Overzicht samenvatting van het vak ‘inleiding in opvoeding
en onderwijs’ ESSB-E1010
Samenvatting Pedagogiek in beeld H3...............................................................................................2
Samenvatting En denken werkcollege 3............................................................................................5
Samenvatting International of Research on Teachers and Teaching. p. 85-99 ....................7
Samenvatting: passie en pragmatisme – essay van Sjaak Braster 2011 ..........................................13
Samenvatting Vrijheid van onderwijs: de vele gezichten van artikel 23 .........................................24
Samenvatting – Sociologen over onderwijs – H3 ...........................................................................28
samenvatting sociologen over... + international of ... ...................................................................36
Samenvatting European Journal of Psychology of Education ..........................................................41
Summary Educational theory .........................................................................................................47
Samenvatting the Phi Delta Kappan ...............................................................................................52
Samenvatting - Parental involvement on student academic achievement: A meta-analysis ..........61
Samenvatting Pedagogiek in beeld – H11 .......................................................................................64
Samenvatting Over opvoeden gesproken – Blokland p.69-73 ........................................................69
Samenvatting – Fostering family resiliency ....................................................................................71
Samenvatting – over opvoeden gesproken H1 tm H3.....................................................................77
Samenvatting Fantuzo Journal of Educational Psychology .............................................................85
, 2
Samenvatting Pedagogiek in beeld H3
§3.1
De huidige structuur en actuele inhoud van opvoeding en onderwijs is het resultaat van het denken en
handelen van voorgaande generaties.
Begin van de twintigste eeuw was het volgen van enig basisonderwijs voor ieder kind verplicht; het volgen van
hoger onderwijs was alleen voor jonge mannen van de welgestelde elite. De duur van deze hogere studie was
afhankelijk van de financiële situatie van het thuisfront.
§3.2 Motieven bestudering van geschiedenis van opvoeding en onderwijs:
- Identiteitsbepaling of bestaansverheldering: om te leren begrijpen wie je bent en waar je naartoe wilt,
moet je weten waar je vandaan komt. Dit geld voor jezelf op microniveau (individueel persoonlijk niveau),
mesoniveau (op groeps- of organisatieniveau bijv. beroep, vakgebied, school) of op macroniveau
(internationaal niveau bijv. wet- en regelgeving).
- Politiek-ideologisch motieven: het verleden wordt gebruikt om aan te tonen hoezeer de kwaliteit van
opvoeding en onderwijs van nu achteruit of vooruit is gegaan in vergelijking met vroeger.
- Nationalisme of regionalisme: wanneer men (on)bewust wil aantonen dat de opvoeding en onderwijs van
eigen groep of natie ‘beter’ was dan elders. Nostalgie en romantisering maken een deel uit van dit motief.
- Debunking: het streven naar ontmaskering, het doorprikken van conservatieve, politieke, morele en
geromantiseerde opvattingen over gebeurtenissen uit de geschiedenis op basis van nieuwe feiten en
verantwoorde inzichten.
Historici hebben tot nu toe weinig werk gemaakt van de bestudering van opvoeding en onderwijs. Pedagogen
hebben zelf de historische ontwikkeling van opvoeding en onderwijs bestudeerd.
Begin 20e eeuw verschuift de historische interesse bij pedagogen naar de interesse in de ontwikkeling van
schoolvakken en het leerplan van de lagere scholen.
§3.3
Historicus zit met het probleem dat alleen op indirecte manier iets te achterhalen is over opvoedings- en
onderwijsgedrag uit vroegere tijden. Alleen geschreven bronnen, die met een niet-onderwijskundig doel
geschreven zijn en voor een bepaalde sociale elite, resteren. Historisch onderzoek naar feitelijk gedrag van
opvoeders en onderwijsgevenden wordt beperkt vanwege vermindering van bronnen en beperktere kwaliteit
en interpretatiemogelijkheden.
- Een tellende benadering: is vooral gericht op cijfermatige gegevens waarbij veelvuldig gebruik wordt
gemaakt van zogenoemde seriële bronnen. Het gaat hier om met vaste regelmaat opgestelde
cijferreeksen. Het CBS, vele provinciale, gemeentelijke en kerkelijke archieven bevatten soms
onverwachte reeksen gegevens over plaatselijke scholen, leerlingen, leerkrachten en school- bestuurders.
Hiermee beschikken we over een databank met omvangrijke informatie over de formele en officieel
geregistreerde kanten van het onderwijs.
Deze benadering kan op gedetailleerde wijze het officieel geregistreerde schoolverzuim en regionale
verschillen laten zien. Maar ‘waarom’ is onduidelijk. Deze benadering biedt ‘harde’ feiten die echter op
, 3
zichzelf te ‘zacht’ van kwaliteit zijn om alledaagse onderwijspraktijk te beschrijven. De data raken alleen
de buitenkant, niets over de ervaringen, motieven en de dagelijkse omgang tussen leerlingen en
leerkrachten.
