Hoorcollege 1 – orthopedagogiek ........................................................................................... 2
Week 2 – externaliserende problematiek ............................................................................. 7
Week 3 – internaliserende problematiek ............................................................................ 13
Week 4 – ASS en ADHD ....................................................................................................... 17
Week 6 – Leerproblemen .................................................................................................... 18
Hoorcollege week 7 Tentamenvragen ................................................................................ 20
Hoorcollege week 8 – zintuiglijke beperking ....................................................................... 25
Hoorcollege week 9 – responsiecollege ............................................................................. 32
Begrippenlijst orthopedagogiek ............................................................................................. 35
Week 1............................................................................................................................. 35
Week 2............................................................................................................................. 39
Samenvatting Rigter ........................................................................................................... 44
H2 ................................................................................................................................... 44
H3 ................................................................................................................................... 50
H12 §1-5 .......................................................................................................................... 57
H13 ................................................................................................................................. 68
H14 ................................................................................................................................. 80
H8 ................................................................................................................................... 95
H11 ............................................................................................................................... 104
H10 ............................................................................................................................... 114
H3 Grietens ...................................................................................................................... 124
H7 ................................................................................................................................. 128
H5 ................................................................................................................................. 136
H6 ................................................................................................................................. 139
,Hoorcollege 1 – orthopedagogiek
Orthopedagogiek= de pedagogiek van de problematische opvoedingssituatie waarbij de
gebruikelijke opvoedingsmethoden en -middelen niet voldoende toereikend zijn.
Vragen van een orthopedagoog:
- Wat is er aan de hand? Vak2.4a
- Hoe is dit zo gekomen? Vak2.4a
- Wat kan eraan gedaan worden? Vak 3.2
Werkwijze van een orthopedagoog:
In dit vak focus op klachtanalyse, verklaringsanalyse en probleemanalyse
Diagnostisch cyclus heeft een empirische basis, want een orthopedagoog gaat ook analytisch te
werk.
- Inductiefase → aan de hand van theorieën ga je hypothesen opstellen over de oorzaken van
de problemen. De fasen waarin je screeningsvragenlijsten afnemen om een beeld te krijgen
van de problemen en hun ernst.
- Deductiefase → hoe kan je je hypothesen toetsen? welke instrument kan je het beste
gebruiken om dit te toetsen?
Om de vraag “Wat is er aan de hand?” te kunnen beantwoorden, heb je kennis nodig over de
normale ontwikkeling versus stoornissen. Vragen die je moet kunnen beantwoorden:
- Wat zijn de kenmerken van een stoornis?
- Hoe uit een stoornis zich in gedrag? Wat zien we? Voorbeelden
- Differentiaal diagnose (stoornissen overlappen in stoornissen, dus dan moet je toetsen om
zo veel mogelijke stoornissen uit te sluiten).
- Comorbiditeit= stoornissen komen vaak samen voor.
,Bij de vraag “Hoe is dit zo gekomen?” wordt vaak het model van Bronfenbrenner gebruikt. Een kind
staat niet los van zijn omgeving; je kijkt EN naar het individu EN naar zijn omgeving. De
omgevingsfactoren kunnen helpen bij het verklaren van een probleem.
Verklaringen voor problemen/stoornissen:
- Verklaring 1a → deze jongen is al van jongs af aan erg impulsief. Hij is daarom niet in staat
om tot 10 te tellen op het moment dat er iets gebeurt dat hem niet zint.
- Verklaring 1b → deze jongen komt uit een gezin waar agressief gedrag de norm is. Hij heeft
geleerd dat je met agressie problemen oplost.
- Verklaring 2a → een meisje wil niet naar school, omdat ze het tempo in de klas niet kan
bijbenen.
- Verklaring 2b → Dit meisje wil niet naar school, omdat ze niet over straat durft.
Wat is de oorzaak van gedrag? Wat is de functie van het gedrag?
Theoretische modellen afwegen. Theorieën
gaan ervanuit dat het voor iedereen geldt,
maar dat is niet zo in de praktijk. Je past de
wetenschap dus als orthopedagoog toe op de
praktijk, waarbij je beseft dat er altijd
uitzonderingen zijn want de praktijk is divers
en individuen verschillen.
Methoden van een orthopedagoog:
Classificatiesystemen:
- DSM= diagnostic and statistical manual of mental disorders; een diagnostisch handboek voor
het classificeren van psychische stoornissen. Vanaf 2017 is de DSM-5 leidend bij bepaling van
verzekerde zorg. Kritiek → dat normaal gedrag geproblematiseerd wordt → er komen steeds
meer nieuwe stoornissen
Geschiedenis:
Ontwikkelt vanuit de behoefte om psychische stoornissen te classificeren / de prevalentie in
kaart te brengen. En vanuit de behoefte om meer overeenstemming te hebben tussen
verschillende professionals (en meer objectiviteit) en om de % van mensen in kaart te
brengen.
APA benoemt commissie die in 1952 het eerste DSM handboek (voor volwassenen)
publiceerden.
DSM-II (1968) voor het eerst gedragsstoornissen met kinderen en adolescenten beschreven.
, DSM-III (1980) introductie van het multiaxiale systeem, o.a.:
o As I: Klinische syndromen
o As II: persoonlijkheidsstoornissen
DSM en tijdsgeest → Homoseksualiteit als stoornis in DSM I & II, maar niet langer als zodanig
benoemd in DSM III en later.
Autisme als syndroom van
schizoprenia (in DSM-I) etc.
DSM-5 geen labels maar
wel
autismespectrumstoornis,
terwijl bij DSM-4 wel labels
zoals Asperger. De
individuen die tijdens de
DSM-4 gelabeld werden als
bijv. Asperger moesten
opnieuw onderzocht
worden.
Kritiek → door het verbreden van de criteria, lijkt het dat steeds meer mensen stoornissen
hebben (want in elke versie komen meer stoornissen erbij). Angst dat normaal gedrag
geproblematiseerd wordt. Angst dat medicatie genormaliseerd wordt. Gebrek aan
wetenschappelijke onderbouwing (menselijke commissie; hoe representatief is deze
commissie?)
Suggesties voor de toekomst:
o Bredere syndromen om ook de verschillende mate van ernst in kaart te brengen.
o Binnen een syndroom een persoonlijke diagnose stellen
- CAP-J= Classificatiesysteem voor de Aard van Problematiek van Jeugd (op NJI) → een
classificatiesysteem voor problemen. Met oog voor t individu EN de omgeving van het individu
o Verschil problemen en stoornissen → probleem = als er afgeweken wordt van een
normale ontwikkeling en als dit het kind en zijn omgeving negatief beïnvloed wordt.
Verschil classificeren en diagnosticeren:
Classificeren= op groepsniveau; heel generaliserend; een beschrijving wat er aan de hand is.
Diagnosticeren= op individueel niveau; je kijkt naar de ervaringen, contexten van een persoon en je
probeert de oorzaken en verklaringen voor de problemen te achterhalen, zodat je een hulpplan kan
opstellen.