Kenmerkende aspecten H1 en H2.
1. Het leven van jagers-verzamelaars
Alle jagers-verzamelaars leefden in kleine groepen als nomaden. Zij trekken rond en komen
aan hun voedsel door te jagen, vissen en vruchten verzamelen. Ze slapen in bomen en op
beschutte plekken. Jagers maakten werktuigen en ontwikkelde technieken. Omdat ze geen
schrift hadden, komt de enige informatie uit de tijd van ongeschreven bronnen.
2. Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen
Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen is geleidelijk gegaan. De
aanwezigheid van water, zon en vruchtbare grond zorgen voor een goed landbouwklimaat. Dit
was in de vruchtbare halve maan. De oudste steden van de wereld liggen, in de vorm van een
halve maan, in het Midden-Oosten en Egypte. Het einde van de ijstijd heeft tot gevolg dat in
Noord-Afrika de Saharawoestijn ontstaat. De mensen trekken weg uit de woestijn, naar de
Nijl. Daar ontstaat een landbouwsamenleving met een hoge beschaving.
3. Het ontstaan van stedelijke gemeenschappen
De sociaaleconomische en politieke veranderingen gingen gepaard met het ontstaan van de
eerste stedelijke gemeenschappen. Dankzij landbouw kunnen boeren zich vestigen op vaste
woonplaatsen. Wanneer de landbouw genoeg oplevert, gaan een aantal bewoners zich
specialiseren. Sommige dorpen ontwikkelen tot een stedelijke landbouwsamenleving. De
eerste stadstaten met een agrarisch-urbane samenleving ontstaan in Mesopotamië. De oudste
schriften zijn beeldschriften met de ontwikkeling van landbouw. Bij het vertalen van
Egyptische hiërogliefen was de Steen van Rosetta belangrijk. Door voedseloverschotten
hoeven niet alle mensen meer op het land te werken, deze groep ontwikkelt beroepen. De
samenleving wordt complexer, de behoefte aan bestuur groter en de sociale verschillen ook.
4. De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap
en politiek in de Griekse stadstaat.
In Griekenland ontstaan landbouwsamenlevingen die uitgroeien tot steden. De cultuur komt
hier tot bloei en er ontstaan verschillende politieke bestuursvormen. De oude Grieken geloven
in meerdere goden en hechten waarde aan verstandelijk beredeneren. Daarom doen geleerden
onderzoek. Diverse Griekse wetenschappers hebben een belangrijke bijlage geleverd. Ook op
het gebied van politiek ontwikkelden de Grieken veel theorieën. Verschillende vormen van
politiek bestuur ontstaan in de poleis. Athene heeft achtereenvolgens een monarchie (macht
bij koning), een tirannie (macht bij alleenheerser) en een democratie (macht bij volk). Het
ostracisme was onderdeel van de Atheense democratie. Om te voorkomen dat één persoon
teveel macht kreeg, mochten de Atheners ieder jaar een leider wegstemmen die volgens hen te
machtig werd. Atheners schreven de namen op scherven van aardewerk potten.
, 5. De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.
Wanneer de Romeinen Griekenland veroveren zijn ze onder indruk van de Griekse cultuur. De
Romeinen nemen veel over van de Grieken op het gebied van kunst en wetenschap. Veel
Grieken worden meegenomen naar Rome en Italië om daar te werken. Zo ontstaat een Grieks-
Romeinse cultuur, die door de uitbreiding van het Romeinse Rijk verspreid wordt in Europa.
6. De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich
in Europa verspreid.
Door de groei van het Romeinse Rijk worden volken in Europa beïnvloed door de Grieks-
Romeinse cultuur. Romanisering: de hoogontwikkelde Grieks-Romeinse beschaving
verspreidt zich over Europa. Door heel Europa zijn tegenwoordig nog sporten te zien uit de
tijd van de Grieken en Romeinen.
7. De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van
Noordwest-Europa.
De Romeinen willen hun rijk uitbreiden en nog meer volken veroveren. Ze kwamen in
conflict met de Germanen (en hun cultuur). De meeste Romeinen kijken niet op tegen de
Germaanse cultuur, maar wel van hun dapperheid. Andersom kijken Germanen wel op tegen
de Romeinse cultuur. De Germaanse cultuur wordt sterk beïnvloedt door de Grieks-Romeinse
cultuur. In de late oudheid dringen Germaans-sprekende groepen door in het Romeinse Rijk.
Op termijn leidt dit tot uiteenvallen van het westerse deel in een aantal Germaanse staten. De
Bataafse opstand laat zien dat de Germaanse stammen en Romeinen jarenlang als goede
bondgenoten samenleven, maar dat Germanen niet onvoorwaardelijk trouw zijn. Vanaf de 3e
eeuw n.Chr komen de Germanen al plunderend het verzwakte Romeinse Rijk binnen en
beginnen daar eigen rijkjes te stichten.
8. De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste
monotheïstische godsdiensten.
Alle inwoners van het Romeinse Rijk moeten de Romeinse keizer vereren als een god. De
joden doen daar niet aan mee. Zij zijn het eerste volk die gelooft in het bestaan van maar één
god: Jahweh. In hun heilige boek (Tenach) stond dat zij het uitverkoren volk waren en recht
hadden op Israël. In Jeruzalem bouwen de joden de eerste tempel. Uit het jodendom ontstaat,
in de eerste eeuw na Christus, het christendom. Het jodendom en christendom hebben
overeenkomsten en verschillen, deze verschillen hebben voor spanningen gezorgd. De islam
ontstaat later. Het christendom werd in de 4e eeuw n.C. staatsgodsdienst, mede door keizer
Constantijn de Grote die alle andere godsdiensten verbiedt.
Kenmerken Jodendom Christendom Islam
Ontstaan 15e eeuw v.Chr 1e eeuw n.Chr 7e eeuw n.Chr
God Jahweh God Allah
Profeet Mozes Jezus Mohammed
Heilig boek Tenach Bijbel Koran
Regels Thora en 10 geboden 10 geboden Vijf zuilen