Burgerlijk procesrecht 1
Week 1 : Hoofdstuk 1
Hoorcollege aantekeningen:
het burgerlijk procesrecht valt in te delen in het vermogensrecht en het personen en
familierecht. Binnen het vermogensrecht staan rechten ter vrije beschikking van de
rechtssubjecten. Binnen het personen en familierecht is dat niet zo hierbij is de taak van de
rechter op specifieke belangen gericht. Het burgerlijke procesrecht stelt middelen tot handhaving
van de privaatrechtelijke rechtsorde ter beschikking om eigenrichting tegen te gaan. Dit kan door
middel van indirecte dwangmiddelen (retentierecht en opschortingsrecht) en directe
dwangmiddelen, ook wel reële executie. De materiele bevoegdheden en procesrecht vullen
elkaar aan en liggen in het verlengde van elkaar want zonder procesrecht kan je je recht niet
verkrijgen.
Eigenlijke of contentieuze rechtspraak > burgerlijke rechter (geschil)
Oneigenlijke of voluntaire rechtspraak > personen en familierecht (vrijwillige rechtspraak)
Soorten procedure
Dagvaarding: 78 Rv > eiser en gedaagde (op vordering van) > wordt betekend aan gedaagde
Verzoekschrift, art 261 Rv > verzoeker en verweerder (op verzoek van) dit blijkt uit de wet >
ingediend ter griffie
Kijk goed in welke titel je zit verwar dit niet met elkaar. Wanneer er voor de verkeerde procedure is
gekozen dan hebben we de wisselbepaling, art 69 RV
Hoofdstuk 2
Door de jaren heen steeds meer normen voor een behoorlijke procedure tot stand gekomen. Dit
zijn de beginselen van het procesrecht. Sommige van deze normen zijn fundamentele eisen
want daar kan niet van worden afgeweken en sommige zijn functionele eisen want dit zijn de
regels die zorgen voor een behoorlijke inrichting en goed functionerend procesrecht. Een van de
oudste fundamentele eis is het recht van hoor en wederhoor, art 19 RV.
Art 6 lid 1 EVRM kent een aantal fundamentele eisen die gesteld worden aan de rechter en aan
de rechtsgang bij de rechter. art 6 EVRM heeft interne werking en heeft daarbij voorrang op
nationale regelingen. Indien een regeling in strijd is met art 6 EVRM dan wordt het buitenwerking
gesteld. Art 13 EVRM bepaald dat er een effectief nationaal rechtsmiddel beschikbaar moet zijn
om tegen een eventuele schending van art 6 EVRM op te komen. De Algemene voorschriften
voor procedure, art 19 – 35 RV. op grond van art 21 RV zijn partijen verplicht om de feiten van het
geding in volledigheid en naar waarheid aan te dragen. De burgerlijke rechter heeft vooral een
lijdelijke rol in het proces doordat hij afhankelijk is van de bewijzen die de partijen zelf aandragen
(partijautonomie). In sommige gevallen is wel een actieve rol van de rechter vereist, zoals de
rechtsgronden en de regels van openbare orde ter bewaking van een goede rechtspleging.
Beginselen van burgerlijke procesorde, art 6 EVRM
• recht op toegang tot de rechter (maar wel enkele drempels griffierechten betalen, soms
advocaat nodig)
o Dit omvat de eisen van rechtsgelijkheid en rechtsbescherming. Er moeten zo min
mogelijk belemmeringen zijn voor de rechtszoekende om deze procedure te
doorlopen. Dus soms ook gefinancierde rechtsbijstand, art 18 lid 2 GW.
o niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de overheidsrechter die hem
toekomt.> Uitzondering: overeenkomst tot arbitrage (art 1020 Rv)
1
, Burgerlijk procesrecht 2
o Beperkingen/ drempels
Griffierecht en verplichte procesvertegenwoordiging soms
De eis van toegang tot de rechter omvat niet de toegang tot een hogere rechter.
