stoornissen en belemmeringen
1. Inleiding
Doel: het opzoeken van een specifieke stoornis of belemmering te vereenvoudigen
Diagnostic and Statistical Manual of Mental disorders-IV Tekst Revision (DSM-IV-TR): de internationale diagnostische
statistische maat voor psychische stoornissen, waarbij het uitgangspunt ‘evidence based’ is. Dat wil zeggen ‘bewezen door
wetenschappelijk onderzoek’. In de DSM-IV-TR wordt de omgevingsfactor nauwelijks benoemd en ook niet als
differentiaaldiagnose. Dat betekent dat opvoedkundige problematiek en problematiek als gevolg van de
opvoedingssituatie, bijvoorbeeld echtscheiding, in de DSM-IV-TR nauwelijks genoemd wordt. De DSM-IV-TR kent vijf assen:
1. De classificatie van syndromen
2. Persoonlijkheidsstoornissen en de mogelijke aanwezigheid van een verstandelijke beperking
3. Somatische aandoeningen die van invloed zijn of in relatie staan tot de mentale problematiek
4. Problemen in de (sociale) omgeving die van invloed zijn op de problematiek die op as I en II zijn gediagnosticeerd
5. GAF-schaal: een indicatie van functioneren. De score die van 0 – 100 loopt is een indicatie voor hoezeer de
problematiek waarmee iemand kampt zijn of haar maatschappelijk, emotioneel en sociaal functioneren aantast.
Het is gebruikelijk twee GAF-scores op deze as te plaatsen:
De eerste score geeft het functioneren op dit moment weer
De tweede score bv. de hoogst behaalde score gedurende het afgelopen (half) jaar
Differentiaaldiagnose: de informatie van het afzetten van de stoornis tegen andere stoornissen
Not Otherwise Specified (NOS) / Niet Anderszins Omschreven (NAO): geen specifieke informatie. Er wordt aan enkele
criteria voldaan zonder het gehele beeld te vertonen. PDD-NOS is een uitzondering, omdat die diagnose steeds vaker
gesteld wordt.
Verschuiving: binnen de wetenschap is het accent verschoven van omgeving naar de aanleg en rijping als belangrijkste
bronnen voor stoornissen en de verstoring van de ontwikkeling. Deze verschuiving is mede het gevolg van de verfijning van
meettechnieken.
2. De opvolging van de DSM/DSM-IV-TR
De DSM is een statische maat, geen aanduiding van bron en samenhang in gedrag. Dat betekent dat er een samenvoeging
tot een syndroom wordt gevormd door gedragingen die statistisch significant vaker samen voorkomen. Dat wil zeggen dat
er geen opbouw is naar wat de kern is, wat noodzakelijke en wat minder belangrijke of veelvoorkomende gedragingen zijn.
Men is niet tevreden over de DSM-IV. De huidige diagnoses vormen afgebakende beschrijvingen waaraan men al dan niet
kan voldoen. Als deze hokjes niet geheel passen is er de mogelijkheid van NOS/NAO, die gaan functioneren als
containerbegrippen. Deze ‘hokjes’ maken het diagnosticeren lastig, omdat de nuancering en diversiteit van mensen er niet
goed in onder te brengen zijn.
De lijn tussen twee stoornissen is soms arbitrair
Het systeem geeft problemen bij het onderscheiden van normaal en abnormaal functioneren
Er ontstaan problemen bij het diagnosticeren van stoornissen die gekoppeld zijn aan een bepaalde levensfase
Het levert een hoge comorbiditeit op van diverse diagnoses
Daarom wil men de DSM grondig herzien en wordt gedacht over te gaan op een classificatiesysteem in dimensies in plaats
van afgebakende diagnoses. De dimensies zouden dan onderliggende, genetisch bepaalde facetten van het gedrag
weergeven, bv. interaliserend – externaliserend. Voordelen dimensies:
Men hoopt de onderliggende problematiek te verzamelen, bv. angst en depressie. Hierdoor wordt de
problematiek meer recht gedaan
De mogelijkheid om recht te doen aan de ernst van de problematiek
Nadeel dimensies: het is moeilijker om te diagnosticeren en diagnostische geselde diagnoses bij te houden
3. Voorgestelde clusters voor de DSM-V
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
Het idee is om de dimensies onder te brengen in clusters. Op dit moment stelt men vijf clusters voor waarbinnen de huidige
geconceptualiseerde stoornissen kunnen worden gegroepeerd:
1. Neurocognitieve stoornissen: stoornissen die ontstaan na oorspronkelijk normale hersenontwikkeling
2. Neurodevelopmental disorders: stoornissen waarvan gedacht wordt dat deze het gevolg zijn van processen die
de hersenontwikkeling al in een vroeg stadium veranderen. Deze stoornissen zijn reeds aanwezig bij de geboorte
of zich openbaren gedurende de kindertijd
3. Psychotische stoornissen: deze worden gekenmerkt door impaired reality testing: het kwijt zijn van contact met
de werkelijkheid.
