H1 Algemene inleiding
In het internationale recht is de staat een rechtssubject (drager van rechten en verplichtingen); Staten zijn hierdoor
bevoegd onderling verdragen te sluiten.
- Er zijn drie elementen als belangrijkste voorwaarden van het bestaan van een staat: De staat heeft (1) een
grondgebied, (2) een bevolking en (3) er is sprake van uitoefening van gezag of macht.
- De staat: een complex van overheidsorganisaties, ‘ambtenorganisatie’ die gezag of macht uitoefent over
een gemeenschap van mensen op het grondgebied van de staat.
- Kenmerkend gezagsuitoefening door de overheid: alomvattend en geweldsmonopolie (zwaardmacht).
- Vóór de Franse revolutie was de macht van de (absolute) vorst een persoonlijk privilege; overheidsmacht
werd verkocht/geschonken aan personen. Daarna werd overheidsmacht losgemaakt van personen en
toevertrouwd aan permanente overheidsambten = moderne staat.
- Staatsrecht: instelling van overheidsambten, de inrichting vd overheidsorganisatie en de verdeling van
bevoegdheden tussen de overheidsambten (= organisatierecht betreffende de overheid).
- Bestuursrecht: hoofdzakelijk regels stelt inzake de wijze van uitoefening van bevoegdheden.
Functies van het staatsrecht (!!!):
1. De constituerende/ instellingsfunctie: een overheid, bestaande uit overheidsambten wordt ingesteld.
2. De attribuerende functie: aan deze ambten worden bevoegdheden toegekend.
3. De regulerende of matigde functie: hun onderlinge verhouding wordt geregeld en de uitoefening van
bevoegdheden kan worden beperkt.
4. (Legitimerende functie): rechtszekerheid & continuïteit; hoe kan de overheidsorganisatie door haar burgers
aanvaard wordt, hoe zij instemming en rechtvaardiging verkrijgt dit kan niet door staatsrecht geheel
bewerkstelligt worden. Afhankelijk van de wijze waarop overheidsfunctionarissen hun taken uitvoeren.
- Formele constitutie: betrekking op de Grondwet; belangrijkste regels inzake het staatsbestel verankerd +
grondrechten van de burgers geformuleerd = enkel basis, vele andere wetten is dit nader uitgewerkt.
- Materiële constitutie: grondwet + wetten die grondwet nader uitwerken.
- Grondslag aan de inrichting van het constitutionele rechtssysteem: (1) beginsel van de machtenscheiding en (2)
het beginsel van de democratische rechtsstaat.
1.1 Machtenscheiding
Theorie van de trias politica (Montesquieu): drie typen werkzaamheden (overheidsfuncties) in de staatsorganisatie
te onderscheiden: (1) wetgevende macht; stellen van algemene regels, (2) uitvoerende macht; handhaven en
uitvoeren van wetgeving en (3) rechterlijke macht; berechting van geschillen en strafbare feiten. Deze drie
overheidsfuncties dienden aan verschillende overheidsinstellingen te worden opgedragen.
- Grondwet van 1983 vermeldt drie hoofdfuncties in de Nederlandse staat:
(1) wetgeving Staten- Generaal (zie h5 en h3 GW)
(2) bestuur Regering (zie h5 en h2 GW)
(3) rechtspraak rechterlijke macht (zie h6 GW).
Alle drie overheidsorganisaties behoren afzonderlijk, gelijkwaardig, zelfstandig en onafhankelijk te zijn van elkaar.
- Is dus ook scheiding in personen! (art. 57 GW: Kamerleden kunnen geen minister tegelijk zijn).
- Staten-Generaal art. 72 GW: Kamers hebben zelf de bevoegdheid reglementen van orde vast te stellen (zij
bepalen dus hun eigen werkwijze). Art. 61/62 GW: Kamers benoemen zelf hun voorzitter en griffier, en
beëdigen zelf hu nieuwe leden. Art. 71 GW: parlementaire immuniteit; Kamerleden kunnen voor hun
bijdragen aan de parlementaire beraadslagingen niet voor de (straf- of civiele) rechter gedaagd worden.
