Jurisprudentie
Week 1
Geen jurisprudentie
Week 2
Ontucht bewijsminimum ex art. 342 lid 2 Sv (theoretisch kader art. 342 lid 2 Sv)
HR 14 mei 2024, NJ 2024/177, ECLI:NL:HR:2024:686 (ontucht bewijsminimum ex art. 342 lid 2 Sv)
Samenvatting: man heeft vrouw gemasseerd. Twee jaar later doet ze aangifte van ontucht, omdat
masseur haar tussen haar schaamlippen en clitoris gemasseerd/gekneed zou hebben. Hof:
veroordeling ontucht. Verklaring slachtoffer, verklaring verdachte dat hij daar werkte en op die dag
slachtoffer gemasseerd heeft, berichten tussen slachtoffer en huisgenoot dat ze betast is als
bewijsmiddelen.
Rechtsregel algemeen 342 lid 2 Sv: het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft
begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.
Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel
daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342
lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren
gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander
bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet
in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad
kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover
slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen.
Rechtsregel: oordeel Hof niet zonder meer begrijpelijk. Whatsapp berichten afkomstig uit dezelfde
bron (aangeefster) en overige bewijsmiddelen (i) verklaring verdachte dat hij masseur was en op die
datum slachtoffer gemasseerd heeft en (ii) verklaring huisgenoot dat zij enkele jaren na die datum
heeft waargenomen dat de aangeefster tijdens gesprekken over het voorval “zichtbaar minder
zelfverzekerd” was, dat de huisgenoot aan de aangeefster kon zien dat het voorval haar bezig hield en
dat aangeefster er, ook naar eigen zeggen, veel over piekerde bieden onvoldoende steun.
Misbruik van identificerende persoonsgegevens (wanneer sprake van art. 231b Sr)
HR 11 april 2024, NJ 2023/230, ECLI:NL:HR:2023:531 m.nt. Jorg (Misbruik van identificerende
persoonsgegevens, art. 231b Sr)
Samenvatting: verdachte heeft zonder instemming op echt lijkende nepaccounts van aangever
gemaakt. Op die accounts werd de aangever in kwaad daglicht gesteld (teksten als: “l am a religious
sex pervert”), waardoor aangever reputatieschade zou hebben geleden.
Rechtsregel: Hof: van ironie of humor geen sprake. Verdachte heeft accounts en profielen
aangemaakt “als zijnde aangemaakt” door de aangever en daarbij identificerende persoonsgegevens
van de aangever heeft gebruikt met het oogmerk om haar identiteit te verhelen en de identiteit van
de aangever te misbruiken. HR: Dat oordeel geeft tegen de achtergrond van wat hiervoor is
vooropgesteld niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook in het licht van het gevoerde
verweer toereikend gemotiveerd.
1
, Week 3
Geen jurisprudentie
Week 4
Geen jurisprudentie
Week 5
Belediging islam (belediging moet betrekking hebben op groep, Islam onvoldoende)
HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655 (Belediging islam).
Samenvatting: verdachte had op een raam aan straatzijde een poster opgehangen met daarop de
tekst: “Stop het gezwel dat Islam heet. Theo is voor ons gestorven, wie wordt nu de volgende? Kom in
verzet NU. Nationale Alliantie, wij buigen niet voor Allah. Word lid! …”. Hof: er is sprake van
groepsbelediging in de zin van art. 137c Sr, want is ook beledigend voor belijders Islam.
Rechtsregel: strafbare uitlating in de zin van art. 137c Sr moet onmiskenbaar betrekking hebben op
een bepaalde groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt en zich daardoor
onderscheidt van anderen. De enkele omstandigheid dat de uitlatingen over een godsdienst óók de
aanhangers krenken, is niet voldoende om die gelijk te stellen met uitlatingen over die aanhangers
(de groep).
Wilders I (Fitna zet niet aan tot haat of discriminatie in de zin van 137c/d Sr)
Rb Amsterdam 23 juni 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9001 (Wilders I).