4. Emotionele stoornissen: omvat de grootste groep stoornissen. Emotionele – of internaliserende – stoornissen
worden gekenmerkt door hoge niveaus angst, depressie en somatische symptomen
5. Externalisernde stoornissen: het gaat hierbij anderzijds om stoornissen gekenmerkt door agressief gedrag en
anderzijds gekenmerkt door middelenmisbruik.
4. De status van dit boek met betrekking tot de DSM-V
Dit boek is reeds volgens het principe van dimensies opgebouwd.
1. De eerste ingreep was om de nature-nurturediscussie aan te vullen met de factor rijping van het centrale
zenuwstelsel: de rijping van het centrale zenuwstelsel naakte de nuancering van meer naar minder en ernstig
naar onschuldige problematiek mogelijk. Daarmee werd aanleg-rijping-omgeving een dimensie waarlangs een
problematiek gelegd kon worden om de bijdrage van de drie aspecten aan de problematiek in kaart te brengen.
Rijpingsstoornissen: vertraagde of afwijkende rijping van het centrale zenuwstelsel, dit kan zowel de hersenen als
de zenuwbanen betreffen
2. Functioneren van de hersenen vanuit rechter en linker hersenhelft: het gaat om de wijze waarop hersenen
geordend zijn op voorkeur en via dezelfde mogelijkheden andere banen in de hersenen ontwikkelen. De
samenwerking van de verschillende hersengebieden werd vertaald in twee rode draden: weerstand tegen
verandering en problematisch empathisch vermogen
5. De Rutter-criteria als alternatief
In de praktijk van de diagnostiek en wetenschappelijk onderzoek, liep ook Rutter tegen het probleem van de beperktheid
van de diagnoses op. Kinderen kunnen met problematiekkampen zonder dat er meteen sprake hoeft te zijn van een
diagnose in de zin van de DSM-IV-TR. Rutter ontwikkelde criteria om te onderzoeken waar een kind mee kampt en wat er
de bron van kan zijn:
Is het gedrag leeftijdsadequaat: past het gedrag bij de leeftijd van de leerling? Hoe groter het verschil tussen de
leeftijdsnorm en het probleemgedrag, des te ernstiger het probleem
Duur van probleemgedrag: hoe lang duren de problemen? Hoe langer de problemen duren, des te ernstiger het
probleemgedrag
Omstandigheden: zijn de problemen begrijpelijk gezien de omstandigheden? Als omstandigheden ‘normaal’ zijn, is het
probleemgedrag ernstiger te beoordelen dan wanneer er een duidelijke aanleiding is
Socioculturele setting. Mate van voorkomen in de populatie: past het gedrag in de (sub)cultuur waartoe het kind behoort.
Wanneer een bepaald gedrag niet voldoet aan de hand van normen van de (sub)cultuur beschouwt men het als
problematisch
Hoeveelheid en frequentie van problemen: veel problemen en een hoge frequentie is een maat van ernst
Type problemen en mate van voorkomen van die problemen in de populatie: welke typen problemen zijn er? Als
bepaalde problemen weinig voorkomen in de normale populatie zullen ze eerder als ernstiger worden beschouwd
Intensiteit van de problemen: problemen die intensief voorkomen zijn ernstiger dan wanneer ze in een milde vorm
voorkomen
Verandering van gedrag: was gedragsverandering te verwachten? Is de gedragsverandering begrijpelijk geizen het verleden
of is deze geheel onverwacht? (onverwacht is ernstiger)
Situatiegebondenheid: in een of meerdere situaties? Probleemgedrag in meerdere situaties is ernstiger
Belemmering van ontwikkeling op andere gebieden: belemmert probleemgedrag ook andere gebieden zoals leren,
werkhouding, sociale contacten? Hoe meer belemmering hoe ernstiger.
Hoofdstuk 11.A.1
Eetstoornissen
1.1 Stoornissen in eetgedrag
Eten is nodig voor groei, maar is ook een interactie, een ritueel. De ontwikkeling van het kind is een voortdurende strijd
tussen afhankelijkheid en onafhankelijkheid, die zijn weerslag vindt in het eetritueel. Het kind dat toe is aan zelfstandig te
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Samenvattingen
eten heeft minder voedsel nodig voor de groei dan daarvoor. Dit kan een bron van conflicten vormen omdat ouders denken
dat het kind te weinig eet.
