Begrippenlijst
~Symbolen KOM~
Belangrijk:
Hypothese altijd in Griekse letters
Een statistische hypothese gaat altijd over de populatie
Romeinse letters worden gebruikt voor waarden in de steekproef. Deze staan dus niet in de hypotheses.
Hypothese:
Hypothese over het gemiddelde (μ)
Geeft de verwachte gemiddelde waarde in de populatie aan (populatie gemiddelde)
Nulhypothese en alternatieve hypothese (H0 en H1)
Hypothesen die getest worden (respectievelijk geen effect versus wel een effect).
Correlatie
Correlatie in de steekproef (r)
Meet de sterkte en richting van een verband tussen twee variabelen in de steekproef
Correlatie in de populatie (ρ)
De werkelijke correlatie in de populatie, vaak aangeduid met de Griekse letter ρ (rho).
Positieve correlatie:
Een positieve waarde van ρ(bijvoorbeeld ρ=0.5) duidt aan dat als de waarde van de ene variabele toeneemt,
de waarde van de andere variabele ook toeneemt. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat een hogere opleiding
samenhangt met een hoger inkomen.
Negatieve correlatie:
Een negatieve waarde (bijvoorbeeld ρ=−0.3) betekent dat als de waarde van de ene variabele toeneemt, de
waarde van de andere variabele afneemt. Bijvoorbeeld, een negatieve correlatie tussen stressniveaus en
welzijn.
Gemiddelde en Standaarddeviatie
Steekproef gemiddelde (M)
Het gemiddelde van de steekproef, gebruikt als schatting voor het populatiegemiddelde
Standaard afwijking/standaard deviatie (σ)
Meet de spreiding of variabiliteit van scores rondom het gemiddelde in de populatie.
Standaard deviatie in de steekproef (s)
De spreiding van scores rond het gemiddelde in de steekproef
Standaardfout (SE)
Standaard afwijking van steekproefgemiddelde. Dus; SE meet spreiding rondom gemiddelde, resultaat van
herhaalde steekproeven
Steekproef- en Populatieparameters
Steekproefgrootte (n)
Het aantal observaties in de steekproef
Populatiegrootte (N)
Het totale aantal eenheden in de populatie (indien bekend)
Significantieniveau en p-waarde
Significantieniveau, type I fout (α)
De kans op een type I-fout (bijv. α=0,05 betekent 5% kans om de nulhypothese onterecht te verwerpen)
p-waarde (p)
De kans op het verkrijgen van het gevonden resultaat onder de aanname dat de nulhypothese waar is
Lage p-waarde (meestal ≤ 0,05): Er is sterke aanwijzing tegen de nulhypothese. Dit betekent dat het
gevonden effect waarschijnlijk niet door toeval komt, en we verwerpen de nulhypothese. In dit geval
beschouwen we het resultaat als statistisch significant.
Hoge p-waarde (> 0,05): Er is onvoldoende bewijs tegen de nulhypothese. Dit betekent dat het
waargenomen effect waarschijnlijk door toeval kan komen, en we kunnen de nulhypothese niet
verwerpen. In dit geval is het resultaat niet statistisch significant.
, Toetsstatistieken
t-waarde (t)
Een teststatistiek die bij t-toetsen gebruikt wordt om een gemiddeld verschil te toetsen
Grote t-waarde: Wijst op een groot verschil in verhouding tot de standaardfout, wat kan duiden op
een significant resultaat.
Kleine t-waarde: Geeft aan dat het verschil relatief klein is in verhouding tot de standaardfout, wat
minder waarschijnlijk significant is.
Betrouwbaarheidsinterval en Effectgrootte
Betrouwbaarheidsinterval (BI)
Een interval rond een puntschatting, waarbinnen het ware populatiegemiddelde met een bepaalde
zekerheid (bijv. 95%) ligt
Effectgrootte (d bij Cohen's d)
Drukt de grootte van het verschil tussen groepen uit, zoals het verschil in gemiddelden uitgedrukt in
standaarddeviaties
Power en Type II-fout
Type II fout (β)
De kans om een werkelijk effect niet te detecteren; de kans dat de nulhypothese ten onrechte wordt
aangenomen.