- Rechterlijke macht: art. 117 GW: de basis van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.
- Regering: art. 57 jo 71 GW, 42 GW: regeling van Koninklijke onschendbaarheid, 49 GW: beëdiging van
ministers.
Check and balances: evenwichtige spreiding en balancering van bevoegdheden over de staatsmachten.
- Art. 81 GW: vaststellen van wetten gebeurd door de regering en Staten-Generaal gezamenlijk.
In verhouding regering – parlement zijn veel controlemechanismen:
- Ministeriële verantwoordelijkheid (art. 42 jo 68 GW); verplicht ministers verantwoording af te leggen aan het
parlement (de kamers).
- Vertrouwensregel (ongeschreven); verplicht ministers ontslag te vragen indien een Kamer het vertrouwen in
hen opzegt.
- Art. 64 GW: Regering kan een Kamer ontbinden en zo vervroegde verkiezingen uitlokken.
Kenmerken machtenscheidingsprincipe (positiefrechtelijke benadering):
1. Drie afzonderlijke, gelijkwaardige, zelfstandige staatsmachten (Staten-Generaal, regering, onafhankelijke
rechtelijke macht) oefenen de drie hoofdfuncties uit: wetgeving, bestuur en rechtspraak.
2. Machtenscheiding is organisatorisch en functioneel niet absoluut. Wetgeving en bestuur is er sprake van
gedeelde bevoegdheden. Rechtspraak is exclusief voorbehouden aan de rechter.
3. De constitutie: voorziet gedeeld bevoegdheden diverse andere vormen van controle die machtsmisbruik
moeten voorkomen (check and balances).
1
, Eerst dient men de machten te scheiden, vervolgens kan men zich afvragen in hoeverre check and balances vereist
zijn. Dit kan namelijk bijdragen aan de onderlinge verhoudingen, maar ook afbreuk doen aan het evenwicht tussen
de machten.
1.2 Democratische rechtsstaat
Overgang van absolutistische staat naar rechtsstaat liep parallel aan het verdwijnen van de middeleeuwse
standenmaatschappij, begin 19e eeuw ontwikkelde een burgerlijke maatschappij met een parlement. Vier
basiselementen: (1) legaliteitsbeginsel, (2) machtenscheiding, (3) onafhankelijke rechtspraak, (4) grondrechten.
1. Legaliteitsbeginsel (niet vastgelegd in GW): elk overheidsoptreden moet berusten op een voorafgaande
algemene regeling, dit optreden moet conform die algemene regeling zijn. Zo wordt willekeur van de overheid
jegens burgers voorkomen en zorgt voor rechtszekerheid bij burgers; het overheidsoptreden wordt voorspelbaar.
Draagt dus bij aan rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor burgers. Dit geldt voor ieder ambt: ministers dienen hun
besluiten te doen berusten op de wet, de rechter moet volgens de wet rechtspreken (art. 11 Wet AB), wetgever is
gebonden aan de constitutie of grondwet. Rule of law (VS): ‘A government of laws and not of men’ nadrukt de
onpersoonlijke werking van het recht. Bij de rechtsstaatgedachte ligt echter het accent op de binding van de staat
door en aan het recht. Art. 1 GW gelijkheid verlangt rechtsgelijkheid en rechtszekerheid en dus het
legaliteitsbeginsel. Veel andere artikelen in de GW eisen het legaliteitsbeginsel voor een specifiek terrein (art. 15
GW, art. 16GW).
Democratieprincipe (H3 GW; art. 81 GW): volksinvloed op het handelen van de overheid. Het overheidsoptreden
moet een voorafgaande grondslag hebben in de grondwet of de wet, die (mede) vastgesteld wordt door een op
basis van verkiezingen samengestelde volksvertegenwoordiging. Democratieprincipe stelt dus bijzondere eisen aan
de wijze waarop wettelijke regels waaraan de overheid gebonden is, tot stand komen. Democratische rechtsstaat:
eis dat een volksvertegenwoordiging bij de vaststelling van de wet (mede) bepaalt of en op welke grond de overheid
jegens burgers mag handelen en besluiten.
