Hoorcollege 10 + 11 + 12
1. Is chronische myeloïde leukemie (CML) erfelijk?
a. Juist
b. Onjuist
2. Kanker is een ziekte van signaaltransductie.
a. Juist
b. Onjuist
3. Ras is een proto-oncogen.
a. Juist
b. Onjuist
4. Wat is een gebruikelijke target voor anti-kankertherapie?
a. Oncogen
b. Tumorsuppressor
5. Welke translocatie heeft in 90% van de patiënten met CBL plaatsgevonden?
a. Translocatie tussen de chromosomen 8 en 22
b. Translocatie tussen de chromosomen 8 en 9
c. Translocatie tussen de chromosomen 9 en 21
d. Translocatie tussen de chromosomen 9 en 22
6. Wat is de normale functie van c-Abl?
a. Apoptose promoten
b. Cbr en Abl fuseren
c. Fosfatase als intracellulair signaleringsmolecuul
d. Kinase als intracellulair signaleringsmolecuul
7. Welke uitspraak over het gebruik van Gleevec is niet juist?
a. CML kan hiermee genezen worden
b. De ATP-pocket wordt geblokkeerd
c. Het substraat kan gebonden worden
d. Het substraat kan niet gefosforyleerd worden
GZC I → week 5 → vragen → 1
,8. CML-stamcellen zijn afhankelijk van Bcr-Abl.
a. Juist
b. Onjuist
9. Bij carcinoma in situ is sprake van invasie.
a. Juist
b. Onjuist
10. Wanneer is een tumor kwaadaardig?
a. Als het expansief is
b. Als het invasief is
11. Wat is anaplasie?
a. Het ontbreken van differentiatie
b. Maligne neoplasie
c. Nieuwe vorming van weefsel
d. Verstoorde groei van epitheel
12. Wat is carcinoma in situ?
a. Dysplasie over de gehele breedte van het endotheel, per definitie geen
invasie
b. Dysplasie over de gehele breedte van het epitheel, per definitie geen
invasie
c. Dysplasie over de gehele breedte van het epitheel, per definitie invasie
d. Neoplasie over de gehele breedte van het epitheel, per definitie invasie
13. Is een poliep goed- of kwaadaardig?
a. Goedaardig
b. Kwaadaardig
c. Beide zijn mogelijk
14. Is een lymfoom goed- of kwaadaardig?
a. Goedaardig
b. Kwaadaardig
c. Beide zijn mogelijk
15. Wat is een glioom?
GZC I → week 5 → vragen → 2
, Werkgroep 9
16. In welke fase stopt de celcyclus door activiteit van p53?
a. G1-fase
b. G2-fase
c. M-fase
d. S-fase
17. Waarom leidt overerving van een gemuteerd allel van TP53 tot aanleg voor
maligne tumoren?
a. Omdat dat leidt tot stimulatie van GADD45
b. Omdat dat leidt tot stimulatie van p21
c. Omdat één ‘hit’ genoeg is om de functie van p53 te stimuleren
d. Omdat één ‘hit’ genoeg is om de functie van p53 te stoppen
18. Wanneer is sprake van het Li-Fraumeni syndroom?
a. Bij één defect TP53 allel
b. Bij twee defecte TP53 allelen
c. Bij een gemuteerd p53-gen
d. Bij een gemuteerd p21-gen
19. Waartoe leidt activatie van normaal p53?
a. Downregulatie van p21 en GADD45
b. Downregulatie van p21 en upregulatie GADD45
c. Upregulatie van p21 en downregulatie GADD45
d. Upregulatie van p21 en GADD45
20.Hoe vaak komt Neurofibromatosis 1 (NF1) voor?
a. 1 op 2.000
b. 1 op 20.000
c. 1 op 3.000
d. 1 op 30.000
21. Welke stelling is juist?
a. NF1 is een GAP-eiwit
b. NF1 is een GEF-eiwit
GZC I → week 5 → vragen → 3