Samenvatting: Wilders heeft verschillende openbare uitspraken gedaan en film Fitna uitgebracht. In
deze uitingen vergeleek hij de Islam met fascisme en nazisme en riep hij op tot het verbieden van de
Koran. Hij stelde de islamitische gemeenscha in Nederland en Europa als een bedreiging voor, en de
film Fitna bevatte beelden die de islam neerzetten als gewelddadig en onderdrukkend. Kunnen de
uitingen van Wilders worden gekwalificeerd als groepsbelediging en/of aanzetten tot haat en
discriminatie tegen moslims op grond van art. 137c en 137d Sr, of valt dit onder de vrijheid van
meningsuiting (art. 10 EVRM)?
Rechtsregel: de vrijheid van meningsuiting biedt bescherming, maar kent grenzen, vooral bij
uitlatingen die haatzaaien of discriminatie bevorderen. Voor strafbare groepsbelediging en aanzetten
tot haat moet gekeken worden naar de inhoud en context (maatschappelijk debat) van de uitspraken.
Hoewel eenzijdige wijze van presentatie (Fitna) afkeer en walging op kan roepen, kan niet worden
gezegd dat het tonen van deze (aan de werkelijkheid ontleende) beelden en gebeurtenissen een
opruiend karakter heeft. Vrijspraak.
Vrijheid van meningsuiting politicus (in publiek debat mag choqueren, maar niet aanzetten tot
onverdraagzaamheid)
HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583 (Vrijheid van meningsuiting politicus).
Samenvatting: bij lijsttrekkersdebat (gemeenteraadsverkiezingen Amsterdam) geeft politicus (Delano
Felter) aan dat hij homofilie “afwijkend vindt van het normale”, “We hebben te maken met hele
agressieve homofiele groepen hier”, “Het is heel normaal hè om te zeggen van ik heb een hekel aan
homofielen” e.d. teksten. Hof: uitlatingen gedaan in hoedanigheid als politicus i.h.k.v. publieke debat
waar het ging om algemeen belang (bekritiseerde positie van homoseksuelen in publieke
leven/openbaar bestuur). Uitlatingen hebben niet de strekking te bedreigen/intimideren/aanzetten
tot haat/geweld.
2
Week 1
Geen jurisprudentie
Week 2
Ontucht bewijsminimum ex art. 342 lid 2 Sv (theoretisch kader art. 342 lid 2 Sv)
HR 14 mei 2024, NJ 2024/177, ECLI:NL:HR:2024:686 (ontucht bewijsminimum ex art. 342 lid 2 Sv)
Samenvatting: man heeft vrouw gemasseerd. Twee jaar later doet ze aangifte van ontucht, omdat
masseur haar tussen haar schaamlippen en clitoris gemasseerd/gekneed zou hebben. Hof:
veroordeling ontucht. Verklaring slachtoffer, verklaring verdachte dat hij daar werkte en op die dag
slachtoffer gemasseerd heeft, berichten tussen slachtoffer en huisgenoot dat ze betast is als
bewijsmiddelen.
Rechtsregel algemeen 342 lid 2 Sv: het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft
begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.
Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel
daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342
lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren
gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander
bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet
in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad
kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover
slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen.
Rechtsregel: oordeel Hof niet zonder meer begrijpelijk. Whatsapp berichten afkomstig uit dezelfde
bron (aangeefster) en overige bewijsmiddelen (i) verklaring verdachte dat hij masseur was en op die
datum slachtoffer gemasseerd heeft en (ii) verklaring huisgenoot dat zij enkele jaren na die datum
heeft waargenomen dat de aangeefster tijdens gesprekken over het voorval “zichtbaar minder
zelfverzekerd” was, dat de huisgenoot aan de aangeefster kon zien dat het voorval haar bezig hield en
dat aangeefster er, ook naar eigen zeggen, veel over piekerde bieden onvoldoende steun.
Misbruik van identificerende persoonsgegevens (wanneer sprake van art. 231b Sr)
HR 11 april 2024, NJ 2023/230, ECLI:NL:HR:2023:531 m.nt. Jorg (Misbruik van identificerende
persoonsgegevens, art. 231b Sr)
Samenvatting: verdachte heeft zonder instemming op echt lijkende nepaccounts van aangever
gemaakt. Op die accounts werd de aangever in kwaad daglicht gesteld (teksten als: “l am a religious
sex pervert”), waardoor aangever reputatieschade zou hebben geleden.
