01.05.2025
Probleem 1 Biopsychologie
L1. Wat zijn neuronen en neurotransmitters en wat is de relatie tussen
neuropsychologie, neurotransmitters en antisociaal gedrag?
Neuronen / zenuwcellen zijn de meest basale verwerkingseenheden in
de hersenen. Het is een cel die gespecialiseerd is om informatie te
ontvangen, te verwerken en aan andere cellen door te geven. Het
versturen van signalen wordt ook wel ‘vuren’ genoemd. Een bundeling
van een groot aantal neuronen wordt een zenuw genoemd.
Een typische zenuwcel kan signalen van 1000 andere cellen
ontvangen en, binnen een fractie van een seconde, besluiten het
signaal door te geven met een snelheid van wel 100 meter per
seconde aan 1000, soms wel 10.000 neuronen
1) Sensorische neuronen (eenrichtingsverkeer)
- Geleiden alleen signalen van de zintuigen naar de hersenen
- Geleiden signalen die leiden tot sensaties van zicht, gehoor,
smaak, aanraking, geur, pijn en evenwicht.
2) Motorische neuronen (eenrichtingsverkeer)
- Versturen signalen vanuit de hersenen en het ruggenmerg naar de spieren organen en klieren
- Motorische neuronen geleiden de instructies voor al onze handelingen → dorst hebben, deze neuronen sturen signalen die
je hand aansturen om de kraan open te draaien
3) Schakelcellen (interneuronen)
- Sensorische neuronen communiceren allen rechtstreeks met motorische neuronen in geval van reflexen
- Het grootste deel van de miljarden cellen in de hersenen en het ruggenmerg bestaat uit schakelcellen
- Deze neuronen schakelen boodschappen door van sensorische neuronen naar andere schakelcellen of naar motorische
neuronen, soms in complexe zenuwbanen.
Neurotransmitters
1) Dopamine → Beloningssysteem, motivatie, plezier, beweging.
2) Serotonine → Reguleert stemming, slaap, eetlust en agressie
3) Endorfine → Vermindert pijn, geeft gevoel van geluk/euforie.
4) GABA → Remt overmatige hersenactiviteit; kalmeert.
5) Glutamaat → Belangrijkste stimulerende neurotransmitter; essentieel
voor leren en geheugen.
Het zenuwstelsel werkt via gespecialiseerde cellen die neuronen worden
genoemd. Deze cellen ontvangen, verwerken en verzenden informatie.
1. Opbouw van een neuron
● Dendrieten zijn vertakte vezels die signalen opvangen uit de
omgeving of van andere neuronen.
● Deze signalen gaan naar het cellichaam (soma), dat de celkern bevat
en zorgt voor de algemene celwerking.
● Het cellichaam telt alle signalen op: exciterende signalen stimuleren
het neuron (‘Vuur!’), terwijl inhiberende signalen het afremmen (‘Vuur
niet!’).
● Het totaal van deze signalen bepaalt of het neuron vuurt; dit proces
heet summatie.
2. Actiepotentiaal en signaalgeleiding
● Als de optelsom van signalen een bepaalde drempelwaarde overschrijdt, ontstaat een actiepotentiaal.
● Dit is een elektrisch signaal dat via de axon loopt, een lange vezel die signalen doorstuurt naar andere cellen.
● In rust heeft het neuron een rustpotentiaal: de binnenkant is negatief geladen en de buitenkant positief, door de verdeling
van ionen.
● Bij voldoende stimulatie ontstaat depolarisatie: positieve ionen stromen naar binnen, de binnenkant wordt tijdelijk positief.
● Dit proces is alles-of-niets: de actiepotentiaal ontstaat volledig of helemaal niet.
● Daarna volgt repolarisatie, waarbij het neuron terugkeert naar de rusttoestand.
3. Synaps en neurotransmissie
, ● Aan het uiteinde van de axon bevinden zich eindknopjes, die contact maken met andere cellen via de synaps – een kleine
spleet tussen twee neuronen.
● De elektrische impuls veroorzaakt het vrijkomen van neurotransmitters uit synaptische blaasjes.
● Deze stoffen steken de synaptische spleet over en binden aan receptoren van het volgende neuron.
● Afhankelijk van het type neurotransmitter heeft dit een exciterend of inhiberend effect.
● Na hun werking worden neurotransmitters vaak heropgenomen door het neuron (via reuptake) voor hergebruik.
4. Ondersteunende cellen: gliacellen
● Gliacellen bieden structurele steun, helpen bij het opruimen van afvalstoffen en vormen een myelinelaag rond axonen, die
de geleiding versnelt.
● Ze vormen ook de bloed-hersenbarrière, die beschermt tegen schadelijke stoffen.
5. Plasticiteit van het zenuwstelsel
● Plasticiteit is het vermogen van het zenuwstelsel om te veranderen op basis van ervaringen.
● Dit kan structureel zijn (zoals toename of afname van synaptische verbindingen) of chemisch (verandering in
neurotransmitters).
● Plasticiteit is essentieel voor leren, geheugen en herstel na beschadiging.
Relatie tussen Neuropsychologie, Neurotransmitters en Antisociaal Gedrag
De relatie tussen deze concepten is complex en overlappend. De bronnen bespreken zowel neuropsychologie als neurotransmitters
als aparte, maar gerelateerde, neurobiologische factoren die ten grondslag kunnen liggen aan antisociaal gedrag.
Neuropsychologie en Antisociaal Gedrag: De neuropsychologie bestudeert de relatie tussen de werking van de hersenen en
cognitie, emotie, waarneming en gedrag. In dit kader worden onder andere 'executieve functies' gemeten, dit zijn complexe cognitieve
vaardigheden die betrokken zijn bij het beheersen en reguleren van doelgericht handelen, zoals inhibitievermogen, planningsvermogen
en cognitieve flexibiliteit. Ook 'sociale cognitie', het begrijpen van andermans gedrag en adequaat reageren in sociale situaties,
inclusief emotieherkenning en empathie, wordt onderzocht.