Er moet zorg besteed worden aan een correct eetgedrag ten behoeve van een goede lichamelijke ontwikkeling en een
positieve interactie, anders kan het eetproblemen tot gevolg hebben. Een eetstoornis kan ook samenhangen met een
lichamelijke afwijking of het gevolg van een onaangename ervaring, zoals ernstig verslikken.
Voedingsstoornissen op zuigelingenleeftijd of vroege kinderleeftijd: onvoldoende voedselinname waardoor significant
achterblijven in gewicht of gewichtsverlies zonder dat dit aan een medische afwijking toegeschreven kan worden, een
psychische stoornis of voedseltekort. Deze kinderen zijn vaak prikkelbaar en moeilijk te troosten. Er kunnen neurologische
factoren aan ten grondslag liggen of omgevingsfactoren als een verwaarlozende opvoeding.
Pica: het gedurende langere tijd, minstens een maand, eten van niet-voedzame stoffen, bijvoorbeeld zand of plastic, zonder
dat dit bij het ontwikkelingsniveau hoort of dat er culturele factoren een rol spelen. Vaak is dit een onderdeel van andere
stoornissen, als zwakzinnigheid of pervasieve ontwikkelingsstoornissen.
Rumineren/herkauwen: het gedurende minstens een maand, regurgiteren (malen van teruggegeven voedsel) en
herkauwen van voedsel, terwijl hieraan voorafgaand gewoon eetgedrag bestaan heeft en zonder dat er een medische
oorzaak voor is. Het ontstaat meestal tussen 3 en 12 maanden. Het komt vaak bij zwakzinnigheid voor.
Er zijn drie stoornissen die samenhangen met een storing van de regulatie van de hoeveelheid voedsel die genomen moet
worden:
Anorexia nervosa: een tekort aan voedselinname
Boulimia nervosa: een wisselvallige voedselinname (eetbui en overgeven)
Obesitas: een teveel aan voedselinname
1.2 Anorexia nervosa
Anorexia nervosa: weigering het lichaamsgewicht op voor leeftijd en lengte normaal gewicht te houden (minder dan 85%
van het te verwachten gewicht of in periode van groei het niet stagneren van gewichtstoename). |Het beleven van het
lichaamsgewicht en de vorm is verstoord. Het gaat vaak samen met depressie, terugtrekken uit sociaal gedrag,
prikkelbaarheid, slaapstoornissen, verminderde behoefte aan seks en obsessief-compulsief gedrag. Subtypes:
Restrictieve, beperkende type: te weinig voedsel innemen
Purgerende type: eetbuien en laxeren
Uitblijven van de menarche: eerste menstruatie of ontstaan van amenorroe: wegblijven van menstruatie.
In de beschrijving van de DSM-IV-TR lijkt het alsof anorexia een keuze is, terwijl er sprake is van onvermogen.
Oorzaak: het is een complexe problematiek die haar bodem lijkt te vinden in aanleg, mogelijk een auto-immuunfunctie van
het lichaam en geluxeerd kan worden door stressfactoren. De angststoornis, die op hetzelfde gen zou zitten, manifesteert
zich eerder en de anorexia kan volledig vervlochten raken met de angst. De dwanggedachten en –handelingen ontstaan
eerder en zijn eerder zichtbaar dan de anorexia.
Geen oorzaak: het schoonheidsideaal is niet de oorzaak, er is geen verstoorde waarneming van het lichaamsbeeld en ook
niet de cultuur is bepalend.
Behandeling: er moet met de aanlegfactor rekening gehouden worden. Een behandeling die iemand leert eten op basis van
een herprogrammeren van de hersenen.
Symptomen: mager worden; energieverlies; bleekheid van de huid, brosse nagels; moeite met urineren; constipatie; doof
gevoel of tintelingen in armen en benen; fijne haargroei over het hele lichaam; dunner worden van haar of haarverlies en
extreme gevoeligheid voor kou
1.3 Boulimia nervosa
Boulimia nervosa: wanneer de obsessieve behoefte aan dun zijn, gepaard gaat met aanvallen van overeten en compensatie
daarvoor. |De eetbuien worden gevolgd door het uitbraken van het voedsel, buitensporig vasten of andere methoden om
te voorkomen dat er gewichtstoename volgt. Er is sprake van een sterke lijdenslast over de vorm van het lichaam. Het
braken zelf veroorzaakt een psychisch gevoel van walging. Er is sprake van een controleverlies over het eten, waardoor
doorgegeten wordt.
Gevaar: kaliumtekort
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar.