Kan de principes van de ABCDE-methodiek uitleggen;
Het is een prioritering van levensbedreigende situaties.
A – Airway (Luchtweg)
Doel: Zekerstellen dat de luchtweg vrij is.
Observaties:
● Spreekt de patiënt? (Als ja, dan is de luchtweg waarschijnlijk vrij.)
● Ongewone ademgeluiden zoals snurken, gorgelen of stridor.
● Bewustzijnstoestand (verminderde bewustzijn kan luchtweg bedreigen).
Interventies:
● Kinlift of kaaklift bij bewustzijnsverlies.
● Aanleggen van een hulpmiddel (bijv. Guedel-tube).
B – Breathing (Ademhaling)
Doel: Beoordelen of de patiënt effectief en voldoende ademt.
Observaties:
● Ademhalingsfrequentie, diepte, symmetrie.
● Hulpademhalingsspieren.
● Saturatie (SpO₂).
● Cyanose (blauwverkleuring).
● Auscultatie (vesiculair of afwijkende longgeluiden zoals crepitaties, rhonchi).
Interventies:
● Zuurstoftoediening indien nodig.
● Reanimeren als er geen effectieve ademhaling is.
C – Circulation (Circulatie)
Doel: Controleren of het hart voldoende bloed rondpompt en of er sprake is van bloeding.
Observaties:
● Polsfrequentie en -kwaliteit.
● Bloeddruk.
● Capillary refill time (CRT).
● Kleur en temperatuur van de huid.
● Tekenen van externe bloeding.
Interventies:
● Stoppen van zichtbare bloedingen (druk uitoefenen).
D – Disability (Neurologische toestand)
Doel: Snelle neurologische evaluatie.
Observaties:
, ● AVPU-score (Alert, Verbal, Pain, Unresponsive) of Glasgow Coma Scale (GCS).
● Pupillen (grootte, symmetrie, lichtreactie).
● Glucosewaarde meten bij vermoeden van hypo-/hyperglykemie.
● Lichte neurologische afwijkingen: verwardheid, scheve mond, krachtverlies.
Interventies:
● Glucose toedienen bij hypoglykemie.
● Positie aanpassen voor veiligheid (bv. stabiele zijligging).
E – Exposure (Blootstelling)
Doel: Inspecteren van de rest van het lichaam, tekenen van letsel of andere problemen.
Observaties:
● Lichamelijke verwondingen, huiduitslag, zwelling.
● Temperatuur meten.
● Decubitus, huidkleur.
Interventies:
● Kleding verwijderen voor volledig onderzoek (met behoud van privacy/warmte).
● Warmteverlies voorkomen: dekens, warme infusen.
Kan benoemen wat AVPU inhoudt;
Dit is onderdeel van de D.
A – Alert (alert en adequaat)
● De patiënt is wakker, alert en reageert spontaan.
● Er is sprake van normaal gedrag en oriëntatie in tijd, plaats en persoon.
● De patiënt maakt oogcontact, spreekt en beweegt doelgericht.
V – Verbal (reageert op aanspreken)
● De patiënt wordt niet spontaan wakker, maar opent wel de ogen of reageert op
aanspreken.
● Reacties kunnen traag of verward zijn.
P – Pain (reageert op pijnprikkel)
● Geen reactie op spraak.
● Reageert wel op een pijnprikkel, zoals knijpen in de trapezius of op de
nagelbedden.
● Reactie kan bestaan uit kreunen, beweging of wegtrekken.
U – Unresponsive (geen reactie)
● Geen enkele reactie op spraak of pijnprikkel.
● Geen verbale, motorische of mimische reactie.
Voert bij een bewusteloze persoon op juiste wijze een ademhalingscontrole uit;
● Zorg voor je eigen veiligheid (omgeving veilig?).
, ● Controleer of de patiënt niet reageert (schud voorzichtig aan de schouders, spreek
luid toe).
● Roep om hulp als de patiënt bewusteloos lijkt.
Stap 1: Open de luchtweg
● Leg de patiënt op de rug op een harde ondergrond.
● Gebruik de kinlift-manoeuvre:
○ Eén hand op het voorhoofd → kantel het hoofd voorzichtig naar
achteren.
○ Twee vingers onder de kin → til de kin omhoog.
● Let op: Geen kanteling bij mogelijk nekletsel – pas dan de kaaklift toe.
Stap 2: Ademhalingscontrole – “Kijk, luister, voel” (max. 10 seconden)
Kijk
● Observeer de borstkas: beweegt deze regelmatig op en neer?
● Let op de symmetrie en frequentie van bewegingen.
Luister
● Breng je oor dicht bij de mond van de patiënt.
Voel
● Gebruik je wang om luchtstroom te voelen uit de mond of neus.
Wat doe je met de uitkomst?
Adequate ademhaling aanwezig
● Maximaal 10 ademhalingen per minuut, regelmatig en effectief.
● Zet patiënt in stabiele zijligging.
● Controleer regelmatig opnieuw, blijf bij de patiënt.
Geen of abnormale ademhaling (gasping, snurken, geen beweging)
● Direct starten met reanimatie
Kan een medestudent draaien van buik naar rug en in een stabiele zijligging leggen.
● Controleer ademhaling. Anders reanimeren.
● Controleer omgeving.
● Instrueer de zorgvrager.
● Plaats de armen van de zorgvrager langs het lichaam.
● Ga aan een zijde van het bed staan.
● Benen kruizen met het been dat naar jou toe draait bovenop.
● Leg een hand op de schouder en het andere op de bekken.
● Draai eerst naar de zij en daarna naar de rug.
, ● Positioneer het hoofd en ledematen goed voor comfort.
Doorloop van de skills-online module vitaal bedreigd-volwassene de theorie van de
kopjes vitaal bedreigde patiënt en communicatie. Bekijk de volgende
vaardigheidsvideo's: ABCDE-methodiek, SBARR, EWS en APVU.
Patiënt die een circulatiestilstand krijgen veranderen al in bloeddruk, hartfrequentie,
ademhalingsfrequentie en of bewustzijn (6 tot 8 uur van te voren). Dit is een vitaal bedreigde
patiënt.
MEWS: (gaat over de vitale functies)
● Ademhalingsfrequentie
● Saturatie
● Bloeddruk
● Temperatuur
● Hartfrequentie
● Bewustzijn
Een of meer afwijkend is hulp inschakelen.
Bij de MEWS krijgen de vitale parameters een waarde, deze waarden worden opgeteld en
bij een bepaalde somscore dient hulp worden ingeroepen. Hoe hoger de score hoe slechter.
Dit moet minimaal 1x per dienst. Bij score 3-5 → 1x in 4 uur. En score 6+ 1x per
uur.
ABCDE methode:
A: Airway: Is de luchtweg vrij?
B: Breathing: Haalt de patiënt adem en is de ademhaling voldoende en effectief?
C: Circulation: Is de bloedsomloop adequaat?
D: Disability: Wat is het bewustzijn van de patiënt (zijn er neurologische problemen)?
E: Exposure/environment: Zijn er andere letsels of verwondingen (blootstelling/omgeving)?