, Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 – Inleiding strafrecht .................................................................................................................................................................... 3
Hoofdstuk 2 – Voorwaarden strafbaarheid en delictsomschrijving ................................................................................................... 4
Hoofdstuk 3 – Opzet en Schuld........................................................................................................................................................................... 5
Hoofdstuk 4 – Causaliteit ...................................................................................................................................................................................... 6
Hoofdstuk 5 – Strafuitsluitingsgronden ......................................................................................................................................................... 7
Hoofdstuk 6 – Poging, voorbereiding en deelneming ............................................................................................................................... 9
Hoofdstuk 7 – Formeel strafrecht: van opsporing tot tenuitvoerlegging ....................................................................................... 12
Hoofdstuk 8 – De strafprocedure: opsporing, vervolging en berechting ....................................................................................... 15
Hoofdstuk 9 – Dwangmiddelen in het strafproces................................................................................................................................... 18
Hoofdstuk 10 – De dagvaarding: startpunt van de berechting ........................................................................................................... 21
Hoofdstuk 11 – Onderzoek ter terechtzitting en het vonnis................................................................................................................23
Hoofdstuk 12 – Berechting en het rechterlijk oordeel ........................................................................................................................... 25
Hoofdstuk 13 – Motivering, rechtsmiddelen en sancties ...................................................................................................................... 27
Casusopdracht Straf(proces)recht..................................................................................................................................................................30
Vragen......................................................................................................................................................................................................................... 31
Antwoordmodel – Casusopdracht Straf(proces)recht ........................................................................................................................... 32
2
,Hoofdstuk 1 – Inleiding strafrecht
1.1 Wat is strafrecht?
Strafrecht is onderdeel van het publiekrecht. Het regelt welke gedragingen strafbaar zijn en welke
sancties hierop volgen. Het strafrecht beschermt fundamentele rechtsgoederen zoals leven,
eigendom en lichamelijke integriteit.
1.2 Functies van het strafrecht
• Vergelding: het leed dat de dader veroorzaakt heeft, wordt vergolden.
• Preventie:
o Generale preventie: afschrikken van de samenleving.
o Speciale preventie: voorkomen dat de dader opnieuw de fout ingaat.
• Resocialisatie: gedragsverandering van de dader stimuleren.
• Normbevestiging: strafrecht toont aan welke normen in de samenleving gelden.
• Rechtsherstel: herstel van de verstoorde rechtsorde, bijvoorbeeld door schadevergoeding.
1.3 Ultimum remedium
Strafrecht geldt als laatste redmiddel. Dit betekent dat alleen wanneer andere rechtsgebieden
tekortschieten, strafrecht mag worden ingezet. Dit voorkomt overcriminalisering.
1.4 Materieel vs. formeel strafrecht
Materieel strafrecht bepaalt welk gedrag strafbaar is en welke straffen daarop staan. Formeel strafrecht
regelt de procedures: hoe opsporing, vervolging en berechting verlopen. Strafuitvoeringsrecht regelt de
tenuitvoerlegging van straffen.
1.5 Bronnen van strafrecht
• Wetgeving: zoals het Wetboek van Strafrecht (Sr) en Strafvordering (Sv).
• Jurisprudentie: met name van de Hoge Raad.
• Verdragen: zoals het EVRM (recht op eerlijk proces).
• Doctrine: wetenschappelijke literatuur.
1.6 Legaliteitsbeginsel (art. 1 Sr)
• Geen straf zonder wet: nullum crimen, nulla poena sine lege.
• Verbod op terugwerkende kracht.
• Strafbepalingen moeten duidelijk en voorzienbaar zijn.
3
, • Rechter mag geen analoge interpretatie toepassen ten nadele van de verdachte.
Casus: iemand wordt vervolgd op basis van een strafbepaling die pas na het feit in werking is getreden. Dit
is in strijd met het legaliteitsbeginsel.
Hoofdstuk 2 – Voorwaarden strafbaarheid en delictsomschrijving
2.1 Vierlagenmodel van strafbaarheid
Een gedraging is pas strafbaar als aan de volgende vier voorwaarden is voldaan:
1) Menselijke gedraging (actus reus): een handeling of nalaten.
2) Delictsomschrijving wordt overtreden: gedraging valt onder een wettelijke bepaling.
3) Wederrechtelijkheid: gedraging is in strijd met het recht.
4) Verwijtbaarheid (schuld): de dader is verantwoordelijk en kan het verweten worden.
Alle vier de lagen moeten aanwezig zijn voor strafbaarheid.
2.2 Bestanddelen en elementen
• Bestanddelen: staan letterlijk in de delictsomschrijving en moeten bewezen worden.
• Elementen: vereisten als wederrechtelijkheid en schuld; worden verondersteld aanwezig te zijn
tenzij een strafuitsluitingsgrond van toepassing is.
Voorbeeld: Art. 310 Sr – "hij die opzettelijk enig goed wegneemt, met het oogmerk het zich
wederrechtelijk toe te eigenen." → Bestanddelen: opzettelijk, enig goed, wegnemen, oogmerk van
wederrechtelijke toe-eigening.
2.3 Soorten delicten
• Commissiedelicten: gedraging bestaat uit actief handelen (bijv. mishandeling).
• Omissiedelicten: gedraging bestaat uit nalaten (bijv. hulp niet bieden).
• Formele delicten: strafbaar gedrag zit in de handeling (bijv. rijden zonder rijbewijs).
• Materiële delicten: strafbaar gevolg staat centraal (bijv. dood door schuld).
2.4 Schuld (verwijtbaarheid)
De vierde laag van het vierlagenmodel. Het houdt in dat de dader anders had kunnen én moeten
handelen. Schuld betekent strafrechtelijke verwijtbaarheid.
2.5 Bewijsregels
• Minimaal twee wettige bewijsmiddelen (art. 338 Sv).
• Rechter moet op basis daarvan tot een overtuiging komen.
• Voorbeelden van bewijsmiddelen: verklaringen van verdachte/getuigen,
deskundigenverslagen, documenten, eigen waarneming rechter ter terechtzitting.
4