Oncologie 3.
Anatomie & fysiologie hf. hematologisch + lymfatischstelsel
hf. 11,13 & 14
reader H15
Boek: Oncologie
hf. 32 + 33
hf. 22+23
hf. 31.5.1 & 31.6.1 + 34
Anatomie en fysiologie
bloed heeft 5 belangrijke functies:
1. transport van opgeloste gassen, voedingsstoffen, hormonen en afvalproducten van de
stofwisseling;
2. stabilisering van de pH en de ionensamenstelling van de interstitiële vloeistof in het
gehele lichaam;
3. Beperking van het vloeistofverlies bij verwonding door middel van bloedstolling;
4. verdediging tegen gifstoffen en ziekteverwekkers (door de leukocyten);
5. stabilisering van de lichaamstemperatuur.
Bloed bestaat uit plasma, bloedcellen en celfragmenten. componenten van vol bloed kunnen
voor analytische en klinische doeleinden worden gescheiden of gefractioneerd.
vol bloed wordt meestal afgenomen vanuit een oppervlakkig gelegen ader (elleboog). deze
procedure wordt veneuze punctie genoemd. dit wordt in veneuze aderen gedaan omdat:
1. deze aderen oppervlakkiger liggen dan de arteriën;
2. de wanden zijn dunner;
3. de bloeddruk is lager (wond geneest sneller).
een arteriële punctie kan nodig zijn om te beoordelen hoe efficiënt de gaswisseling bij de
longen verloopt.
Het plasma en de interstitiële vloeistof vormen het grootste deel van het volume van het
bloed. het plasma bestaat voor 92% uit water, 7% uit plasma eiwitten en 1% uit andere
opgeloste stoffen.
de drie belangrijkste typen plasma-eiwitten zijn albuminen, globulinen en fibrinogeen. deze
vormen meer dan 99% van de plasma-eiwitten.
albuminen: belangrijk voor het handhaven van de osmotische druk van het plasma
globulinen: dit zijn antistoffen en transporteiwitten (immunoglobulinen) vallen
lichaamsvreemde eiwitten en ziekteverwekkers aan. transporteiwitten binden zich aan kleine
ionen, hormonen.
fibrinogeen: speelt een rol bij de bloedstolling. onder bepaalde omstandigheden reageren
fibrinogeen moleculen met elkaar en worden ze omgezet in lange, onoplosbare, strengen
fibrine.
, de vloeistof die overblijft nadat de stollingseiwitten zijn verwijderd, wordt serum genoemd.
De lever vormt meer dan 90% van de plasma-eiwitten. de antistoffen (immunoglobulinen)
worden gevormd door de plasmacellen van het lymfestelsel.
Erytrocyten zijn de meest talrijke bloedcellen . Erytrocyten bevatten de kleurstof
hemoglobine, die zuurstof en kooldioxide bindt en vervoert. bij een standaard
bloedonderzoek wordt het hematocriet vermeld: het aantal erytrocyten per microliter vol
bloed. bij een volwassen man bedraagt dit zo’n 5,4 miljoen erytrocyten (bij een vrouw resp.
4,8 miljoen). veel aandoeningen hebben invloed op het hematocriet:
het neemt toe bij uitdroging (doordat het plasma volume afneemt) of na stimulering met
erytropoëtine (EPO). het hematocriet neemt af als gevolg van inwendige bloedingen of
wanneer de erytropoëse is verstoord.
de vorm van erytrocyten heeft twee belangrijke effecten op het functioneren:
1. elke erytrocyt heeft een grote oppervlakte ten opzichte van de inhoud. waardoor de
diffusiesnelheid tussen het cytoplasma en het omringende bloedplasma wordt verhoogd.
2. erytrocyten zijn flexibel, zodat ze door de nauwe capillairen kunnen worden geperst.
Erytrocyten hebben geen mitochondriën, zonder mitochondriën kunnen ze alleen via
anaerobe dissimilatie energie verkrijgen waarbij ze glucose uit het omringende bloedplasma
opnemen.
Een volwassen erytrocyt bestaat uit een celmembraan die een hoeveelheid transporteiwitten
omgeeft. Moleculen hemoglobine (Hb) vormen meer dan 95% van de eiwitten in een
erytrocyt. Hemoglobine is verantwoordelijk voor het vervoeren van zuurstof en kooldioxide.
de heemgroep bestaat uit een ijzerion wat met zuurstof reageert. Deze binding is zwak en
kan gemakkelijk verbroken worden. Als er zuurstof is verbonden is de kleur rood. Wanneer
dit niet het geval is is de kleur donkerrood/wijnrood.
Iemand met een verlaagd hematocriet of iemand met minder hemoglobine kan kan minder
zuurstof vervoeren. Dit wordt dan bloedarmoede of anemie genoemd.
De levensduur van een erytrocyt bedraagt slechts 120 dagen. Dagelijks wordt ca één
procent van de erytrocyten in het bloed vervangen.
Wanneer bilirubine niet de gal uitkomt en terugvloeit omdat de galbuizen geblokkeerd zijn,
ontstaat er geelzucht.
