Leerdoelen:
1. Je hebt kennis van/inzicht in wat persoonlijkheidspsychologen onderzoeken.
2. Je hebt kennis van/inzicht in de basisstatistiek en methoden die gebruikt worden om
persoonlijkheid te meten.
3. Je hebt kennis van/inzicht in wat wordt bedoeld met 'persoonlijkheid'.
4. Je kunt verschillende strategieën en vragenlijsten om persoonlijkheid te meten
kritisch beoordelen.
Wat onderzoeken persoonlijkheidspsychologen?
1. Menselijke natuur (universele benadering)
2. Individuele & groepsvariatie (nomothetische benadering)
3. Individuele uniciteit (idiografische benadering)
Niveau 1: menselijke natuur, hoe mensen zijn zoals alle andere mensen
Voorbeeld economie:
● Neoklassiek economisch model:
- Individuen zijn rationeel/streven eigenbelang na;
- Individuen hebben identieke voorkeuren en capaciteiten;
- Individuen hebben dezelfde informatie en dezelfde doelen;
→ Alle individuen nemen op dezelfde manier beslissingen.
Voorbeeld psychologie:
● (Klassiek) Behaviorisme:
- Mensen worden geboren als een 'tabula rasa' (John Locke; 1632–1704);
- Gedrag wordt aangeleerd door (stimulus – respons) conditionering;
→ Alle individuen reageren op dezelfde manier.
● (Klassieke) Evolutionaire Psychologie:
- Niet-optimaal gedrag verdwijnt door middel van selectieprocessen
(voortplanting en overleving).
→ Alle individuen zijn (ongeveer op dezelfde manier) aangepast aan de
omgeving.
Niveau 2: Individuele & groepsvariatie, hoe mensen zijn zoals sommige andere mensen
● Normaalverdelingen
● Er werden in Nederland veel meer mensen verdacht dan daadwerkelijk gedetineerd.
Niveau 3: Individuele uniciteit, hoe mensen zijn als geen andere mensen
● Ieder mens heeft unieke karaktereigenschappen, iedereen vult andere dingen in bij
“ik ben…”
Definitie persoonlijkheid:
Een persoonlijkheidstrek verwijst naar verschillen tussen individuen in de typische neiging
om zich op bepaalde conceptueel gerelateerde manieren te gedragen, te denken of te
voelen in verschillende relevante situaties en over een vrij lange tijdsperiode.
Persoonlijkheid is:
- Psychologisch
, - Niet-intellectueel
- Langdurig
- Algemeen
Andere individuele verschillen zijn:
● Mentale capaciteiten (het maximale in plaats van typisch gedrag)
● Interesses (concreter dan persoonlijkheid; voorkeuren)
● Waarden (abstracter dan persoonlijkheid; belang)
Maar: ze kunnen verband houden met persoonlijkheid!
Bestaat persoonlijkheid?
- Gedrag = een functie van Persoonlijkheid: B = f(P)
- Gedrag = een functie van de situatie: B = f(S)
- Gedrag = een functie van de interactie tussen Persoonlijkheid en Situatie: B = f(P x
S)
Als persoonlijkheid bestaat, moet er (tenminste) een aanzienlijke hoeveelheid
persoonsgerelateerde systematische variantie zijn.
Hartshorne & May (1928): Observeerden kinderen in verschillende situaties waarin (gebrek
aan) 'moreel karakter' kon worden getoond:
- Geld houden versus schenken aan een goed doel
- Geld stelen uit een puzzeldoos
- Vals spelen bij verschillende wedstrijden
- Etc.
Volgens Walter Mischel bestaat persoonlijkheid NIET → Zeer zwakke relaties (≤ .20) tussen
het gedrag van een individu in de ene situatie en het gedrag van een individu in een andere
situatie.
Mischel & Peake (1982): 'Cross-situationele consistentie van consciëntieusheid':
- Aanwezigheid in de klas; voltooien van opdrachten; grondigheid aantekeningen;
stiptheid opdracht; netheid opdracht; netheid kamer; netheid kleding, etc. (totaal 19
gedragingen).
- Lage gemiddelde correlatie (r = .13) van 19 gedragingen.
- Conclusies Mischel & Peake: Geen ‘cross-situationele consistentie’ in de
consciëntieusheid van een persoon in verschillende situaties.
- Nauwgezetheid moet afhankelijk zijn van de situatie, persoonlijkheid bestaat niet (of
nauwelijks).