Onderzoek toont aan dat individuen met antisociaal gedrag over het algemeen tekorten vertonen in executieve functies. Ze
presteren vaak slechter op testen die een beroep doen op (ruimtelijk) werkgeheugen en aandacht. Dit verband lijkt robuust en
onafhankelijk van leeftijd en geslacht. Daarnaast hebben individuen met antisociaal gedrag over het algemeen een verminderde
sociale cognitie. Er is een link tussen antisociale gedragsproblematiek en een gebrekkige herkenning van angstige
gezichtsuitdrukkingen. Kinderen met conduct disorder vertonen tekorten in het herkennen en begrijpen van negatieve emoties en in
motorische empathie (fysiek spiegelen van emoties). Structurele en functionele afwijkingen in hersengebieden zoals de prefrontale
cortex (betrokken bij aandacht, impulsbeheersing, besluitvaardigheid) en de amygdala (betrokken bij emotieherkenning, empathie,
ongevoeligheid voor straf) zouden kunnen samenhangen met een minder goede werking van deze neuropsychologische functies.
Neurotransmitters en Antisociaal Gedrag: Neurotransmitters beïnvloeden hersenfuncties en daarmee gedrag. Onderzoek richt zich
met name op serotonine, dopamine, GABA en glutamaat in relatie tot antisociaal gedrag.
● Er zijn aanwijzingen voor een verband tussen een verlaagde serotonine concentratie en verhoogde agressie, hoewel de
bevindingen inconsistent zijn. Serotonine is onder andere betrokken bij de regulatie van stemming en slaap. Genen zoals
5HTTLPR en MAOA beïnvloeden serotonine-systemen en zijn bestudeerd in relatie tot antisociaal gedrag.
● Medicatie Onderzoek suggereert een relatie tussen dopamine, GABA en glutamaat en agressie. Risperidon, dat de werking
van serotonine en dopamine blokkeert, lijkt samen te hangen met een afname in agressie. Medicatie die mogelijk de werking
van GABA versterkt en die van glutamaat vermindert, toonde in sommige studies ook een agressie reducerende werking,
maar resultaten waren inconsistent. Dopamine is betrokken bij beloningsgevoeligheid en aandacht. GABA is de voornaamste
remmende neurotransmitter, terwijl glutamaat vooral stimulerend is en betrokken bij leren en geheugen. Genen zoals COMT
en DRD4 beïnvloeden dopamine-systemen en zijn ook onderzocht.
Verband: Neuropsychologie bestudeert hoe hersenfuncties gerelateerd zijn aan cognitie en gedrag. Neurotransmitters zijn de
chemische middelen die de communicatie tussen neuronen in de hersenen mogelijk maken en zo de hersenfunctie beïnvloeden. De
neuropsychologische tekorten die worden gezien bij antisociaal gedrag, zoals problemen met executieve functies (bijvoorbeeld
aandacht, impulscontrole) en sociale cognitie (bijvoorbeeld emotieverwerking), zijn afhankelijk van de juiste werking van specifieke
hersengebieden en neurale netwerken. De chemische signalering en de regulatie van activiteit binnen deze netwerken worden
grotendeels bepaald door neurotransmitters.
L2. Hoe werken hormonen en wat is de relatie tussen bepaalde hormonen en
antisociaal gedrag?
Het endocriene stelsel is opgebouwd uit klieren die chemische boodschappers, bekend als hormonen, in de bloedbaan afgeven. Deze
hormonen reizen via het bloed naar verder gelegen cellen en coördineren hun acties. Dit systeem reageert op input van het
zenuwstelsel, met name van de hypothalamus. Het endocriene stelsel is in het bijzonder betrokken bij opwinding, metabolisme, groei
en geslacht.
Belangrijke klieren van het endocriene stelsel zijn onder andere de hypofyse, de schildklier, de bijnieren, de eilandjes van Langerhans
(in de alvleesklier), de eierstokken (bij vrouwen) en de teelballen (bij mannen).
, ● De hypofyse, gelegen net boven het gehemelte, wordt vaak de 'masterklier' van het lichaam genoemd, omdat veel van de
hormonen die het afgeeft andere klieren activeren. De hypofyse wordt op haar beurt gereguleerd door de hypothalamus, die
er direct boven ligt. De hypofyse geeft hormonen vrij zoals oxytocine, vasopressine en menselijk groeihormoon. Oxytocine en
vasopressine zijn onder meer betrokken bij coöperatie, vertrouwen, geheugen voor sociale informatie, herkenning van
emoties en veerkracht tijdens stress. Groeihormoon stimuleert groei en regeneratie. Andere hypofysehormonen beïnvloeden
de afgifte van geslachtshormonen door de eierstokken en teelballen, wat onder andere de puberteit initieert en vruchtbaarheid
in stand houdt.
● De hypothalamus speelt een belangrijke rol bij motivatie en homeostase, zoals de regulatie van lichaamstemperatuur, dorst,
honger, biologische ritmes en seksuele activiteiten. De hypothalamus voert deze taken uit door het autonome zenuwstelsel en
het endocriene stelsel met zijn hormonen aan te sturen. Het produceert ook hormonen zoals oxytocine en vasopressine. De
hypothalamus is een centraal onderdeel van belangrijke assen binnen het endocriene systeem, zoals de HPA-as en de
HPG-as.
