Handelen baseren op wetenschap. Niet vrij van interpretatie, omdat het soms niet
beschikbaar is of niet rechtstreeks inzetbaar op casus. Je kunt ook andere dingen doen.
Verschillende niveaus evidence-based interventies:
Interventiemodellen:
- Directe technieken = focussen op cliënt -> vaardigheden aanleren
- Indirecte technieken = focussen op omgeving -> omgaan met gedrag
Vraagstelling ordenend systeem:
• Vraaggericht werken bij het analyseren van het gedrag van het kind binnen diens
opvoedingscontext -> antwoorden zoeken bij voorgelegde problemen
• Geeft richtlijnen om de vraagstelling in kaart te brengen en het pedagogisch
handelen bij te stellen
• Opvoedingsproces wordt geanalyseerd en de opvoedingsbehoefte wordt vervolgens
vastgesteld
,Ontwikkelingsaspecten: symptomen, hoe cognitief flexibel etc.
Opvoedingsdimensie: context
Ontwikkelingsaspecten:
- Affectief = welbevinden van het kind en de mogelijkheid om een relatie aan te gaan
- Cognitief = analytisch vermogen en flexibiliteit
- Conatief = aanleg, eigenheid van kind
Opvoedingsdimensies (De Kok):
1. Eerstegraadsstrategie: Relatie aangaan en onderhouden: sensitiviteit en
responsiviteit van de opvoeder
2. Tweedegraadsstrategie: Klimaat scheppen en aanpassen: opvoedingsklimaat (bijv.
dagelijkse routines, omgeving, specifieke behandeling)
3. Derdegraadsstrategie: Situatie hanteren: gedrag interpreteren en erop inspelen
(individueel aangepaste behandeling)
Functioneel opvoeden = opvoeden als het optimaliseren van een op relatie gericht proces
Intentioneel opvoeden = opvoeden als bewust handelen, gericht op vastomlijnde doelen
Beïnvloedende omstandigheden:
- Risicofactoren (bijv. financiële problemen, scheiding)
- Protectieve factoren (bijv. steun van familie, coping)
Klinische cyclus: bestaat uit diagnostische cyclus en behandelingscyclus
Soms lopen dingen door elkaar of moet je teruggaan, niet te rigide zijn,
casusafhankelijk
Er is een wisselwerking, alleen als interventie werkt weet je of diagnose goed is en
andersom
, De behandelingscyclus voorwaarden:
1. Professioneel: bijv. kunnen lezen van empirische effectstudies
2. Methodologisch: bijv. controleren van effecten (N = 1 designs)
3. Psychometrisch: bijv. middelen die sensitief genoeg zijn om effecten vast te stellen
4. Ethisch/juridisch: bijv. voorlichten over effecten van dit type interventie
5. Organisatorisch/ beleidsmatig, bijv. beschikbaarheid van een protocol
6. Normatief/ antropologisch/ ‘visie’: bijv., terugkoppeling naar het verhaal van de
cliënt
Taak overgang van diagnostiek naar behandeling:
Beargumenteerde, optimale afstemming tussen informatie casus en wetenschappelijke
kennis over behandeling.
SMART – doelen formuleren
Hulpverlening moet gericht zijn op hulpvraag en de behoeften van de cliënt
Vraaggericht en doelgericht werken vergroot de kans op hulpverlening
Behandeldoelen geven een duidelijke richting aan de inhoud van de hulpverlening en
zorgen voor een cyclische, planmatige aanpak
Goed geformuleerde behandeldoelen zijn motiverend voor de hulpverlener en de
cliënt