- Een vertellende benadering: belicht de ‘binnenkant’ van opvoeding en onderwijs, de persoonlijke ups en
downs in het dagelijks gezins- en schoolleven. Het gaat om de emoties en mentaliteit achter het feitelijk
gedrag van mensen.
In de tweede helft van de 20e eeuw ontstond de historische stroming, oral history, die maatschappelijk en
politiek kracht en mach beoogde te geven aan individuen waarvan de stem nauwelijks gehoord werd.
Interviews werden schriftelijk uitgeschreven en op band vastgelegd, waardoor nieuwe historische
bronnen ontstonden. Minderheidsgroepen zoals arbeiders, vrouwen en kinderen werden over hun
dagelijkse handel en wandel geïnterviewd.
Deze benadering maakt vooral gebruik van egodocumenten: dit zijn bronnen waaruit persoonlijke
ervaringen, motieven en opvattingen naar voren komen. Bijvoorbeeld dagboeken, schoolagenda’s,
briefkaarten en correspondenties. Het is onmogelijk om algemene uitspraken te doen over
groepsgebonden opvattingen en gedragingen op basis van de persoonlijk gekleurde bronnen.
Egodocumenten bevatten ‘culturele filters’.
Bijvoorbeeld 90% van de 17 en 18 eeuwse egodocumenten zijn geschreven door mannen uit de
‘doorgeleerde’ burgerij. Mannen, vrouwen, volwassen en kinderen drukken zich anders uit, tonen
verschillende interesse en geven daar een andere ‘kleur’ aan. Tegelijkertijd zijn ze allen gebonden aan
sociale context van plaats en tijd.
- Een veronderstellende benadering: baseert haar keuze voor bronnen en de wijze waarop deze bestudeerd
worden vooral op vooraf uitgewerkte theoretische uitgangspunten en daarvan afgeleide hypothesen. Er
wordt verondersteld dat opvoedkundig denken bepalend is voor feitelijk gedrag in en rond het onderwijs.
Vanuit deze ideële veronderstelling wordt de onderwijspraktijk bestudeerd als resultaat van de
onderwijsidealen. Zo worden opvoedingsadviezen, pedagogische en didactische handboeken en
schoolboeken bestudeerd. Maar ook de materiële omgeving en de sociaaleconomische omstandigheden
waarin mensen leven is bepalend voor de onderwijs- en opvoedingspraktijk. Deze benadering zorgde
ervoor dat het denken en doen van opvoeders uit het verleden niet werd beschouwd als achterlijk. Het
gaat er om opvattingen en gedrag in een voor die tijd sociaaleconomisch passend maatschappelijk en
theoretisch perspectief te plaatsen. De veronderstellende benadering is geleidelijk meer interdisciplinair
geworden.
Een onderwijshistorische bron verantwoord gebruiken:
Weet wie de makers van het materiaal zijn.
Weet welke bedoelingen de makers hiermee hadden.
Weet in welke mate, door wie en hoe lang deze gebruikt zijn.
De authenticiteit van het bronnenmateriaal: is het origineel of een vervalsing?
De accuratesse van historische bronnen. Een authentiek geschrift geeft nog geen garantie van correct
informatie.
, 4
§3.4
Een functie van opvoeding en onderwijs is cultuuroverdracht.
19eeuwse ‘schoolstrijd’: culturele machtsstrijd tussen kerk en overheid om het opvoedings- en scholingsrecht
van kinderen. Het ging om het wettelijk vastleggen van de vrijheid van onderwijs en later ging het om gelijke
financiële bekostiging van alle wettelijk erkende scholen.
Bijzonder onderwijs= katholieke, protestants-christelijk en islamitische scholen. Deze scholen worden net als
openbare scholen gesubsidieerd, dankzij de grondwet van 1917.
Algemeen bijzonder onderwijs= de Vrije school, Daltonschool, Montessorischool, Jenaplanschool,
Freinetschool.
§3.5
‘Big data’ revolutie: sterk vergrote rekencapaciteit van computers, gebruik van spreadsheets en databases.
Nadelen: om welke gegevens gaat het (privacy), zijn de data afdoende beveiligd (databeheer), wie is de
eigenaar (particulier of algemeen bezit) en wie kan, al dan niet tegen betaling, van deze data gebruik maken?
Dit zijn allemaal vragen over data-management.
De digitale revolutie maakt getalsmatige vergelijkingen over lange perioden binnen en tussen diverse gebieden
en instellingen mogelijk. De mogelijkheden voor het ontwikkelen van een digitale ‘global history’ komen
dichterbij. De tellende benadering krijgt belangrijke nieuwe impulsen door deze computertechnologie van ‘big
data’ en maakt een combinatie van getalsmatige gegevens mogelijk die een nieuwe kijk op het verleden biedt
die mensen uit die tijd zelf nooit gehad kunnen hebben.