● De hypothalamus-hypofyse-bijnier-as (HPA-as) reguleert de aanmaak van het stresshormoon cortisol. Bij stress produceert
de hypothalamus het corticotropin-releasing hormoon (CRH), wat de hypofyse stimuleert om adreno-corticotroop hormoon
(ACTH) aan te maken. ACTH stimuleert op zijn beurt de bijnieren om cortisol te produceren. Cortisol mobiliseert fysieke
reacties op stress en zorgt voor een remming op de productie van CRH en ACTH in de hersenen (negatieve feedback). De
reactie van de HPA-as op stress is trager en duurt langer dan die van het sympathische adrenomedullaire (SAM) systeem,
wat veel van de uitkomsten van chronische stress verklaart. Cortisolreceptoren in de hippocampus dienen als een
feedbackloop om overreactie van het systeem te voorkomen.
● De hypothalamus-hypofyse-geslachtsklieren-as (HPG-as) speelt een belangrijke rol bij de aanmaak van testosteron. De
hypothalamus produceert gonadotropin-releasing hormoon (GnRH), wat de hypofyse aanzet tot de aanmaak van
luteïniserend hormoon (LH) en follicle-stimulating hormoon (FSH). Bij mannen zorgt LH onder andere voor de aanmaak van
testosteron in de teelballen. Testosteron remt op zijn beurt de werking van de hypofyse en de hypothalamus (negatieve
feedback).
Relatie tussen bepaalde hormonen en antisociaal gedrag
Hormonen hebben een directe invloed op het functioneren van de hersenen en daarmee op gedrag. Onderzoek naar de relatie tussen
hormonen en antisociaal gedrag richt zich vooral op cortisol en testosteron.
1. Cortisol:
○ Cortisol is het 'stresshormoon', voornamelijk aangemaakt in situaties van spanning en stress.
○ Onderzoek suggereert een relatie tussen een verlaagd cortisolniveau in rust en ernstiger externaliserend
probleemgedrag, hoewel dit verband zwak is en vooral bij kinderen gevonden wordt. Jonge kinderen (tot 5 jaar) met
probleemgedrag hebben vaker een verhoogd cortisolniveau, terwijl kinderen tussen 5 en 12 jaar met
probleemgedrag juist gekenmerkt worden door een verlaagd niveau.
○ Een mogelijke verklaring voor het verlaagde niveau bij oudere kinderen is dat langdurige ernstige stress op jonge
leeftijd de HPA-as ongevoeliger maakt. Ook kan een verlaagd cortisolniveau veroorzaakt worden door een te sterke
remming van cortisol op de HPA-as of doordat individuen een hogere grens hebben voor het ervaren van stress.
○ Een laag cortisolniveau houdt ook verband met sensatiezoeken, verminderde gevoeligheid voor straf en agressief
gedrag. Er is bewijs voor een relatie tussen psychopathische/ongevoelige/emotieloze kenmerken en lage
cortisolconcentraties bij jongeren.
○ Er is echter ook bewijs voor een verhoogd cortisolniveau in relatie tot agressief gedrag.
○ Samengevat: Het cortisolniveau is mogelijk verlaagd, maar waarschijnlijk vooral verstoord/uit balans bij kinderen
en jongeren met antisociaal gedrag.
2. Testosteron:
○ Testosteron wordt in de volksmond vaak in verband gebracht met antisociaal, agressief gedrag.
○ Onderzoek laat een statistisch significant, maar zwak verband zien tussen testosteron en agressief gedrag bij
kinderen, jongeren en volwassenen. Dit geldt ook voor prenataal testosteron en agressief gedrag.
○ Een langere ringvinger in verhouding tot de wijsvinger zou kunnen wijzen op een verhoogd prenataal
testosteronniveau. Prenatale blootstelling aan hoge androgenen verhoogt agressief spel bij kleuters. Volwassen
mannen met hogere prenatale testosteronniveaus scoren hoger op gestandaardiseerde agressievragenlijsten.
○ Overzichtsstudies tonen een duidelijker verband aan tussen verhoogde testosteronniveaus en de aanwezigheid
van agressief, antisociaal, delinquent en dominant gedrag.
○ Het verband tussen testosteron en antisociaal gedrag is niet altijd aanwezig, vooral niet bij kinderen, mogelijk omdat
agressie bij jonge kinderen (nog) niet samenhangt met dominant gedrag zoals bij volwassenen. Het verband wordt
duidelijker naarmate kinderen ouder zijn, met redelijk sterk bewijs voor een verband bij jongeren tussen 12 en 20
jaar, vooral voor jongens.
○ Testosteron lijkt agressief gedrag te beïnvloeden door de sensitiviteit van de amygdala voor bedreigende
prikkels te verhogen, wat kan leiden tot agressief gedrag als preventieve actie bij dreiging.
○ De combinatie van laag cortisol en hoog testosteron is geassocieerd met een verhoogd risico op
agressief/antisociaal gedrag. Een verhoogd testosteronniveau op zichzelf is waarschijnlijk niet 'genoeg' als
risicofactor voor gewelddadig gedrag.
3. Overige hormonen:
○ Alpha-amylase: Stijgt bij fysiologische en psychologische stress en is een maat voor activiteit van het sympathische
autonome zenuwstelsel. Een combinatie van lage waarden van alpha-amylase én lage cortisolwaarden is
geassocieerd met verhoogd agressief/antisociaal gedrag.
○ Oxytocine: Speelt een belangrijke rol in sociaal gedrag, waaronder empathie en sociale binding. Onderzoek toont
een relatie tussen een lager oxytocinegehalte in de hersenen en meer agressief gedrag. Toediening van
oxytocine kan het cognitief empathisch vermogen verbeteren. Het is sterker geassocieerd met binding bij vrouwen en
een 'tend-and-befriend' reactie op stress.
