Hc 1.
Begrip Betekenis
Pedagogische wetenschappen Houdt zich bezig met de wetenschappelijke bestudering van de ontwikkeling en
opoeding van , en het onderwijs aan, kinderen
en jongeren. Brede context. Preventie, diagnostiek, behandeling
Opvoeding Het aanleren of onderwijzen van vaardigheden, gedrag, normen, waarden en
stimuleren van interesses zodat kinderen
competent kunnen functioneren binnen cultuur en maatschappij waarin ze
opgroeien
Waar vindt opvoeding plaats Gezin, school, ouders, familie, buurt etc.
Waar is opvoeding aan gelinkt Socialisatie
Wat is socialisatie Het proces waardoor individuen de kennis, vaardigheden en kenmerken
verkrijgen zodat ze effectief kunnen participeren in
de samenleving.
Factoren die ervoor zorgen dat Ouders familie, vrienden, docenten, buurt, overheid, cultuur, werk, sociale
socialisatie plaatsvindt media
Cultuur sensitiviteit Het bewustzijn dat de eigen normen, waarden en behoeften niet voor iedereen
gelden. Verschillen tussen culturen en landen.
Wat doen pedagogen Zijn betrokken bij een breed spectrum van ontwikkelings-, opvoedings- en
onderwijs gerelateerde vragen. Onderzoek, beleid, jeugdhulp, onderwijs
Stromingen binnen de PW 1. Geesteswetenschappelijke stroming
2. Empirisch analytische stroming
3. Kritisch emancipatorische stroming
Geesteswetenschappelijke Focus: belevingswereld en gevoel van ieder kind. Onbevooroordeeld naar de
stroming kinderen kijken. Opvoeders zijn gidsen en begeleiders. Normatieve stroming.
Vrije scholen, montessori
Martinus Langeveld
Empirisch analytische stroming Focus: gedrag van kinderen en de omgeving. Evidence based werken.
Overeenkomsten tussen kinderen en voorspelbaarheid maken opvoed
theorieën. Bv onderwijs cito toetsen Adriaan D.
Kritisch emancipatorische Maatschappelijke engagement. Betere omstandigheden voor kinderen. Inclusief
stroming onderwijs. Micha de Winter > pedagogiek van hoop.
Invalshoeken kritiek op Deficit thinking
geesteswetenschappelijke en Denkwijze van docenten/professionals. Denken in gebreken. Kwetsbare
empirisch analytische kinderen hebben niet de mogelijkheid te slagen
stromingen Medical model
Focus ligt op stoornis of handicap, niet op de behoeften van het kind.
Het kind wordt gereduceerd.
Deficit thinking Denkwijze van docenten/professionals: sommige studenten hebben bepaalde
gebreken of tekorten die de achterstanden verklaren
Medical model Vaak binnen speciaal of passend onderwijs. Focus ligt op de stoornis of
handicap, niet op de behoeften van het kind.
Positive youth development Positieve blik op ontwikkeling. Focus op behoeften van het kind, mogelijkheden
en potenties. Het beste van elke stroming meenemen.
, Belangen van het kind zijn belangrijk
Degelijk onderzoek en geode theorieën zijn belangrijk
Kwesties uit de maatschappij zijn belangrijk
Risico factoren Verwijzen naar omstandigheden of eigenschappen die de kans op
problematische ontwikkelingsuitkomsten vergrote
Beschermende factoren Zijn omstandigheden, eigenschappen of hulpbronnen die de negatieve effecten
van risicofactoren kunnen verminderen of de ontwikkeling van kinderen kunnen
bevorderen.
Weird western, educated, industrialized, rich and democratic
Kenmerken van de westerse cultuur (waar wij uit komen)
Wat is een vreedzame school Programma voor sociale competentie en democratisch burgerschap. Ontwikkeld
in 1999
Wat is een vreedzame wijk Hetzelfde opvoedingsklimaat in de wijk als op school
Hc 2.
Begrip Betekenis
Het spoetnik effect 1957. pedagogisch programma. Brede stimulering van de ontwikkeling van de arme
bevolking
Head start Massaal programma. Halve dagen, een paar dagen in de week, naar de
peuterspeelzaal maar zonder een duidelijk programma. Opvoedingsondersteuning
van ouders, gezinsstimuleringprogramma’s. Gericht op het verhogen van het IQ en
de taalvaardigheid. Werkte niet helemaal
Correlatie Een statistische maat die de sterkte en richting van de relatie tussen twee
variabelen weergeeft, variërend van -1 (perfect negatieve relatie) tot +1 (perfect
positieve relatie), met 0 als geen verband
G-factor De algemene intelligentiefactor die verwijst naar een onderliggende cognitieve
capaciteit die prestaties op verschillende mentale taken beïnvloedt, zoals
redeneervermogen, probleemoplossing en logisch denken
Nature
Genotype De genetische samenstelling van een individu, die de erfelijke informatie bevat en
bepaalt welke eigenschappen kunnen worden doorgegeven, maar niet altijd
zichtbaar is in de uiterlijke kenmerken
Fenotype De waarneembare eigenschappen of kenmerken van een individu, zoals gedrag,
intelligentie en uiterlijk, die het resultaat zijn van de interactie tussen het genotype
(genetische informatie) en de omgeving
Het flynn effect Stijging van intelligentietesten in de loop der jaren. Lijkt uit te doven: Geen grote,
brede culturele veranderingen sinds eind vorige eeuw. Toegenomen differentiatie
in onderwijs, afnemende kwaliteit van het onderwijs voor sommige groepen.
Nature Het idee dat genetische aanleg en erfelijkheid een bepalende rol spelen in de
ontwikkeling van fysieke, cognitieve en gedragsmatige kenmerken van een individu
Nurture Het concept dat omgevingsfactoren, zoals opvoeding, cultuur, ervaringen en sociale
invloeden, een cruciale rol spelen in de ontwikkeling van iemands fysieke,
cognitieve en gedragsmatige kenmerken
Epigenese (GxE) Hoe genetische aanleg (G) en omgevingsfactoren (E) samen bepalen hoe