Power (1 - β)
De kans om een werkelijk effect correct te detecteren; de kans dat de nulhypothese terecht wordt
verworpen als deze onjuist is.
HC 1.
Begrip Betekenis
Empirisch Gebaseerd op systematische waarnemingen
Controleerbaar Wetenschappers controleren elkaar onderling in de kwaliteit van het onderzoek.
Ook wel bekend als peer review
Probabilistisch Onderzoek heeft altijd een kleine kans dat wat wij onderzoeken niet correct
is. Onderzoek is gebaseerd op kansen
Falsifieerbaar Een theorie moet weerlegd (onderuitgehaald) kunnen worden aan de hand van
verzamelde gegevens
Spaarzaam (parsimonious) Als een eenvoudige theorie volstaat, is het niet nodig om deze complexer te maken.
Zo simpel mogelijk houden (geen zijweggetjes)
Kwalitatief Alles wat je kunt observeren of bevragen (geen nummers)
Kwantitatief Cijfermatige data, alles wat je in nummers kan uitdrukken
Sociale fenomenen Alle gedragingen, acties of gebeurtenissen die plaatsvinden vanwege sociale invloed
Respondent Participanten, deelnemers van het onderzoek (proefpersonen)
Inductie Van het specifieke naar het algemene gaan. Sterk geassocieerd met kwalitatief
onderzoek
Fundamenteel (basic) Kennisvergaring, op zoek naar nieuwe kennis/informatie
Toegepast (applied) Evalueren van kennis, testen of iets in de praktijk werkt
Deterministisch Als ik dit doe (X), gebeurt er dat (Y)
Theorie Een theorie is een geheel van denkbeelden, hypothesen en verklaringen die in
onderlinge samenhang worden beschreven. In de wetenschap is een theorie een
~Symbolen KOM~
Belangrijk:
Hypothese altijd in Griekse letters
Een statistische hypothese gaat altijd over de populatie
Romeinse letters worden gebruikt voor waarden in de steekproef. Deze staan dus niet in de hypotheses.
Hypothese:
Hypothese over het gemiddelde (μ)
Geeft de verwachte gemiddelde waarde in de populatie aan (populatie gemiddelde)
Nulhypothese en alternatieve hypothese (H0 en H1)
Hypothesen die getest worden (respectievelijk geen effect versus wel een effect).
Correlatie
Correlatie in de steekproef (r)
Meet de sterkte en richting van een verband tussen twee variabelen in de steekproef
Correlatie in de populatie (ρ)
De werkelijke correlatie in de populatie, vaak aangeduid met de Griekse letter ρ (rho).
Positieve correlatie:
Een positieve waarde van ρ(bijvoorbeeld ρ=0.5) duidt aan dat als de waarde van de ene variabele toeneemt,
de waarde van de andere variabele ook toeneemt. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat een hogere opleiding
samenhangt met een hoger inkomen.
Negatieve correlatie:
Een negatieve waarde (bijvoorbeeld ρ=−0.3) betekent dat als de waarde van de ene variabele toeneemt, de
waarde van de andere variabele afneemt. Bijvoorbeeld, een negatieve correlatie tussen stressniveaus en
welzijn.
Gemiddelde en Standaarddeviatie
Steekproef gemiddelde (M)
Het gemiddelde van de steekproef, gebruikt als schatting voor het populatiegemiddelde
Standaard afwijking/standaard deviatie (σ)
Meet de spreiding of variabiliteit van scores rondom het gemiddelde in de populatie.
