interpunctie
Bronvermelding
Basisvaardigheden Spelling en
Titel : interpunctie
Druk : 2
Auteur : M. Bout en H. de Bruijn
Uitgever : Noordhoff Uitgevers B.V.
ISBN (boek) : 9789001774400
Aantal hoofdstukken (boek) : 9
Aantal pagina’s (boek) : 183
De inhoud van dit uittreksel is met de grootste zorg samengesteld. Incidentele onjuistheden kunnen niettemin voorkomen. Je
dient niet aan te nemen dat de informatie die Students Only B.V. biedt foutloos is, hoewel Students Only B.V. dat wel nastreeft.
Dit uittreksel is voor persoonlijk gebruik en is bedoeld als wegwijzer bij het originele boek. Wij raden aan altijd het bijbehorende
studieboek te kopen en dit uittreksel als naslagwerk erbij te houden. In dit uittreksel staan diverse verwijzingen naar het studieboek
op basis waarvan dit uittreksel is gemaakt.
Dit uittreksel is een uitgave van Students Only B.V. Copyright © 2012 StudentsOnly B.V. Alle rechten voorbehouden. De uitgever
van het studieboek is op generlei wijze betrokken bij het vervaardigen van dit uittreksel. Voor vragen kun je je per email wenden
tot .
,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Werkwoorden 3
Hoofdstuk 2 Meervoudsvorming 7
Hoofdstuk 3 Bijvoeglijke naamwoorden en naamvallen 9
Hoofdstuk 4 Verkleinwoorden 11
Hoofdstuk 5 Hoofdletters 12
Hoofdstuk 6 Aaneenschrijven 14
Hoofdstuk 7 Interpunctie 17
© Students Only B.V. – Alle rechten voorbehouden.
Bron : Basisvaardigheden Spelling en interpunctie – M. Bout e.a.
, Hoofdstuk 1 Werkwoorden
1.1 Infinitief en stam
Enkele begrippen bij de werkwoorden (zie ook blz. 12 en bijlage 1 blz. 172 Basisvaardigheden
Spelling en interpunctie; Bout/De Bruin):
1. een werkwoord (doewoord) kent een grondvorm, het zgn. infinitief (bijv. lopen) en een
werkwoord heeft verbuigingen en vervoegingen (bijv. liep, loopt, gelopen);
2. de stam is de infinitief zonder en, waar soms een klinker bijkomt en deze wordt gebruikt na
ik (bijv. lopen – ik loop (klinker o komt erbij) of: fietsen – ik fiets);
3. een werkwoord kan in de tegenwoordige tijd staan (bijv. lopen);
4. een werkwoord kan in de verleden tijd staan (bijv. liepen);
5. de persoonsvorm is altijd het werkwoord dat de tijd (tegenwoordig of verleden) aangeeft,
bijv. hij was gaan fietsen (was is persoonsvorm in verleden tijd);
6. het onderwerp is degene wie, of datgene wat iets doet (bijv. het meisje loopt);
7. de persoonsvorm en het onderwerp zijn op elkaar afgestemd, d.w.z. beiden enkelvoud of
meervoud (bijv. het meisje loopt naar school; enkelvoudige persoonsvorm – de jongens
lopen naar school; meervoudige persoonsvorm);
8. een voltooid deelwoord kan alleen maar in een zin staan als er ook een persoonsvorm in
staat (bijv. wij hebben hard gelopen);
9. een voltooid deelwoord begint meestal met ge, maar er zijn uitzonderingen (bijv. wij beminnen
– wij hebben bemind, wij ontmoeten – wij hebben ontmoet);
10. een werkwoord of voltooid deelwoord kan ook een zgn. bijvoeglijk gebruikt voltooid
deelwoord zijn (bijv. de gelopen afstand was 10 km);
11. een tegenwoordig deelwoord is de infinitief +d (bijv. we gingen lopend naar school);
12. een werkwoord na te is altijd een infinitief (bijv. deze afstand is best te lopen);
13. er zijn sterke werkwoorden, d.w.z. dat ze een klinkerverandering krijgen in de verleden
tijd (bijv. bij lopen – ik liep);
14. er zijn zwakke werkwoorden, d.w.z. zeggen dat ze in de verleden tijd de of te achter de
stam krijgen (bijv. bij fietsen – ik fietste) (oefeningen blz. 13 Basisvaardigheden Spelling
en interpunctie; Bout/De Bruin).
1.2 Tegenwoordige tijd
De tegenwoordige tijd (wat nu gebeurt) van werkwoorden (zwak en sterk) wordt in het enkelvoud
gevormd door de stam of de stam + t (bijv. ik loop – hij loopt). In het meervoud wordt de infinitief
(werkwoord zonder vervoegingen) gebruikt (bijv. wij lopen). Na ik volgt altijd alleen de stam (bijv.
ik loop). Bij het werkwoord lopen is het goed te horen (loop klinkt anders dan loopt), maar soms
is dat niet zo. Bijvoorbeeld: ik houd van je, klinkt net zo als: ik houdt van je, maar het laatste is
fout. Bij twijfel is het woord lopen meestal goed te gebruiken (als vervangend woord) om de juiste
schrijfwijze te achterhalen. Bijvoorbeeld: is het ik waad of ik waadt in het water. Vervang het
werkwoord door loop en je weet het, zonder t dus, want je zegt niet ik loopt in het water. (oefeningen
blz. 15 Basisvaardigheden Spelling en interpunctie; Bout/De Bruin).
1.2.1 Onderwerp bij persoonsvorm
Om de persoonsvorm te spellen moet je het onderwerp (degene die iets doet) weten. De
persoonlijke voornaamwoorden zijn:
ik – 1e persoon enkelvoud
jij, je – 2e persoon enkelvoud
zij, ze, hij, het – 3e persoon enkelvoud
wij, we – 1e persoon meervoud
© Students Only B.V. – Alle rechten voorbehouden. 3
Bron : Basisvaardigheden Spelling en interpunctie – M. Bout e.a.