Anatomie & fysiologie hf. hematologisch + lymfatischstelsel
hf. 11,13 & 14
reader H15
Boek: Oncologie
hf. 32 + 33
hf. 22+23
hf. 31.5.1 & 31.6.1 + 34
Anatomie en fysiologie
bloed heeft 5 belangrijke functies:
1. transport van opgeloste gassen, voedingsstoffen, hormonen en afvalproducten van de
stofwisseling;
2. stabilisering van de pH en de ionensamenstelling van de interstitiële vloeistof in het
gehele lichaam;
3. Beperking van het vloeistofverlies bij verwonding door middel van bloedstolling;
4. verdediging tegen gifstoffen en ziekteverwekkers (door de leukocyten);
5. stabilisering van de lichaamstemperatuur.
Bloed bestaat uit plasma, bloedcellen en celfragmenten. componenten van vol bloed kunnen
voor analytische en klinische doeleinden worden gescheiden of gefractioneerd.
vol bloed wordt meestal afgenomen vanuit een oppervlakkig gelegen ader (elleboog). deze
procedure wordt veneuze punctie genoemd. dit wordt in veneuze aderen gedaan omdat:
1. deze aderen oppervlakkiger liggen dan de arteriën;
2. de wanden zijn dunner;
3. de bloeddruk is lager (wond geneest sneller).
een arteriële punctie kan nodig zijn om te beoordelen hoe efficiënt de gaswisseling bij de
longen verloopt.
Het plasma en de interstitiële vloeistof vormen het grootste deel van het volume van het
bloed. het plasma bestaat voor 92% uit water, 7% uit plasma eiwitten en 1% uit andere
opgeloste stoffen.
de drie belangrijkste typen plasma-eiwitten zijn albuminen, globulinen en fibrinogeen. deze
vormen meer dan 99% van de plasma-eiwitten.
albuminen: belangrijk voor het handhaven van de osmotische druk van het plasma
globulinen: dit zijn antistoffen en transporteiwitten (immunoglobulinen) vallen
lichaamsvreemde eiwitten en ziekteverwekkers aan. transporteiwitten binden zich aan kleine
ionen, hormonen.
fibrinogeen: speelt een rol bij de bloedstolling. onder bepaalde omstandigheden reageren
fibrinogeen moleculen met elkaar en worden ze omgezet in lange, onoplosbare, strengen
fibrine.
, de vloeistof die overblijft nadat de stollingseiwitten zijn verwijderd, wordt serum genoemd.
De lever vormt meer dan 90% van de plasma-eiwitten. de antistoffen (immunoglobulinen)
worden gevormd door de plasmacellen van het lymfestelsel.
Erytrocyten zijn de meest talrijke bloedcellen . Erytrocyten bevatten de kleurstof
hemoglobine, die zuurstof en kooldioxide bindt en vervoert. bij een standaard
bloedonderzoek wordt het hematocriet vermeld: het aantal erytrocyten per microliter vol
bloed. bij een volwassen man bedraagt dit zo’n 5,4 miljoen erytrocyten (bij een vrouw resp.
4,8 miljoen). veel aandoeningen hebben invloed op het hematocriet:
het neemt toe bij uitdroging (doordat het plasma volume afneemt) of na stimulering met
erytropoëtine (EPO). het hematocriet neemt af als gevolg van inwendige bloedingen of
wanneer de erytropoëse is verstoord.
de vorm van erytrocyten heeft twee belangrijke effecten op het functioneren:
1. elke erytrocyt heeft een grote oppervlakte ten opzichte van de inhoud. waardoor de
diffusiesnelheid tussen het cytoplasma en het omringende bloedplasma wordt verhoogd.
2. erytrocyten zijn flexibel, zodat ze door de nauwe capillairen kunnen worden geperst.
Erytrocyten hebben geen mitochondriën, zonder mitochondriën kunnen ze alleen via
anaerobe dissimilatie energie verkrijgen waarbij ze glucose uit het omringende bloedplasma
opnemen.
Een volwassen erytrocyt bestaat uit een celmembraan die een hoeveelheid transporteiwitten
omgeeft. Moleculen hemoglobine (Hb) vormen meer dan 95% van de eiwitten in een
erytrocyt. Hemoglobine is verantwoordelijk voor het vervoeren van zuurstof en kooldioxide.
de heemgroep bestaat uit een ijzerion wat met zuurstof reageert. Deze binding is zwak en
kan gemakkelijk verbroken worden. Als er zuurstof is verbonden is de kleur rood. Wanneer
dit niet het geval is is de kleur donkerrood/wijnrood.
Iemand met een verlaagd hematocriet of iemand met minder hemoglobine kan kan minder
zuurstof vervoeren. Dit wordt dan bloedarmoede of anemie genoemd.
De levensduur van een erytrocyt bedraagt slechts 120 dagen. Dagelijks wordt ca één
procent van de erytrocyten in het bloed vervangen.
Wanneer bilirubine niet de gal uitkomt en terugvloeit omdat de galbuizen geblokkeerd zijn,
ontstaat er geelzucht.