, ○ Vasopressine: Gerelateerd aan oxytocine en speelt een belangrijke rol in sociaal gedrag bij diersoorten. Bij mensen
is er wellicht een relatie tussen vasopressine en crimineel gedrag, en het speelt mogelijk een rol bij mannelijke
agressie, dominantie en status.
○ DHEA: Een voorproduct van testosteron. Verhoogde waarden van DHEA-S zijn gevonden bij kinderen en
adolescenten met conduct disorder, maar de relatie met antisociaal gedrag is nog niet duidelijk en de bevindingen
zijn inconsistent.
L3. Wat is het zenuwstelsel en wat is de relatie tussen hartslag en huidgeleiding
en antisociaal gedrag?
Het Zenuwstelsel
Het zenuwstelsel is verantwoordelijk voor de regulatie en aansturing van de communicatie in het lichaam, wat processen zoals praten,
denken en bewegen mogelijk maakt. Het is opgebouwd uit twee hoofddelen:
1. Het Centrale Zenuwstelsel (CZS): Dit omvat de hersenen en het ruggenmerg. Het is betrokken bij al het gedrag en mentale
processen.
2. Het Perifere Zenuwstelsel: Dit omvat alle zenuwen buiten het CZS. Een belangrijk deel hiervan is het autonome
zenuwstelsel.:
1. Het Centrale Zenuwstelsel (CZS):
○ Dit bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.
○ Onderzoek naar de hersenen in relatie tot antisociaal gedrag heeft de laatste decennia een sterke groei
doorgemaakt dankzij verbeterde beeldvormende technieken.
○ Bij hersenonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen functie (wat specifieke hersengebieden doen tijdens taken)
en structuur (vorm, grootte of bouw van gebieden). Technieken zoals fMRI, sMRI (types van MRI), DTI, PET en
SPECT worden gebruikt om structuur en functie te bestuderen. EEG meet elektrische hersenactiviteit.
○ Verschillende hersengebieden zijn in verband gebracht met antisociaal gedrag, waaronder delen van de prefrontale
cortex (zoals de rechter orbitofrontale cortex, de anterieure cingulate cortex en de linker dorsolaterale prefrontale
cortex), die betrokken zijn bij cognitieve functies zoals aandacht, impulsbeheersing en besluitvaardigheid. Studies
laten zien dat personen met antisociaal gedrag op groepsniveau een kleiner volume en verminderde activiteit in deze
gebieden kunnen hebben.
○ De amygdala, een diepergelegen hersenstructuur die betrokken is bij emotieherkenning, wordt ook in verband
gebracht met antisociaal gedrag. Verkleining en verminderde activiteit van de amygdala worden gezien bij groepen
met antisociale trekken. Dit kan samenhangen met een geremde emotionele ontwikkeling, slechter empathisch
vermogen, moeite met het herkennen van angstige gezichtsuitdrukkingen en ongevoeligheid voor straf. Ook
verminderde communicatie tussen frontale gebieden en de amygdala is gesuggereerd.
○ Andere dieper gelegen gebieden zoals de insula en het striatum, betrokken bij 'hete' executieve functies,
emotieregulatie, introspectie en empathie, laten ook verkleining en verminderde activatie zien bij kinderen en
jongeren met ernstig antisociaal gedrag.
○ De hersenen bestaan uit zenuwcellen (neuronen) die boodschappen doorgeven via neurotransmitters.
Zenuwcellen hebben uitlopers (axonen) die witte stofbanen vormen. Plasticiteit verwijst naar het vermogen van de
hersenen om structureel en chemisch te veranderen als reactie op ervaringen.
2. Het Autonome Zenuwstelsel (AZS):
○ Dit reguleert onwillekeurige lichaamsfuncties zoals ademhaling, hartslag, hormoon- en zweetproductie.
○ Het fungeert als een verbinding tussen het CZS en de organen in het lichaam.
○ Het AZS is op te delen in twee delen:
■ Sympathisch Zenuwstelsel: Dit wordt gezien als het "gaspedaal". Het wordt actief bij stress of
bedreigende situaties. Huidgeleiding (zweetproductie) reflecteert voornamelijk sympathische activiteit. De
pre-ejectieperiode (PEP), de tijd tussen een elektrische prikkel naar het hart en het openen van de linker
hartklep, is een indicatie voor sympathische activiteit.
■ Parasympatisch Zenuwstelsel: Dit wordt beschouwd als het "rempedaal". Het zorgt voor fysiologisch
herstel en rust. Hartslagvariabiliteit (HRV), de variatie in het tijdsinterval tussen hartslagen, wordt gezien als
een maat voor parasympatische activiteit.
○ Hartslag staat onder controle van beide systemen.
○ Onderzoek suggereert dat personen met antisociaal gedrag over het algemeen gekenmerkt worden door een
verminderde activiteit van het autonome zenuwstelsel (lage arousal). Dit kan zich uiten in een verlaagde hartslag in
rust.
Contralaterale banen: dit zijn de meeste sensorische en motorische banen die signalen tussen de hersenen en de rest van het
lichaam geleiden → ze kruisen naar de tegenovergelegen zijde in het ruggenmerg of in de hersenstam → hierdoor communiceert elke
zijde van de hersenen voornamelijk met de tegenoverliggende zijde van het lichaam.
Somatische zenuwstelsel:
vrijwillige bewegingen en sensorische informatie → bewuste reactie op onze externe wereld
● Sensorische gedeelte: verbindt de zintuigen met het centrale zenuwstelsel (zien van pizza)
● Motorische gedeelte: verbindt het centrale zenuwstelsel met de skeletspieren, die vrijwillige bewegingen mogelijk maken
(beweging maken om hap te nemen van pizza)
Psychofysiologie en Antisociaal Gedrag: Hartslag en Huidgeleiding
Probleem 1 Biopsychologie
L1. Wat zijn neuronen en neurotransmitters en wat is de relatie tussen
neuropsychologie, neurotransmitters en antisociaal gedrag?
