H1 Vermogensrechten
- Art. 3:10 Registergoederen: goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde openbare
registers noodzakelijk is.
- Exclusief recht; eigendom; de eigenaar behoeft niet te dulden dat een ander van de zaak gebruik maakt.
- Persoonlijk recht; een aanspraak jegens een bepaalde persoon vorderingsrecht.
- Zakelijk recht; recht op een zaak (stoffelijk object; art. 3:2) eigendom.
- Individualiseringsprincipe: Eigendom kan uitsluitend naar soort en hoeveelheid. Bepaalde zaken is niet mogelijk.
- Eenheidsbeginsel: Wat voor de mens functioneel een eenheid vormt, wordt ook door het recht als eenheid gezien en
dit brengt mee dat de afzonderlijke delen goederenrechtelijk gezien één lot treft (art 5:3).
*Om uit te maken wat als bestanddeel heeft te gelden, bevat art 3:4 twee criteria: de verkeersopvatting en een zeer
hechte fysieke verbinding.
1.1 Vermogensrechten in faillissement
Schuldeisers melden bij faillissement schuldenaar hun vorderingen aan bij de faillissementscurator, die de opbrengst van het te
gelde gemaakte vermogen, na aftrek van de kosten, onder hen verdeelt. Drie situaties:
1. A heeft uit geldleen €1000 te vorderen van B. B gaat failliet
A moet vordering indienen bij de faillissementscurator ter verificatie in afwachting van zijn aandeel in de opbrengst
(meestal niets of gering percentage).
2. A is eigenaar van een fiets die hij in bruikleen heeft gegeven aan B. B gaat failliet.
A is eigenaar gebleven van de fiets. De curator is niet bevoegd de fiets, die niet in de failliete boedel valt, te verkopen.
3. A heeft een recht van vruchtgebruik op een aan B toebehorend huis. B gaat failliet.
Weliswaar zal de curator de zaak verkopen, maar tengevolge van het absolute karakter van een beperkt recht blijft het
recht in stand. Vruchtgebruiker A kan zijn vruchtgebruik handhaven, ook tegen degene die het huis van de curator koopt.
1.2 Vervagende grenzen
!!!Een relatief recht met absolute trekken: Wanneer een uit een overeenkomst voorvloeiend en voor overgang vatbaar recht in
zodanig verband staat met een aan de schuldeiser toebehorend goed (i.c. het huis) dat hij bij dat recht slechts belang heeft,
zolang hij het goed behoudt, dan gaat het recht over op degene die dat goed onder bijzondere titel verkrijgt (art. 6:251).
*Wil de derde partij dit echter niet (i.c. C die het huis heeft gekocht), dan kan C, conform art 6:251 lid 3 jegens A afstand doen
van het recht (i.c. servicebeurten).
Art 3:298 Vorderingsrechten zijn gelijkwaardig, ongeacht de datum van hun ontstaan. Is er echter een goed aan twee personen
verkocht (dus als B en C beide vorderingsrechten hebben) dan gaat het oudere vorderingsrecht voor.
H3 Vertegenwoordiging krachtens volmacht
Volmachtverlening: A verleent d.m.v. rechtshandeling (wil + verklaring; 3:33) aan T de bevoegdheid tot vertegenwoordiging.
Vervolgens kan T van deze bevoegdheid gebruik maken en namens A een ovk met B sluiten ovk komt dan tot stand tussen
A-B (art. 3:66 BW), T is geen partij.
- Lastgeving: obligatoire ovk waarbij de ene partij (lasthebber) zich jegens de andere partij (lastgever) verbindt voor
rekening van e lastgever rechtshandelingen te verrichten (art. 7:414 BW) = lastgevingsovk. Lastovk komt tot stand
tussen A (lastgever) – T (lasthebber), A verplicht T een rechtshandeling te verrichten ten behoeve van A.
- Vertegenwoordiging: het verrichten van een rechtshandeling in naam van een ander door iemand die daartoe
bevoegd is, met gevolg dat de rechtsgevolgen intreden voor die ander (de vertegenwoordigde).
a) Vertegenwoordigingskwaliteit: Het moet voor de wederpartij duidelijk zijn dat de tussenpersoon handelde ‘in
naam van’ de vertegenwoordigde. !!!Dit hoeft niet uitdrukkelijk gemeld te worden; dit kan ook voortvloeien uit
omstandigheden waaronder de rechtshandeling wordt verricht kassamedewerkster AH handelt in naam van
AH en niet in naam van haarzelf).