• onpartijdig en onafhankelijk gerecht (wel wraken en verschoningsrecht)
o Onafhankelijk t.o.v. andere staatsmachten (Montesquieu)
o Verankerd in bijv. art. 116 en 117 Gw
o Onpartijdig t.o.v. partijen
o Register van nevenfuncties
o Wraking en verschoning (art. 36 en 40 Rv) (geen rechtsmiddel tegen art 39 lid 5 RV)
• recht op eerlijke behandeling
o het recht van eerlijke behandeling wordt ook wel fair trial genoemd, dit recht omvat
het recht van hoor en wederhoor, rechtszekerheidsbeginsel, motiveringsplicht en
gelijkheid in procespartijen (equality of arms)
▪ Hoor en wederhoor (art. 19 Rv)
• Audite et alteram partem
• Gecodificeerd in art. 19 Rv
HR Schook/Vergeer: centraal staat het beginsel van hoor en weder bij
een niet-officiële bezichtiging niet wordt toegepast. Een descente 201
Rv op initiatief van de rechter, zonder aanwezigheid van partijen levert
in beginsel in strijd op met hoor en wederhoor, art 19 Rv
‘tenzij uit de wet anders voortvloeit’ (bijv. art. 279 lid 1 jo. art. 700 Rv)
▪ Processuele gelijkheid (‘equality of arms’)
▪ Motivering beslissing (art. 121 Gw; art. 30 Rv) schending levert een
cassatiegrond op, art 79 en 80 RO.
• behandeling en uitspraak in het openbaar
o Behandeling én uitspraak
o Art. 121 Gw, 4 en 5 RO, 27-29 Rv
o Uitzonderingen
• uitspraak binnen redelijke termijn
o ‘Remedie’ bij overschrijding: vordering tot vergoeding van immateriële schade (o.g.v.
o.d.) tegen de Staat > van €500 euro per 6 maand
HR 28 maart 2014, NJ 2014/525 (Eisers/Gemeente De Bilt): schadevergoeding op basis
van een overschrijding van de redelijke termijn, art 20 Rv. moet in een aparte zaak jegens
de staat worden gevorderd. In die zaak hoeft vervolgens daadwerkelijke schade niet te
worden aangetoond. Slechts dient te worden bewezen door partijen dat de redelijke
termijn is geschonden. De hoogte van de vergoeding van de immateriële schade is €500,-
per half jaar overschrijding van de redelijke termijn.
Zaken die een rol spelen voor de actieve houding van de rechter.
- De ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, art 25 Rv
De rechter moet zelf kijken welke rechtsregels van toepassing zijn op de ten processuele
vaststaande feiten en of deze rechtsregels leiden tot een toe of afwijzing van de vordering.
De rechter is niet gebonden aan de rechtsregels die partijen inroepen. Hij kan zelf voor een
andere rechtsregel kiezen. De rechter mag dus de rechtsgronden ambtshalve
aanvullen, maar vaak zijn er niet genoeg feiten voor handen om af te wijken van de
aangewezen rechtsregel doordat partijen de feiten aandragen, art 25 RV.
- Soms moet de rechter door de partijen aangedragen feiten juridisch kwalificeren of
rechtsregel laten toetsen. Daarbij maakt het de partij niet uit of overeenkomst of vordering
in stand blijft, dan mag de rechter de vordering niet afkeuren op grond van een niet
ingeroepen rechtsregel, dit zou namelijk in strijd zijn met hoor en wederhoor en met wat
de partijen betwisten.
2
, Burgerlijk procesrecht 3
- De rechter moet de regels van openbare orde toepassen ook als partijen dit willen
omzeilen maar dit is in het belang van een goede rechtspleging, zoals termijnenwet
- Consumentenrecht als het een onredelijk beding bevat blijkens uit art 6:233 BW., dan
moet dit ambtshalve worden vernietigd.
Andere gevallen van zeggenschap rechter
1. Eigen onderzoek van de rechter
2. Zeggenschap over procestempo
3. Onderzoeksplicht bij verstek gedaagde, art 139 jo 120 RV
4. Dwangsom, rechter bepaalde de hoogte
Verboden aanvulling van feiten/feitelijke grondslag, art 24 RV
De rechter mag dan wel rechtsgronden aanvullen, maar mag nooit feiten of de feitelijke grondslag
aanvullen, dit is neergelegd in art 24 RV jo art 149 RV Echter is dit verbod niet absoluut, een rechter
mag op grond van art 149 lid 2 Rv algemene ervaringsregels en feiten of omstandigheden van
algemene bekendheid ambtshalve aan zijn beslissing ten grondslag leggen. De rechter mag
geen feiten en omstandigheden afleiden uit het geding die niet ten grondslag zijn gelegd.
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de materiele waarheid en de processuele waarheid.
