Hoofdstuk 4 (m.u.v. paragraaf 4.5,4.8,4.9): weefsel niveau
Paragraaf 4.1
Weefsels:
verzameling van gespecialiseerde cellen en cel producten die een specifieke functie vervullen.
Histologie:
bestuderen van weefsels → weefselleer.
4 basale weefsel typen:
1. Epitheel (dekweefsel)
2. Bindweefsel
3. Spierweefsel
4. Zenuwweefsel
Epitheel:
Bestaat uit lagen cellen die in- of uitwendige
oppervlakken bekleden en uit klieren.
Klieren: cellen die exocriene of endocriene klierproducten
vormen.
Belangrijke kenmerken van epitheel:
• Cellen liggen dicht opeengepakt.
• Vrij (apicaal) oppervlak dat aan omgeving, inwendig compartiment of inwendige
transportbuis is blootgesteld.
• Via een basaalmembraan verbonden met onderliggende bindweefsel. ( basaalmembraan =
laag van filamenten en vezels waarmee een dekweefsel aan het onderliggende bindweefsel is
gehecht).
• Dekweefselcellen moeten voedingstoffen opnemen vanuit dieper gelegen weefsel via het
oppervlak waarmee ze met deze weefsels zijn verbonden of via uitwendige
dekweefseloppervlak vanwege hun avasculaire(zonder bloedvaten) structuur.
• Voortdurend vervanging of regeneratie(opnieuw vormen) van dekweefselcellen die
beschadigd raken of aan het blootgestelde oppervlak verloren gaan.
Dekweefsel bekleedt uitwendige lichaamsoppervlakten:
• Huid
Bekleedt inwendige transportbuizen:
• Spijsverteringkanaal
• Luchtwegen
• Afvoergangen van voortplantingsstelsel
• Urinewegen