Neuronen / zenuwcellen zijn de meest basale verwerkingseenheden in
de hersenen. Het is een cel die gespecialiseerd is om informatie te
ontvangen, te verwerken en aan andere cellen door te geven. Het
versturen van signalen wordt ook wel ‘vuren’ genoemd. Een bundeling
van een groot aantal neuronen wordt een zenuw genoemd.
Een typische zenuwcel kan signalen van 1000 andere cellen
ontvangen en, binnen een fractie van een seconde, besluiten het
signaal door te geven met een snelheid van wel 100 meter per
seconde aan 1000, soms wel 10.000 neuronen
1) Sensorische neuronen (eenrichtingsverkeer)
- Geleiden alleen signalen van de zintuigen naar de hersenen
- Geleiden signalen die leiden tot sensaties van zicht, gehoor,
smaak, aanraking, geur, pijn en evenwicht.
2) Motorische neuronen (eenrichtingsverkeer)
- Versturen signalen vanuit de hersenen en het ruggenmerg naar de spieren organen en klieren
- Motorische neuronen geleiden de instructies voor al onze handelingen → dorst hebben, deze neuronen sturen signalen die
je hand aansturen om de kraan open te draaien
3) Schakelcellen (interneuronen)
- Sensorische neuronen communiceren allen rechtstreeks met motorische neuronen in geval van reflexen
- Het grootste deel van de miljarden cellen in de hersenen en het ruggenmerg bestaat uit schakelcellen
- Deze neuronen schakelen boodschappen door van sensorische neuronen naar andere schakelcellen of naar motorische
neuronen, soms in complexe zenuwbanen.
Neurotransmitters
1) Dopamine → Beloningssysteem, motivatie, plezier, beweging.
2) Serotonine → Reguleert stemming, slaap, eetlust en agressie
3) Endorfine → Vermindert pijn, geeft gevoel van geluk/euforie.
4) GABA → Remt overmatige hersenactiviteit; kalmeert.
5) Glutamaat → Belangrijkste stimulerende neurotransmitter; essentieel
voor leren en geheugen.
Het zenuwstelsel werkt via gespecialiseerde cellen die neuronen worden
genoemd. Deze cellen ontvangen, verwerken en verzenden informatie.
1. Opbouw van een neuron
● Dendrieten zijn vertakte vezels die signalen opvangen uit de
omgeving of van andere neuronen.
● Deze signalen gaan naar het cellichaam (soma), dat de celkern bevat
en zorgt voor de algemene celwerking.
● Het cellichaam telt alle signalen op: exciterende signalen stimuleren
het neuron (‘Vuur!’), terwijl inhiberende signalen het afremmen (‘Vuur
niet!’).
● Het totaal van deze signalen bepaalt of het neuron vuurt; dit proces
heet summatie.
2. Actiepotentiaal en signaalgeleiding
● Als de optelsom van signalen een bepaalde drempelwaarde overschrijdt, ontstaat een actiepotentiaal.
● Dit is een elektrisch signaal dat via de axon loopt, een lange vezel die signalen doorstuurt naar andere cellen.
● In rust heeft het neuron een rustpotentiaal: de binnenkant is negatief geladen en de buitenkant positief, door de verdeling
van ionen.
● Bij voldoende stimulatie ontstaat depolarisatie: positieve ionen stromen naar binnen, de binnenkant wordt tijdelijk positief.
● Dit proces is alles-of-niets: de actiepotentiaal ontstaat volledig of helemaal niet.
● Daarna volgt repolarisatie, waarbij het neuron terugkeert naar de rusttoestand.
3. Synaps en neurotransmissie
, ● Aan het uiteinde van de axon bevinden zich eindknopjes, die contact maken met andere cellen via de synaps – een kleine
spleet tussen twee neuronen.
● De elektrische impuls veroorzaakt het vrijkomen van neurotransmitters uit synaptische blaasjes.
● Deze stoffen steken de synaptische spleet over en binden aan receptoren van het volgende neuron.
● Afhankelijk van het type neurotransmitter heeft dit een exciterend of inhiberend effect.
● Na hun werking worden neurotransmitters vaak heropgenomen door het neuron (via reuptake) voor hergebruik.
4. Ondersteunende cellen: gliacellen
● Gliacellen bieden structurele steun, helpen bij het opruimen van afvalstoffen en vormen een myelinelaag rond axonen, die
de geleiding versnelt.
● Ze vormen ook de bloed-hersenbarrière, die beschermt tegen schadelijke stoffen.
5. Plasticiteit van het zenuwstelsel
● Plasticiteit is het vermogen van het zenuwstelsel om te veranderen op basis van ervaringen.
● Dit kan structureel zijn (zoals toename of afname van synaptische verbindingen) of chemisch (verandering in
neurotransmitters).
● Plasticiteit is essentieel voor leren, geheugen en herstel na beschadiging.
Relatie tussen Neuropsychologie, Neurotransmitters en Antisociaal Gedrag
De relatie tussen deze concepten is complex en overlappend. De bronnen bespreken zowel neuropsychologie als neurotransmitters
als aparte, maar gerelateerde, neurobiologische factoren die ten grondslag kunnen liggen aan antisociaal gedrag.
Neuropsychologie en Antisociaal Gedrag: De neuropsychologie bestudeert de relatie tussen de werking van de hersenen en
cognitie, emotie, waarneming en gedrag. In dit kader worden onder andere 'executieve functies' gemeten, dit zijn complexe cognitieve
vaardigheden die betrokken zijn bij het beheersen en reguleren van doelgericht handelen, zoals inhibitievermogen, planningsvermogen
en cognitieve flexibiliteit. Ook 'sociale cognitie', het begrijpen van andermans gedrag en adequaat reageren in sociale situaties,
inclusief emotieherkenning en empathie, wordt onderzocht.