Welke feiten hoeven geen bewijs:
o Processuele waarheid, gesteld, maar voldoende niet betwiste feiten, art 149 lid 1 RV
o Feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels, art 149 lid 2 RV
o Feiten die niet relevant zijn
Welke feiten behoeven wel te worden bewezen
o Gestelde relevante feiten, die voldoende zijn betwist door de wederpartij
Verplichte procesvertegenwoordiging, art 79 Rv
Het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging houdt in dat partijen niet in eigen persoon
mogen procederen maar alleen via een advocaat, art 79 lid 2 RV. Dit beginsel kent 3
rechtvaardigingen omdat materiele en formele recht te ingewikkeld is voor leken, partijen en
rechter komen het beide dan tot hun recht en de langdurige procedures kunnen zo worden
voorkomen (zeeffunctie).
o Uitzondering van beginsel procesvertegenwoordiging
• Gedingen bij de kantonrechter, art 79 Rv
• Kort geding bij de voorzieningenrechter dan alleen voor de eiser, gedaagde hoeft niet,
art 255 RV
• Procespartij mag zelf het pleidooi houden, maar niet in cassatie, art 134 lid 3 RV
De bevoegdheid van de rechterlijke macht
De rechter en de wetgever
▪ De rechter mag geen uitspraak doen in zake welke aan zijn beslissingen zijn onderworpen
als algemene verordening, dispositie of reglement, art 12 wet algemeen bepalingen.
▪ Wetten in formele zin kunnen niet door de rechter worden getoetst op procedure
voorschriften die bij de totstandkoming in acht zijn genomen of hun verenigbaarheid met
de grondwet, art 120 GW.
▪ Algemene verbindende voorschriften kunnen worden getoetst aan hogere regelingen en
ongeschreven rechtsbeginselen over de bevoegdheid van overheidsorganen.
Rechter en het bestuur
Wanneer tegen een vordering van een burger de administratieve rechtsgang openstaat of het
besluit dat wordt aangevallen formele rechtskracht heeft mag de rechter hierover niet inhoudelijk
oordelen. Als de bestuursrechter genoeg rechtsbescherming biedt voor de aangelegenheid en de
eiser maakt zijn rechtsvordering bij de burgerlijke rechter aanhangig dan mag deze niet van de
3
, Burgerlijk procesrecht 4
zaak kennisnemen ook als hij wel bevoegd, hij moet de eiser niet ontvankelijk verklaren, art 70 lid
1 Rv.
Klachtrecht
- Interne klachtprocedure is voor klachten over gedragingen van aan de rechtbanken en
hoven verboden rechtelijke ambtenaren. Kunnen worden ingediend bij het betrokken
gerecht, art 26 RO
- Externe klachtenprocedure is voor klachten over de wijze waarop een rechtelijke
ambtenaar zich tegenover hem heeft gedragen. Dit wordt via de procureur-generaal bij de
hoge raad ingediend, art 26 lid 4 RO
Bevoegdheid van de rechterlijke macht
Uit art 112 GW volgt dat de rechtelijke macht de geschillen van burgerlijke recht berecht. Daarna
moeten we opzoek naar de bevoegde rechter. De eenvoudige zaken worden behandeld in de
eenvoudige kamer met één rechter, deze kan de zaak ook doorverwijzen, art 15 RV, of de
meervoudige kamer met drie of vijf rechters, art 17 RV.
Internationale rechtsmacht
De nederlandse rechter is bevoegd indien de zaak voldoende aanknopingspunten heeft met de
nederlandse rechtsorde. Daarvoor kijken we naar art 1 RV. Die verwijst door naar verdragen en
verordeningen. (Brussel I bis > van toepassing op handelszaken en burgerlijk recht zaken) brussel
II- ter van toepassing op huwelijkszaken)
Stappenplan
1. Heeft de casus een internationaal element waardoor er naar internationaal recht
gekeken moet worden. Voor de internationale bevoegdheid van de rechter moet er
gekeken worden naar Art 1 Rv.
• Ja,
✓ Betreft het een EU-land > Brussel I bis. (handelszaken en burgerlijke zaken)
✓ Buiten EU > Noorwegen, Zwitserland, Ijsland > Parellelverdrag/ EVEX II
✓ Elders > art 1 RV.
• Nee, kijk dan naar Nederlands recht, 1 Rv.