HR Kribbenbijter 1977: Het hangt af van hetgeen partijen jegens elkander hebben verklaard en wat zij uit
elkaars gedragingen en verklaringen hebben afgeleid en mochten afleiden of iemand jegens een ander
bij het sluiten van een ovk in eigen naam (als wederpartij van die ander) is opgetreden.
b) Vertegenwoordigingsbevoegdheid: de tussenpersoon moet bevoegd zijn om A te vertegenwoordigen. Dit kan
hij ontlenen aan: (1) volmacht, (2) de wet zo zijn ouders de wettelijke vertegenwoordigers van hun kind (art.
1:245 BW) en (3) zaakwaarneming.
Lastgeving, vertegenwoordiging en volmacht kunnen ook los van elkaar voorkomen:
- Lastgeving zonder volmacht en vertegenwoordiging: A komt met T overeen, dat T in eigen naam, maar voor rekening
van A goed koopt.
- Volmacht en vertegenwoordiging zonder lastgeving: A heeft aan T de bevoegdheid verleend, indien hij een specifiek
goed ziet, deze in naam van A te kopen voor maximaal 1000 euro. Hier is enkel een bevoegdheid verleend en geen
verplichting (lastgeving).
- Vertegenwoordiging zonder volmacht: T verkoopt in naam van zijn minderjarige zoon A een goed. T heeft deze
bevoegdheid aan de wet ontleend en er is dus geen volmacht nodig.
- Volmacht zonder vertegenwoordiging: A verleent aan T de bevoegdheid om in zijn naam een goed te kopen. Voordat
T dit heeft kunnen doen overlijdt A. volmacht eindigt door de dood van de volmachtgever (art. 3:72 BW).
3.1 Volmachtverlening
Volmacht: door een rechtshandeling verleende bevoegdheid om een ander te vertegenwoordigen (art. 3:60). Deze
rechtshandeling is eenzijdig, hierdoor:
- Als de gevolgmachtige handelingsonbekwaam is, heeft dit geen gevolg – het is immers niet zijn rechtshandeling wat
de volmacht tot gevolg heeft. De handelingsonbekwame gevolmachtigde is bevoegd tot vertegenwoordiging
(art. 3:63 lid 1).
- Handelingsonbekwaamheid volmachtgever volmacht + krachtens de volmacht verrichte rechtshandeling =
aantastbaar (art. 3:63 lid 2).
3.2 Ontbreken van een toereikende volmacht
Toereikende volmacht kan ontbreken als de achterman (A): (1) geen volmacht heeft verleend of (2) de verleende volmacht is
overschreden door T.
1
, Hoofdregel: als een toereikende volmacht ontbreekt, komt in beginsel geen ovk tot stand A is niet gebonden aan de door T
gesloten ovk, omdat er niet is voldaan aan de vereisten van art. 3:66 lid 1 (een binnen de grenzen van zijn bevoegdheid door
de tussenpersoon verrichte rechtshandeling). Ovk T-B komt niet tot stand, omdat T niet in zijn eigen naam heeft gehandelde.
Uitzondering:
- Gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij. Art. 3:61 lid 2 BW: bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen
in het bestaan van een toereikende volmacht. Vereisten:
- Gerechtvaardigd vertrouwen moet zijn gewekt door toedoen van de achterman (op grond van
verklaring/gedraging).
- HR Moluksche Evangelische Kerk/Clijnk 1968: Onder gedraging valt ook: een niet-doen van de
achterman waardoor bij de wederpartij het vertrouwen wordt gewekt in het bestaan van een toereikende
volmacht.
- HR Felix/Aruba 1992: als de achterman een overheidslichaam is, wordt het toedoenbeginsel verder
opgerekt. Dit omdat het voor burgers lastig te zien is wanneer een overheidsfunctionaris onbevoegd is. Door
allerlei omstandigheden/factoren kan de overheidsfunctionaris (=tussenpersoon) het vertrouwen wekken dat hij
wel bevoegd is.
- HR ING/Bera 2010: toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan ook worden afgeleid
uit de verkeersopvattingen (opvatting / mening wat als heersend in de maatschappij wordt gezien).
-
- Achterman bekrachtigt de onbevoegd gesloten ovk alsnog art. 3:69 BW lid 1 bekrachtiging d.m.v. een tot B
gerichte verklaring !!! deze bekrachtiging heeft terugwerkende kracht, tenzij:
1. Bekrachtiging is niet meer mogelijk als wederpartij de ovk (wegens ontbreken van een toereikende volmacht) als
ongeldig beschouwt, tenzij de wederpartij op het tijdstip dat hij handelde heeft (moeten) begrijpen dat geen
toereikende volmacht was verleend art. 3:63 lid 3.