2. Machtenscheiding: verdeling van overheidsfuncties over drie zelfstandige, onafhankelijke, gelijkwaardige
staatsmachten.
3. Onafhankelijke rechtspraak: toetst de andere staatsmachten op rechtmatigheid. De rechter handhaaft het
legaliteitsbeginsel, de rechter gaat verder dan GW voorschrijft. HR Fluoridering 1973; uitdrukking gegeven aan
legaliteitsbeginsel; voor ingrijpende overheidsmaatregelen is een wettelijke grondslag vereist.
4. Grondrechten: Rechtsstaatprincipe eist dat in de constitutie grondrechten of vrijheidsrechten van burgers zijn
verankerd, de rechter ziet erop toe dat de overheid geen inbreuk maakt op grondrechten. Terug te vinden in H1 GW
en verdragen (EVRM, IVBPR).
Klassiek-liberale rechtstaat ontwikkelde zich in 19e – 20e eeuw tot democratische rechtstaat. In de tweede helft 20e
eeuw is hieraan een sociale dimensie toegevoegd.
Sociale rechtsstaat: overheid heeft ook de verplichting om een sociale, culturele en economische infrastructuur te
waarborgen (sociale grondrechten).
1.3 Constitutionele geschiedenis
De eerste Grondwet dateert van 1814. Er is sinds 1814 veel verandert, zoals de ontwikkeling van de
constitutionele monarchie en de representatieve democratie met een parlementair stelsel. Een
constitutionele monarchie veronderstelt de aanwezigheid van een koningschap, waarbij de constitutie
bevoegdheden verdeelt over de Koning en andere overheidsinstellingen. De bevoegdheden van de
koning worden door de constitutie beperkt en geregeld. In een representatieve democratie met een
parlementair stelsel oefent een volksvertegenwoordiging overheidsbevoegdheden uit, met name de
wetgevende macht.
- 1814-1815: Verwerving van het koningschap (erfopvolging e.d.) en de bevoegdheden van de Koning centraal in
GW. De macht van het staatshoofd was beperkt. De wetgevende macht = Koning en Staten-Generaal gezamenlijk.
De uitvoerende macht lag bij de Koning. Daarnaast was er een onafhankelijke rechterlijke macht. Hierbij ontbrak de
check and balances. De ministers waren enkel aan de Koning als onderschikten verantwoording schuldig.
Daarnaast was de Koning bevoegd geschillen, waarbij het bestuur betrokken was, te onttrekken aan de rechterlijke
macht, om deze vervolgens zelf te beslissen (er was dus geen volledig rechterlijke controle op het bestuur). De
leden in de Eerste Kamer werden door de Koning benoemd, de Tweede Kamer door de provinciale staten gekozen
(hierbij had de Koning invloed!). Er waren geen fracties/partijen in de Kamers.
Het Verdrag van Wenen bracht vereniging van Nederland en België (toen der tijd hoorden deze bij elkaar). Belgen
kwamen in opstand en verklaarden zich onafhankelijk (in 1839 werd België onafhankelijk). Dit moest eveneens
gewijzigd worden in de Grondwet. Koning Willem I weigerde België als onafhankelijk te zien en begon een oorlog
waardoor Nederland aan de rand van de financiële afgrond verkeerde. Dit zorgde voor toenemende kritiek in de
Staten Generaal. De Tweede Kamer wilde bij deze grondwetsherziening het beginsel van de ministeriële
verantwoordelijkheid in de Grondwet verankeren. Onder druk van de Tweede Kamer kwam de regering deze
parlementaire wensen tegemoet.
Bij de grondwetsherziening van 1840 kwam er het contraseign: alle Koninklijke besluiten moeten voortaan door
een minister worden mede-ondertekend. Indien door deze besluiten de Grondwet of wet werden geschonden was
de minister strafrechtelijk verantwoordelijk. De Koning treedt dus niet meer persoonlijk op, maar de ‘constitutionele
Koning’ = Koning met een of meer ministers. De Koning kan dus niet meer zelfstandig besluiten nemen, de minister
2