Toepassing van art 1 Rv
• Art 1 RV
• Art 2 RV: de woonplaats of verblijfplaats, afgeleid uit art 1:10 BW ook de werkelijke verblijf
verstaan
• Art 6 RV: keuzemogelijkheid voor nederlandse of buitenlandse rechter
• Art 7 RV > bevoegdheid rechter
• Art 8 RV > jurisdictieclausule, tussen partijen opgemaakt beding over welke rechter
bevoegd is. geen juridisdictieclausule opgenomen dan kan de rechter soms zijn
rechtsmacht ontlenen aan het feit dat de eiser de zaak bij de nederlandse rechter
aanhangig maakt en de gedaagde geen beroep doet op ontbreken van rechtsmacht, ook
wel stilzwijgende forumkeuze, art 9 onder a Rv.
4
Week 1 : Hoofdstuk 1
Hoorcollege aantekeningen:
het burgerlijk procesrecht valt in te delen in het vermogensrecht en het personen en
familierecht. Binnen het vermogensrecht staan rechten ter vrije beschikking van de
rechtssubjecten. Binnen het personen en familierecht is dat niet zo hierbij is de taak van de
rechter op specifieke belangen gericht. Het burgerlijke procesrecht stelt middelen tot handhaving
van de privaatrechtelijke rechtsorde ter beschikking om eigenrichting tegen te gaan. Dit kan door
middel van indirecte dwangmiddelen (retentierecht en opschortingsrecht) en directe
dwangmiddelen, ook wel reële executie. De materiele bevoegdheden en procesrecht vullen
elkaar aan en liggen in het verlengde van elkaar want zonder procesrecht kan je je recht niet
verkrijgen.
Eigenlijke of contentieuze rechtspraak > burgerlijke rechter (geschil)
Oneigenlijke of voluntaire rechtspraak > personen en familierecht (vrijwillige rechtspraak)
Soorten procedure
Dagvaarding: 78 Rv > eiser en gedaagde (op vordering van) > wordt betekend aan gedaagde
Verzoekschrift, art 261 Rv > verzoeker en verweerder (op verzoek van) dit blijkt uit de wet >
ingediend ter griffie
Kijk goed in welke titel je zit verwar dit niet met elkaar. Wanneer er voor de verkeerde procedure is
gekozen dan hebben we de wisselbepaling, art 69 RV
Hoofdstuk 2
Door de jaren heen steeds meer normen voor een behoorlijke procedure tot stand gekomen. Dit
zijn de beginselen van het procesrecht. Sommige van deze normen zijn fundamentele eisen
want daar kan niet van worden afgeweken en sommige zijn functionele eisen want dit zijn de
regels die zorgen voor een behoorlijke inrichting en goed functionerend procesrecht. Een van de
oudste fundamentele eis is het recht van hoor en wederhoor, art 19 RV.
Art 6 lid 1 EVRM kent een aantal fundamentele eisen die gesteld worden aan de rechter en aan
de rechtsgang bij de rechter. art 6 EVRM heeft interne werking en heeft daarbij voorrang op
nationale regelingen. Indien een regeling in strijd is met art 6 EVRM dan wordt het buitenwerking
gesteld. Art 13 EVRM bepaald dat er een effectief nationaal rechtsmiddel beschikbaar moet zijn
om tegen een eventuele schending van art 6 EVRM op te komen. De Algemene voorschriften
voor procedure, art 19 – 35 RV. op grond van art 21 RV zijn partijen verplicht om de feiten van het
geding in volledigheid en naar waarheid aan te dragen. De burgerlijke rechter heeft vooral een
lijdelijke rol in het proces doordat hij afhankelijk is van de bewijzen die de partijen zelf aandragen
(partijautonomie). In sommige gevallen is wel een actieve rol van de rechter vereist, zoals de
rechtsgronden en de regels van openbare orde ter bewaking van een goede rechtspleging.
Beginselen van burgerlijke procesorde, art 6 EVRM
• recht op toegang tot de rechter (maar wel enkele drempels griffierechten betalen, soms
advocaat nodig)
o Dit omvat de eisen van rechtsgelijkheid en rechtsbescherming. Er moeten zo min
mogelijk belemmeringen zijn voor de rechtszoekende om deze procedure te
doorlopen. Dus soms ook gefinancierde rechtsbijstand, art 18 lid 2 GW.
o niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de overheidsrechter die hem
toekomt.> Uitzondering: overeenkomst tot arbitrage (art 1020 Rv)
1
, Burgerlijk procesrecht 2
o Beperkingen/ drempels
Griffierecht en verplichte procesvertegenwoordiging soms
De eis van toegang tot de rechter omvat niet de toegang tot een hogere rechter.