2. Art 3:69 lid 4: bekrachtiging is niet mogelijk als de onmiddellijk belanghebbende (wederpartij) aan de achterman
een redelijke termijn heeft gesteld voor bekrachtiging en deze termijn heeft laten verlopen zonder tot
bekrachtiging over te gaan.
H4 Het vaststellen van de inhoud van de overeenkomst
Contractsvrijheid: partijen mogen binnen de grenzen getrokken door dwingende wet, goede zeden en openbare orde (art.
3:40) vrij zijn hun vermogensrechtelijke betrekkingen naar eigen inzicht te regelen. De leemte (‘leegte’) in ovk die gesloten zijn
door partijen worden aangevuld door het objectieve recht (wet, gewoonte, redelijkheid en billijkheid).
- HR Haviltex 1981: wat inhoudelijk in een ovk is geregeld, moet niet alleen worden afgeleidt uit een taalkundige uitleg van
de bepalingen van een contract, maar dit moet worden afgeleidt uit hetgeen wat partijen uit gegeven omstandigheden
over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten
verwachten. Het kan dus van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis kan
worden verwacht. Vertrouwensbeginsel speelt dus grote rol.
4.1 Overige factoren die de inhoud van de ovk bepalen
Art. 6:248 lid 1 BW: naast door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft het contract de rechtsgevolgen die voortvloeien
uit: (a) de wet, (b) gewoonte en (c) eisen van redelijkheid en billijkheid, dit in het licht van de bijzondere aard van de ovk.
a) De wet: Meeste wettelijke bepalingen van verbintenissenrecht bevatten aanvullend recht: zij gelden slechts voor
zover partijen niet anders zijn overeengekomen. Dwingend recht: is ingreep in contractsvrijheid, om o.a. de
economisch zwakkere partij te beschermen of een bepaling dwingend recht is volgt uit: de wet of de beoordeling
van strekking van de bepaling. Dus het doel van de wet.
b) De gewoonte: Inhoud van ovk wordt ook bepaald door de gewoonte. Niet vereist is dat partijen bedoeld hebben de
gewoonte te volgen. Partijen volgen de gewoonte, omdacht dit geacht wordt.
c) Eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 1 jo 6:248 lid 1): er moet rekening worden gehouden met het
belang van de ander.
4.2 De beperkende werking van redelijkheid en billijkheid
Redelijkheid en billijkheid kunnen de verplichtingen van schuldenaar (en hiermee de rechten van schuldeiser) uitbreiden. Ovk
heeft ook rechtsgevolgen die uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien (art. 6:248 lid 1). Hebben een aanvullende
werking.
HR Rederij Koppe 1949: Beperkende werking van redelijkheid en billijkheid: hetgeen wat partijen hebben
overeengekomen is niet van toepassing (niet geldig) als dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Een exoneratieclausule (= uitsluitingsclausule) kan nietig zijn door:
- Strijd met de goede zeden / openbare orde (art. 3:40)
- Art. 6:237 sub f, vereisten: (geldig exoneratiebeding beperken door beroep op redelijkheid en billijkheid)
a) Zwaarte van de schuld
b) De aard en verdere inhoud van de ovk waarin het beding voorkomt
c) De maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen
d) Wijze waarop het beding tot stand is gekomen
e) Mate waarin wederpartij bewust is geweest van de strekking van het beding
4.3 Onvoorziene omstandigheden – beperkende werking van redelijkheid en billijkheid
Art. 6:258 BW = onvoorziene omstandigheden: de rechter kan op verlangen van een der partijen de gevolgen van een ovk
wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden, welke naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde
instandhouding van de ovk niet mag verwachten. Rechter wijzigt hierbij de gevolgen van de ovk (bij art. 6:248 lid 2 is dit van
rechtswege, zonder rechter).
Onvoorziene omstandigheden: gaat om of de overeenkomst in de mogelijkheid van een toekomstige omstandigheid voorziet.
Hebben partijen niet voorzien in deze omstandigheid bij het sluiten van de ovk (en dus hiervoor geen voorziening getroffen) is
het een onvoorziene omstandigheid.
H5 Nakoming
5.1 Nakomen, door wie? schuldenaar / medeschuldenaar / derde
Nakoming kan door de schuldenaar zelf en een hoofdelijk verbonden medeschuldenaar. Betaald een van beiden de schuld, dan
is de ander bevrijd (art. 6:102 jo art. 6:7 lid 2).
Art. 6:30 lid 1: een verbintenis kan door een ander dan de schuldenaar worden nagekomen, tenzij haar inhoud/strekking zich
daartegen verzet. Deze ‘derde’ (die de schuld nakomt) moet dit wel doen met de bedoeling de schuld te voldoen (anders is
2