Onderzoek toont aan dat individuen met antisociaal gedrag over het algemeen tekorten vertonen in executieve functies. Ze
presteren vaak slechter op testen die een beroep doen op (ruimtelijk) werkgeheugen en aandacht. Dit verband lijkt robuust en
onafhankelijk van leeftijd en geslacht. Daarnaast hebben individuen met antisociaal gedrag over het algemeen een verminderde
sociale cognitie. Er is een link tussen antisociale gedragsproblematiek en een gebrekkige herkenning van angstige
gezichtsuitdrukkingen. Kinderen met conduct disorder vertonen tekorten in het herkennen en begrijpen van negatieve emoties en in
motorische empathie (fysiek spiegelen van emoties). Structurele en functionele afwijkingen in hersengebieden zoals de prefrontale
cortex (betrokken bij aandacht, impulsbeheersing, besluitvaardigheid) en de amygdala (betrokken bij emotieherkenning, empathie,
ongevoeligheid voor straf) zouden kunnen samenhangen met een minder goede werking van deze neuropsychologische functies.
Neurotransmitters en Antisociaal Gedrag: Neurotransmitters beïnvloeden hersenfuncties en daarmee gedrag. Onderzoek richt zich
met name op serotonine, dopamine, GABA en glutamaat in relatie tot antisociaal gedrag.
● Er zijn aanwijzingen voor een verband tussen een verlaagde serotonine concentratie en verhoogde agressie, hoewel de
bevindingen inconsistent zijn. Serotonine is onder andere betrokken bij de regulatie van stemming en slaap. Genen zoals
5HTTLPR en MAOA beïnvloeden serotonine-systemen en zijn bestudeerd in relatie tot antisociaal gedrag.
● Medicatie Onderzoek suggereert een relatie tussen dopamine, GABA en glutamaat en agressie. Risperidon, dat de werking
van serotonine en dopamine blokkeert, lijkt samen te hangen met een afname in agressie. Medicatie die mogelijk de werking
van GABA versterkt en die van glutamaat vermindert, toonde in sommige studies ook een agressie reducerende werking,
maar resultaten waren inconsistent. Dopamine is betrokken bij beloningsgevoeligheid en aandacht. GABA is de voornaamste
remmende neurotransmitter, terwijl glutamaat vooral stimulerend is en betrokken bij leren en geheugen. Genen zoals COMT
en DRD4 beïnvloeden dopamine-systemen en zijn ook onderzocht.
Verband: Neuropsychologie bestudeert hoe hersenfuncties gerelateerd zijn aan cognitie en gedrag. Neurotransmitters zijn de
chemische middelen die de communicatie tussen neuronen in de hersenen mogelijk maken en zo de hersenfunctie beïnvloeden. De
neuropsychologische tekorten die worden gezien bij antisociaal gedrag, zoals problemen met executieve functies (bijvoorbeeld
aandacht, impulscontrole) en sociale cognitie (bijvoorbeeld emotieverwerking), zijn afhankelijk van de juiste werking van specifieke
hersengebieden en neurale netwerken. De chemische signalering en de regulatie van activiteit binnen deze netwerken worden
grotendeels bepaald door neurotransmitters.
L2. Hoe werken hormonen en wat is de relatie tussen bepaalde hormonen en
antisociaal gedrag?
Het endocriene stelsel is opgebouwd uit klieren die chemische boodschappers, bekend als hormonen, in de bloedbaan afgeven. Deze
hormonen reizen via het bloed naar verder gelegen cellen en coördineren hun acties. Dit systeem reageert op input van het
zenuwstelsel, met name van de hypothalamus. Het endocriene stelsel is in het bijzonder betrokken bij opwinding, metabolisme, groei
en geslacht.
Belangrijke klieren van het endocriene stelsel zijn onder andere de hypofyse, de schildklier, de bijnieren, de eilandjes van Langerhans
(in de alvleesklier), de eierstokken (bij vrouwen) en de teelballen (bij mannen).
, ● De hypofyse, gelegen net boven het gehemelte, wordt vaak de 'masterklier' van het lichaam genoemd, omdat veel van de
hormonen die het afgeeft andere klieren activeren. De hypofyse wordt op haar beurt gereguleerd door de hypothalamus, die
er direct boven ligt. De hypofyse geeft hormonen vrij zoals oxytocine, vasopressine en menselijk groeihormoon. Oxytocine en
vasopressine zijn onder meer betrokken bij coöperatie, vertrouwen, geheugen voor sociale informatie, herkenning van
emoties en veerkracht tijdens stress. Groeihormoon stimuleert groei en regeneratie. Andere hypofysehormonen beïnvloeden
de afgifte van geslachtshormonen door de eierstokken en teelballen, wat onder andere de puberteit initieert en vruchtbaarheid
in stand houdt.
● De hypothalamus speelt een belangrijke rol bij motivatie en homeostase, zoals de regulatie van lichaamstemperatuur, dorst,
honger, biologische ritmes en seksuele activiteiten. De hypothalamus voert deze taken uit door het autonome zenuwstelsel en
het endocriene stelsel met zijn hormonen aan te sturen. Het produceert ook hormonen zoals oxytocine en vasopressine. De
hypothalamus is een centraal onderdeel van belangrijke assen binnen het endocriene systeem, zoals de HPA-as en de
HPG-as.
