Paragraaf 1, Waarom grijpt de overheid in?
De handel in bepaalde producten is soms verboden. Ook is productie en verkoop van
bepaalde goederen verbonden aan strikte regelgeving. En vrijwel altijd moet er belasting
over economische transacties worden betaald in de vorm van btw.
De overheid grijpt in bij marktfalen: als de markten hun werk niet of niet goed doen.
Voorbeelden van marktfalen waarbij de overheid ingrijpt:
➔ Sommige producten worden niet door private onderneming geproduceerd. Markten
kunnen alleen functioneren als het om zogenaamde individuele goederen en
diensten gaat. Individuele goederen zijn goederen die splitsbaar zijn in eenheden die
aan individuele personen kunnen worden verkocht. Maar er zijn ook producten die
niet op die manier aan individuen kunnen worden aangeboden. Dit zijn collectieve
goederen: goederen die niet splitsbaar zijn in individueel leverbare eenheden. De
overheid moet het initiatief nemen om deze goederen te produceren.
Een kenmerk van collectieve goederen is ook de niet-uitsluitbaarheid: niemand kan
van het gebruik ervan worden uitgesloten.
Quasi-collectief goed: het wordt aangeboden door de overheid, maar het zou wel
gesplitst kunnen worden in individueel leverbare eenheden.
➔ Productie kan schadelijk neveneffecten hebben. Externe effecten: zijn de gevolgen
van productie of consumptie door de één, voor de welvaart van een ander. Externe
effecten kunnen negatief en positief zijn. Het zijn vooral de negatieve externe
effecten van de productie die de overheid een argument geven om in te grijpen.
➔ Markten kunnen een politiek onaanvaardbare inkomensverdeling tot stand brengen.
Wanneer je je inkomen verliest, kun je in veel gevallen een beroep doen op de
sociale zekerheid (bijv. participatiewet). Het ingrijpen door de overheid is in dit geval
dan ook ingegeven door de politieke overweging dat de inkomensverschillen die
ontstaan zonder een stelsel van sociale zekerheid niet acceptabel zijn.
➔ Aanbieders op monopolieachtige markten kunnen misbruik maken van hun macht.
Hoe meer macht voor de onderneming, des te minder macht voor de consument.
Daarom kan de overheid op een markt ingrijpen of regels instellen om de consument
te beschermen. Ook probeert de overheid kartelvorming op te sporen en te
beboeten. In het algemeen gaat het dus om het grenzen stellen aan de macht van de
aanbieder.
, Paragraaf 2, Maximumprijzen en minimumprijzen
De overheid kan ingrijpen d.m.v. prijsrestricties: ze kan een maximum- of minimumprijs
instellen. Maximumprijs = het maximale bedrag per eenheid dat een aanbieder voor een
bepaald product mag vragen. Met een maximumprijs wil de overheid haar burgers
beschermen (in de Middeleeuwen justus pretium: de rechtvaardige prijs, handelaren die
meer voor een product vroegen dan maatschappelijk aanvaardbaar was, werden door de
kerk terecht gewezen).
(Bekijk eventueel voorbeeld: Maximumprijs huurwoningen).
De overheid zal het weinig aanbod zo eerlijk mogelijk willen verdelen.
Het instellen van een maximumprijs leidt tot welvaartsverlies.
Bij de kunstmatig lage prijs wordt meer gevraagd, maar het aanbod blijft daarbij sterk achter.
Het effect van het instellen van een maximumprijs is als volgt:
➔ Het producentensurplus neemt af, er wordt immers minder aangeboden en ook nog
tegen een lagere prijs.
➔ Wat er met het consumentensurplus gebeurt hangt af van het verloop van de vraag-
en aanbodcurve.
➔ Het totale surplus neemt af met het rode oppervlak.
(Hoort bij voorbeeld: Maximumprijs openbaar vervoer).
Minimumprijs = de prijs per eenheid waaronder de aanbieder zijn product niet hoeft aan te
bieden. Dit is om de aanbieder te beschermen.
Een minimumprijs bij volledige mededinging: de Europese landbouwpolitiek. Het daarin
opgenomen gemeenschappelijk landbouwbeleid berustte op drie pijlers:
➔ Goedkope invoer uit niet-Europese landen werd met een heffing belast, zodat
niet-Europese producten minstens even duur werden als Europese producten.
➔ Binnen Europa werd een minimumprijs ingesteld, een gegarandeerde prijs die de
Europese boeren altijd voor hun producten zouden ontvangen.
➔ Om ervoor te zorgen dat de Europese boeren hun producten toch konden exporteren
naar niet-EEG-landen, ontvingen ze bij uitvoer een exportsubsidie.
(Bekijk eventueel voorbeeld: Landbouwproduct).
Minimumprijzen leiden tot een overschot omdat bij een prijs hoger dan de evenwichtsprijs,
de aangeboden hoeveelheid groter is dan de gevraagde hoeveelheid. Om ervoor te zorgen
dat het uiteindelijke doel wordt bereikt, zal het overschot tegen de gegarandeerde
minimumprijs worden opgekocht → interventieprijzen.
Kritiek op het Europees landbouwbeleid
Het Europees landbouwbeleid kwam (in jaren 90) steeds meer onder vuur te liggen.
Afgesproken is dan ook het stelsel van minimumprijzen, exportsubsidies en invoerrechten
geleidelijk af te bouwen. Daarvoor in de plaats komt een inkomenssteun voor boeren. De
bedoeling is dat de kunstmatig hoge prijzen verdwijnen en dat boeren die dat nodig hebben,
een aanvulling op hun ontvangen.
(Bekijk hierbij eventueel alle grafieken).