Standaard deviatie in de steekproef (s)
De spreiding van scores rond het gemiddelde in de steekproef
Standaardfout (SE)
Standaard afwijking van steekproefgemiddelde. Dus; SE meet spreiding rondom gemiddelde, resultaat van
herhaalde steekproeven
Steekproef- en Populatieparameters
Steekproefgrootte (n)
Het aantal observaties in de steekproef
Populatiegrootte (N)
Het totale aantal eenheden in de populatie (indien bekend)
Significantieniveau en p-waarde
Significantieniveau, type I fout (α)
De kans op een type I-fout (bijv. α=0,05 betekent 5% kans om de nulhypothese onterecht te verwerpen)
p-waarde (p)
De kans op het verkrijgen van het gevonden resultaat onder de aanname dat de nulhypothese waar is
Lage p-waarde (meestal ≤ 0,05): Er is sterke aanwijzing tegen de nulhypothese. Dit betekent dat het
gevonden effect waarschijnlijk niet door toeval komt, en we verwerpen de nulhypothese. In dit geval
beschouwen we het resultaat als statistisch significant.
Hoge p-waarde (> 0,05): Er is onvoldoende bewijs tegen de nulhypothese. Dit betekent dat het
waargenomen effect waarschijnlijk door toeval kan komen, en we kunnen de nulhypothese niet
verwerpen. In dit geval is het resultaat niet statistisch significant.
, Toetsstatistieken
t-waarde (t)
Een teststatistiek die bij t-toetsen gebruikt wordt om een gemiddeld verschil te toetsen
Grote t-waarde: Wijst op een groot verschil in verhouding tot de standaardfout, wat kan duiden op
een significant resultaat.
Kleine t-waarde: Geeft aan dat het verschil relatief klein is in verhouding tot de standaardfout, wat
minder waarschijnlijk significant is.
Betrouwbaarheidsinterval en Effectgrootte
Betrouwbaarheidsinterval (BI)
Een interval rond een puntschatting, waarbinnen het ware populatiegemiddelde met een bepaalde
zekerheid (bijv. 95%) ligt
Effectgrootte (d bij Cohen's d)
Drukt de grootte van het verschil tussen groepen uit, zoals het verschil in gemiddelden uitgedrukt in
standaarddeviaties
Power en Type II-fout
Type II fout (β)
De kans om een werkelijk effect niet te detecteren; de kans dat de nulhypothese ten onrechte wordt
aangenomen.
Power (1 - β)
De kans om een werkelijk effect correct te detecteren; de kans dat de nulhypothese terecht wordt
verworpen als deze onjuist is.
HC 1.
Begrip Betekenis
Empirisch Gebaseerd op systematische waarnemingen
Controleerbaar Wetenschappers controleren elkaar onderling in de kwaliteit van het onderzoek.
Ook wel bekend als peer review
Probabilistisch Onderzoek heeft altijd een kleine kans dat wat wij onderzoeken niet correct
is. Onderzoek is gebaseerd op kansen
Falsifieerbaar Een theorie moet weerlegd (onderuitgehaald) kunnen worden aan de hand van
verzamelde gegevens
Spaarzaam (parsimonious) Als een eenvoudige theorie volstaat, is het niet nodig om deze complexer te maken.
Zo simpel mogelijk houden (geen zijweggetjes)
Kwalitatief Alles wat je kunt observeren of bevragen (geen nummers)
Kwantitatief Cijfermatige data, alles wat je in nummers kan uitdrukken
Sociale fenomenen Alle gedragingen, acties of gebeurtenissen die plaatsvinden vanwege sociale invloed
Respondent Participanten, deelnemers van het onderzoek (proefpersonen)
Inductie Van het specifieke naar het algemene gaan. Sterk geassocieerd met kwalitatief
onderzoek
Fundamenteel (basic) Kennisvergaring, op zoek naar nieuwe kennis/informatie
Toegepast (applied) Evalueren van kennis, testen of iets in de praktijk werkt
Deterministisch Als ik dit doe (X), gebeurt er dat (Y)
Theorie Een theorie is een geheel van denkbeelden, hypothesen en verklaringen die in
onderlinge samenhang worden beschreven. In de wetenschap is een theorie een