● De hypothalamus-hypofyse-bijnier-as (HPA-as) reguleert de aanmaak van het stresshormoon cortisol. Bij stress produceert
de hypothalamus het corticotropin-releasing hormoon (CRH), wat de hypofyse stimuleert om adreno-corticotroop hormoon
(ACTH) aan te maken. ACTH stimuleert op zijn beurt de bijnieren om cortisol te produceren. Cortisol mobiliseert fysieke
reacties op stress en zorgt voor een remming op de productie van CRH en ACTH in de hersenen (negatieve feedback). De
reactie van de HPA-as op stress is trager en duurt langer dan die van het sympathische adrenomedullaire (SAM) systeem,
wat veel van de uitkomsten van chronische stress verklaart. Cortisolreceptoren in de hippocampus dienen als een
feedbackloop om overreactie van het systeem te voorkomen.
● De hypothalamus-hypofyse-geslachtsklieren-as (HPG-as) speelt een belangrijke rol bij de aanmaak van testosteron. De
hypothalamus produceert gonadotropin-releasing hormoon (GnRH), wat de hypofyse aanzet tot de aanmaak van
luteïniserend hormoon (LH) en follicle-stimulating hormoon (FSH). Bij mannen zorgt LH onder andere voor de aanmaak van
testosteron in de teelballen. Testosteron remt op zijn beurt de werking van de hypofyse en de hypothalamus (negatieve
feedback).
Relatie tussen bepaalde hormonen en antisociaal gedrag
Hormonen hebben een directe invloed op het functioneren van de hersenen en daarmee op gedrag. Onderzoek naar de relatie tussen
hormonen en antisociaal gedrag richt zich vooral op cortisol en testosteron.
1. Cortisol:
○ Cortisol is het 'stresshormoon', voornamelijk aangemaakt in situaties van spanning en stress.
○ Onderzoek suggereert een relatie tussen een verlaagd cortisolniveau in rust en ernstiger externaliserend
probleemgedrag, hoewel dit verband zwak is en vooral bij kinderen gevonden wordt. Jonge kinderen (tot 5 jaar) met
probleemgedrag hebben vaker een verhoogd cortisolniveau, terwijl kinderen tussen 5 en 12 jaar met
probleemgedrag juist gekenmerkt worden door een verlaagd niveau.
○ Een mogelijke verklaring voor het verlaagde niveau bij oudere kinderen is dat langdurige ernstige stress op jonge
leeftijd de HPA-as ongevoeliger maakt. Ook kan een verlaagd cortisolniveau veroorzaakt worden door een te sterke
remming van cortisol op de HPA-as of doordat individuen een hogere grens hebben voor het ervaren van stress.
○ Een laag cortisolniveau houdt ook verband met sensatiezoeken, verminderde gevoeligheid voor straf en agressief
gedrag. Er is bewijs voor een relatie tussen psychopathische/ongevoelige/emotieloze kenmerken en lage
cortisolconcentraties bij jongeren.
○ Er is echter ook bewijs voor een verhoogd cortisolniveau in relatie tot agressief gedrag.
○ Samengevat: Het cortisolniveau is mogelijk verlaagd, maar waarschijnlijk vooral verstoord/uit balans bij kinderen
en jongeren met antisociaal gedrag.
2. Testosteron:
○ Testosteron wordt in de volksmond vaak in verband gebracht met antisociaal, agressief gedrag.
○ Onderzoek laat een statistisch significant, maar zwak verband zien tussen testosteron en agressief gedrag bij
kinderen, jongeren en volwassenen. Dit geldt ook voor prenataal testosteron en agressief gedrag.
○ Een langere ringvinger in verhouding tot de wijsvinger zou kunnen wijzen op een verhoogd prenataal
testosteronniveau. Prenatale blootstelling aan hoge androgenen verhoogt agressief spel bij kleuters. Volwassen
mannen met hogere prenatale testosteronniveaus scoren hoger op gestandaardiseerde agressievragenlijsten.
○ Overzichtsstudies tonen een duidelijker verband aan tussen verhoogde testosteronniveaus en de aanwezigheid
van agressief, antisociaal, delinquent en dominant gedrag.
○ Het verband tussen testosteron en antisociaal gedrag is niet altijd aanwezig, vooral niet bij kinderen, mogelijk omdat
agressie bij jonge kinderen (nog) niet samenhangt met dominant gedrag zoals bij volwassenen. Het verband wordt
duidelijker naarmate kinderen ouder zijn, met redelijk sterk bewijs voor een verband bij jongeren tussen 12 en 20
jaar, vooral voor jongens.
○ Testosteron lijkt agressief gedrag te beïnvloeden door de sensitiviteit van de amygdala voor bedreigende
prikkels te verhogen, wat kan leiden tot agressief gedrag als preventieve actie bij dreiging.
○ De combinatie van laag cortisol en hoog testosteron is geassocieerd met een verhoogd risico op
agressief/antisociaal gedrag. Een verhoogd testosteronniveau op zichzelf is waarschijnlijk niet 'genoeg' als
risicofactor voor gewelddadig gedrag.
3. Overige hormonen:
○ Alpha-amylase: Stijgt bij fysiologische en psychologische stress en is een maat voor activiteit van het sympathische
autonome zenuwstelsel. Een combinatie van lage waarden van alpha-amylase én lage cortisolwaarden is
geassocieerd met verhoogd agressief/antisociaal gedrag.
○ Oxytocine: Speelt een belangrijke rol in sociaal gedrag, waaronder empathie en sociale binding. Onderzoek toont
een relatie tussen een lager oxytocinegehalte in de hersenen en meer agressief gedrag. Toediening van
oxytocine kan het cognitief empathisch vermogen verbeteren. Het is sterker geassocieerd met binding bij vrouwen en
een 'tend-and-befriend' reactie op stress.