• onpartijdig en onafhankelijk gerecht (wel wraken en verschoningsrecht)
o Onafhankelijk t.o.v. andere staatsmachten (Montesquieu)
o Verankerd in bijv. art. 116 en 117 Gw
o Onpartijdig t.o.v. partijen
o Register van nevenfuncties
o Wraking en verschoning (art. 36 en 40 Rv) (geen rechtsmiddel tegen art 39 lid 5 RV)
• recht op eerlijke behandeling
o het recht van eerlijke behandeling wordt ook wel fair trial genoemd, dit recht omvat
het recht van hoor en wederhoor, rechtszekerheidsbeginsel, motiveringsplicht en
gelijkheid in procespartijen (equality of arms)
▪ Hoor en wederhoor (art. 19 Rv)
• Audite et alteram partem
• Gecodificeerd in art. 19 Rv
HR Schook/Vergeer: centraal staat het beginsel van hoor en weder bij
een niet-officiële bezichtiging niet wordt toegepast. Een descente 201
Rv op initiatief van de rechter, zonder aanwezigheid van partijen levert
in beginsel in strijd op met hoor en wederhoor, art 19 Rv
‘tenzij uit de wet anders voortvloeit’ (bijv. art. 279 lid 1 jo. art. 700 Rv)
▪ Processuele gelijkheid (‘equality of arms’)
▪ Motivering beslissing (art. 121 Gw; art. 30 Rv) schending levert een
cassatiegrond op, art 79 en 80 RO.
• behandeling en uitspraak in het openbaar
o Behandeling én uitspraak
o Art. 121 Gw, 4 en 5 RO, 27-29 Rv
o Uitzonderingen
• uitspraak binnen redelijke termijn
o ‘Remedie’ bij overschrijding: vordering tot vergoeding van immateriële schade (o.g.v.
o.d.) tegen de Staat > van €500 euro per 6 maand
HR 28 maart 2014, NJ 2014/525 (Eisers/Gemeente De Bilt): schadevergoeding op basis
van een overschrijding van de redelijke termijn, art 20 Rv. moet in een aparte zaak jegens
de staat worden gevorderd. In die zaak hoeft vervolgens daadwerkelijke schade niet te
worden aangetoond. Slechts dient te worden bewezen door partijen dat de redelijke
termijn is geschonden. De hoogte van de vergoeding van de immateriële schade is €500,-
per half jaar overschrijding van de redelijke termijn.
Zaken die een rol spelen voor de actieve houding van de rechter.
- De ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, art 25 Rv
De rechter moet zelf kijken welke rechtsregels van toepassing zijn op de ten processuele
vaststaande feiten en of deze rechtsregels leiden tot een toe of afwijzing van de vordering.
De rechter is niet gebonden aan de rechtsregels die partijen inroepen. Hij kan zelf voor een
andere rechtsregel kiezen. De rechter mag dus de rechtsgronden ambtshalve
aanvullen, maar vaak zijn er niet genoeg feiten voor handen om af te wijken van de
aangewezen rechtsregel doordat partijen de feiten aandragen, art 25 RV.
- Soms moet de rechter door de partijen aangedragen feiten juridisch kwalificeren of
rechtsregel laten toetsen. Daarbij maakt het de partij niet uit of overeenkomst of vordering
in stand blijft, dan mag de rechter de vordering niet afkeuren op grond van een niet
ingeroepen rechtsregel, dit zou namelijk in strijd zijn met hoor en wederhoor en met wat
de partijen betwisten.
2
, Burgerlijk procesrecht 3
- De rechter moet de regels van openbare orde toepassen ook als partijen dit willen
omzeilen maar dit is in het belang van een goede rechtspleging, zoals termijnenwet
- Consumentenrecht als het een onredelijk beding bevat blijkens uit art 6:233 BW., dan
moet dit ambtshalve worden vernietigd.