Heranalyse Jackson & Paunonen (1985) → verdeelden deze 19 gedragingen in 2 sets (Set
1: 10 gedragingen; Set 2: 9 gedragingen)
- Voor elk individu 1 score op elk van de twee gedragssets (aggregatie)
- Hoge correlatie tussen de twee gedragssets: r = .50.
Conclusie: op basis van een enkel gedrag is een ander enkel gedrag moeilijk te voorspellen,
maar op basis van een aantal gedragingen is wel te voorspellen hoe iemand zich gemiddeld
gedraagt in een aantal andere situaties.
Zijn situaties onafhankelijk van persoonlijkheidskenmerken?
● Situatieselectie: situaties die de trekken activeren waardoor je individuele verschillen
in persoonlijkheid ziet. ➝ vb: varken en eten, obstakel onderweg.
, ● Situatie-evocatie: mensen passen situaties aan (roepen ze op) om zich
comfortabeler te voelen.
➝ vb: door te praten over een onderwerp wat je leuk vindt zullen andere mensen
daar ook over praten.
3 strategieën voor vragenlijstconstructie:
1. De empirische strategie
- Grote aantal items
- Itemselectie op basis van relatie met andere indicatoren van de
eigenschap/onderscheid tussen criterium- en controlegroep
- Voorbeeld: MMPI-3
- Minst valide
2. De factor-analytische strategie
- Grote pool van items (variabelen)
- Groepen gerelateerde items zoeken (Niet: relatie met
criterium/groepsverschil)
- Welke items horen bij welke factor
- Welke eigenschap wordt met elke factor gemeten
3. De rationele strategie
- Schrijf ‘face valid' items
- Beoordeling door experts
- Gaat om betrouwbaarheid (relatie van items met elkaar)
Tegenwoordig wordt meestal een combinatie van strategieën gebruikt.
Zelf-ander overeenstemming:
- Hoge bekendheid (bijv. partner): r ~ .60
- Lage bekendheid (bijvoorbeeld op het werk): r ~ .30
Funder et al. (1995): Matige overeenstemming (r ~ .30) tussen onbekenden (bijv. school- en
studievriend); deze correlatie is bijna net zo hoog als de zelf-ander overeenstemming (r ~
.35 - .45)
Validiteit van zelf en observatoren (Kolar et al., 1996; Borkenau et al., 2001):
- Onafhankelijke beoordelingen van (op video opgenomen) gedragingen
- Voorspelling gedrag mbv zelfbeoordeling: r ~ .20 - .30
- Voorspelling door bekenden: r ~ .30 - .40
- Bekenden voorspelden het gedrag dus beter dan de mensen zelf
- Samenvoegen beoordeling twee bekenden leverde een hogere validiteit op dan één
Sociale-wenselijkheidsbias:
- Neiging om zichzelf (en/of een andere persoon) op een gunstige of ongunstige
manier te beschrijven
- Gebruik van zowel zelf- als observatorrapportage
- Sociale Wenselijkheid (SW): items (bijv.), "Ik vloek nooit" en "Ik heb nogal slechte
gewoonten"
- Problemen met SW-schalen
, Week 1 - hoorcollege 2 → persoonlijkheidsstructuur
Leerdoelen:
1. Je kunt typologische en dimensionale benaderingen kritisch beoordelen.
2. Je kunt de lexicale benadering uitleggen.
3. Je begrijpt hoe factoranalyse wordt gebruikt in de lexicale benadering.
4. Je hebt kennis van/inzicht in de belangrijkste kenmerken, overeenkomsten en
verschillen van de Big Five en HEXACO modellen.
Geschiedenis:
● De vier “humors” →
- Bloed: sanguine, produceert vrolijkheid
- Zwart: melancholisch, veroorzaakt depressie
- Geel: cholerisch, veroorzaakt woede
- Flegma: flegmatisch, resulteert in kalmte
● Drie somatoforme typen →
- Dik (endomorph): vrolijk, gezellig, ontspannen
- Gespierd (mesomorph): dominant, actief, assertief
- Dun (ectomorph): nerveus, verlegen, gevoelig
● MBTI, 16 typen → extraversie vs introversie, observatie vs intuïtie, reflectie vs
gevoel, beheersing vs perceptie
● Diertypen → er zijn verschillende soorten varkens wat betreft reacties bijvoorbeeld
(passieve varkens en actieve varkens).
Persoonlijkheidsconstructen
● Zoeken naar een 'periodiek systeem’ van persoonlijkheidsconstructen
● Zoals in het periodiek systeem, de bouwstenen van persoonlijkheid zijn bekend;