, ○ Vasopressine: Gerelateerd aan oxytocine en speelt een belangrijke rol in sociaal gedrag bij diersoorten. Bij mensen
is er wellicht een relatie tussen vasopressine en crimineel gedrag, en het speelt mogelijk een rol bij mannelijke
agressie, dominantie en status.
○ DHEA: Een voorproduct van testosteron. Verhoogde waarden van DHEA-S zijn gevonden bij kinderen en
adolescenten met conduct disorder, maar de relatie met antisociaal gedrag is nog niet duidelijk en de bevindingen
zijn inconsistent.
L3. Wat is het zenuwstelsel en wat is de relatie tussen hartslag en huidgeleiding
en antisociaal gedrag?
Het Zenuwstelsel
Het zenuwstelsel is verantwoordelijk voor de regulatie en aansturing van de communicatie in het lichaam, wat processen zoals praten,
denken en bewegen mogelijk maakt. Het is opgebouwd uit twee hoofddelen:
1. Het Centrale Zenuwstelsel (CZS): Dit omvat de hersenen en het ruggenmerg. Het is betrokken bij al het gedrag en mentale
processen.
2. Het Perifere Zenuwstelsel: Dit omvat alle zenuwen buiten het CZS. Een belangrijk deel hiervan is het autonome
zenuwstelsel.:
1. Het Centrale Zenuwstelsel (CZS):
○ Dit bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.
○ Onderzoek naar de hersenen in relatie tot antisociaal gedrag heeft de laatste decennia een sterke groei
doorgemaakt dankzij verbeterde beeldvormende technieken.
○ Bij hersenonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen functie (wat specifieke hersengebieden doen tijdens taken)
en structuur (vorm, grootte of bouw van gebieden). Technieken zoals fMRI, sMRI (types van MRI), DTI, PET en
SPECT worden gebruikt om structuur en functie te bestuderen. EEG meet elektrische hersenactiviteit.
○ Verschillende hersengebieden zijn in verband gebracht met antisociaal gedrag, waaronder delen van de prefrontale
cortex (zoals de rechter orbitofrontale cortex, de anterieure cingulate cortex en de linker dorsolaterale prefrontale
cortex), die betrokken zijn bij cognitieve functies zoals aandacht, impulsbeheersing en besluitvaardigheid. Studies
laten zien dat personen met antisociaal gedrag op groepsniveau een kleiner volume en verminderde activiteit in deze
gebieden kunnen hebben.
○ De amygdala, een diepergelegen hersenstructuur die betrokken is bij emotieherkenning, wordt ook in verband
gebracht met antisociaal gedrag. Verkleining en verminderde activiteit van de amygdala worden gezien bij groepen
met antisociale trekken. Dit kan samenhangen met een geremde emotionele ontwikkeling, slechter empathisch
vermogen, moeite met het herkennen van angstige gezichtsuitdrukkingen en ongevoeligheid voor straf. Ook
verminderde communicatie tussen frontale gebieden en de amygdala is gesuggereerd.
○ Andere dieper gelegen gebieden zoals de insula en het striatum, betrokken bij 'hete' executieve functies,
emotieregulatie, introspectie en empathie, laten ook verkleining en verminderde activatie zien bij kinderen en
jongeren met ernstig antisociaal gedrag.
○ De hersenen bestaan uit zenuwcellen (neuronen) die boodschappen doorgeven via neurotransmitters.
Zenuwcellen hebben uitlopers (axonen) die witte stofbanen vormen. Plasticiteit verwijst naar het vermogen van de
hersenen om structureel en chemisch te veranderen als reactie op ervaringen.
2. Het Autonome Zenuwstelsel (AZS):
○ Dit reguleert onwillekeurige lichaamsfuncties zoals ademhaling, hartslag, hormoon- en zweetproductie.
○ Het fungeert als een verbinding tussen het CZS en de organen in het lichaam.
○ Het AZS is op te delen in twee delen:
■ Sympathisch Zenuwstelsel: Dit wordt gezien als het "gaspedaal". Het wordt actief bij stress of
bedreigende situaties. Huidgeleiding (zweetproductie) reflecteert voornamelijk sympathische activiteit. De
pre-ejectieperiode (PEP), de tijd tussen een elektrische prikkel naar het hart en het openen van de linker
hartklep, is een indicatie voor sympathische activiteit.
■ Parasympatisch Zenuwstelsel: Dit wordt beschouwd als het "rempedaal". Het zorgt voor fysiologisch
herstel en rust. Hartslagvariabiliteit (HRV), de variatie in het tijdsinterval tussen hartslagen, wordt gezien als
een maat voor parasympatische activiteit.
○ Hartslag staat onder controle van beide systemen.
○ Onderzoek suggereert dat personen met antisociaal gedrag over het algemeen gekenmerkt worden door een
verminderde activiteit van het autonome zenuwstelsel (lage arousal). Dit kan zich uiten in een verlaagde hartslag in
rust.
Contralaterale banen: dit zijn de meeste sensorische en motorische banen die signalen tussen de hersenen en de rest van het
lichaam geleiden → ze kruisen naar de tegenovergelegen zijde in het ruggenmerg of in de hersenstam → hierdoor communiceert elke
zijde van de hersenen voornamelijk met de tegenoverliggende zijde van het lichaam.
Somatische zenuwstelsel:
vrijwillige bewegingen en sensorische informatie → bewuste reactie op onze externe wereld
● Sensorische gedeelte: verbindt de zintuigen met het centrale zenuwstelsel (zien van pizza)
● Motorische gedeelte: verbindt het centrale zenuwstelsel met de skeletspieren, die vrijwillige bewegingen mogelijk maken
(beweging maken om hap te nemen van pizza)
Psychofysiologie en Antisociaal Gedrag: Hartslag en Huidgeleiding