Rechtsregel: Hof: van ironie of humor geen sprake. Verdachte heeft accounts en profielen
aangemaakt “als zijnde aangemaakt” door de aangever en daarbij identificerende persoonsgegevens
van de aangever heeft gebruikt met het oogmerk om haar identiteit te verhelen en de identiteit van
de aangever te misbruiken. HR: Dat oordeel geeft tegen de achtergrond van wat hiervoor is
vooropgesteld niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook in het licht van het gevoerde
verweer toereikend gemotiveerd.
1
, Week 3
Geen jurisprudentie
Week 4
Geen jurisprudentie
Week 5
Belediging islam (belediging moet betrekking hebben op groep, Islam onvoldoende)
HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655 (Belediging islam).
Samenvatting: verdachte had op een raam aan straatzijde een poster opgehangen met daarop de
tekst: “Stop het gezwel dat Islam heet. Theo is voor ons gestorven, wie wordt nu de volgende? Kom in
verzet NU. Nationale Alliantie, wij buigen niet voor Allah. Word lid! …”. Hof: er is sprake van
groepsbelediging in de zin van art. 137c Sr, want is ook beledigend voor belijders Islam.
Rechtsregel: strafbare uitlating in de zin van art. 137c Sr moet onmiskenbaar betrekking hebben op
een bepaalde groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt en zich daardoor
onderscheidt van anderen. De enkele omstandigheid dat de uitlatingen over een godsdienst óók de
aanhangers krenken, is niet voldoende om die gelijk te stellen met uitlatingen over die aanhangers
(de groep).
Wilders I (Fitna zet niet aan tot haat of discriminatie in de zin van 137c/d Sr)
Rb Amsterdam 23 juni 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9001 (Wilders I).
Samenvatting: Wilders heeft verschillende openbare uitspraken gedaan en film Fitna uitgebracht. In
deze uitingen vergeleek hij de Islam met fascisme en nazisme en riep hij op tot het verbieden van de
Koran. Hij stelde de islamitische gemeenscha in Nederland en Europa als een bedreiging voor, en de
film Fitna bevatte beelden die de islam neerzetten als gewelddadig en onderdrukkend. Kunnen de
uitingen van Wilders worden gekwalificeerd als groepsbelediging en/of aanzetten tot haat en
discriminatie tegen moslims op grond van art. 137c en 137d Sr, of valt dit onder de vrijheid van
meningsuiting (art. 10 EVRM)?
Rechtsregel: de vrijheid van meningsuiting biedt bescherming, maar kent grenzen, vooral bij
uitlatingen die haatzaaien of discriminatie bevorderen. Voor strafbare groepsbelediging en aanzetten
tot haat moet gekeken worden naar de inhoud en context (maatschappelijk debat) van de uitspraken.
Hoewel eenzijdige wijze van presentatie (Fitna) afkeer en walging op kan roepen, kan niet worden
gezegd dat het tonen van deze (aan de werkelijkheid ontleende) beelden en gebeurtenissen een
opruiend karakter heeft. Vrijspraak.
Vrijheid van meningsuiting politicus (in publiek debat mag choqueren, maar niet aanzetten tot
onverdraagzaamheid)
HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583 (Vrijheid van meningsuiting politicus).
Samenvatting: bij lijsttrekkersdebat (gemeenteraadsverkiezingen Amsterdam) geeft politicus (Delano
Felter) aan dat hij homofilie “afwijkend vindt van het normale”, “We hebben te maken met hele
agressieve homofiele groepen hier”, “Het is heel normaal hè om te zeggen van ik heb een hekel aan
homofielen” e.d. teksten. Hof: uitlatingen gedaan in hoedanigheid als politicus i.h.k.v. publieke debat
waar het ging om algemeen belang (bekritiseerde positie van homoseksuelen in publieke
leven/openbaar bestuur). Uitlatingen hebben niet de strekking te bedreigen/intimideren/aanzetten
tot haat/geweld.
2