Andere gevallen van zeggenschap rechter
1. Eigen onderzoek van de rechter
2. Zeggenschap over procestempo
3. Onderzoeksplicht bij verstek gedaagde, art 139 jo 120 RV
4. Dwangsom, rechter bepaalde de hoogte
Verboden aanvulling van feiten/feitelijke grondslag, art 24 RV
De rechter mag dan wel rechtsgronden aanvullen, maar mag nooit feiten of de feitelijke grondslag
aanvullen, dit is neergelegd in art 24 RV jo art 149 RV Echter is dit verbod niet absoluut, een rechter
mag op grond van art 149 lid 2 Rv algemene ervaringsregels en feiten of omstandigheden van
algemene bekendheid ambtshalve aan zijn beslissing ten grondslag leggen. De rechter mag
geen feiten en omstandigheden afleiden uit het geding die niet ten grondslag zijn gelegd.
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de materiele waarheid en de processuele waarheid.
Welke feiten hoeven geen bewijs:
o Processuele waarheid, gesteld, maar voldoende niet betwiste feiten, art 149 lid 1 RV
o Feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels, art 149 lid 2 RV
o Feiten die niet relevant zijn
Welke feiten behoeven wel te worden bewezen
o Gestelde relevante feiten, die voldoende zijn betwist door de wederpartij
Verplichte procesvertegenwoordiging, art 79 Rv
Het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging houdt in dat partijen niet in eigen persoon
mogen procederen maar alleen via een advocaat, art 79 lid 2 RV. Dit beginsel kent 3
rechtvaardigingen omdat materiele en formele recht te ingewikkeld is voor leken, partijen en
rechter komen het beide dan tot hun recht en de langdurige procedures kunnen zo worden
voorkomen (zeeffunctie).
o Uitzondering van beginsel procesvertegenwoordiging
• Gedingen bij de kantonrechter, art 79 Rv
• Kort geding bij de voorzieningenrechter dan alleen voor de eiser, gedaagde hoeft niet,
art 255 RV
• Procespartij mag zelf het pleidooi houden, maar niet in cassatie, art 134 lid 3 RV
De bevoegdheid van de rechterlijke macht
De rechter en de wetgever
▪ De rechter mag geen uitspraak doen in zake welke aan zijn beslissingen zijn onderworpen
als algemene verordening, dispositie of reglement, art 12 wet algemeen bepalingen.
▪ Wetten in formele zin kunnen niet door de rechter worden getoetst op procedure
voorschriften die bij de totstandkoming in acht zijn genomen of hun verenigbaarheid met
de grondwet, art 120 GW.
▪ Algemene verbindende voorschriften kunnen worden getoetst aan hogere regelingen en
ongeschreven rechtsbeginselen over de bevoegdheid van overheidsorganen.
Rechter en het bestuur
Wanneer tegen een vordering van een burger de administratieve rechtsgang openstaat of het
besluit dat wordt aangevallen formele rechtskracht heeft mag de rechter hierover niet inhoudelijk
oordelen. Als de bestuursrechter genoeg rechtsbescherming biedt voor de aangelegenheid en de
eiser maakt zijn rechtsvordering bij de burgerlijke rechter aanhangig dan mag deze niet van de
3
, Burgerlijk procesrecht 4
zaak kennisnemen ook als hij wel bevoegd, hij moet de eiser niet ontvankelijk verklaren, art 70 lid
1 Rv.
Klachtrecht
- Interne klachtprocedure is voor klachten over gedragingen van aan de rechtbanken en
hoven verboden rechtelijke ambtenaren. Kunnen worden ingediend bij het betrokken
gerecht, art 26 RO
- Externe klachtenprocedure is voor klachten over de wijze waarop een rechtelijke
ambtenaar zich tegenover hem heeft gedragen. Dit wordt via de procureur-generaal bij de
hoge raad ingediend, art 26 lid 4 RO
Bevoegdheid van de rechterlijke macht
Uit art 112 GW volgt dat de rechtelijke macht de geschillen van burgerlijke recht berecht. Daarna
moeten we opzoek naar de bevoegde rechter. De eenvoudige zaken worden behandeld in de
eenvoudige kamer met één rechter, deze kan de zaak ook doorverwijzen, art 15 RV, of de
meervoudige kamer met drie of vijf rechters, art 17 RV.
Internationale rechtsmacht
De nederlandse rechter is bevoegd indien de zaak voldoende aanknopingspunten heeft met de
nederlandse rechtsorde. Daarvoor kijken we naar art 1 RV. Die verwijst door naar verdragen en
verordeningen. (Brussel I bis > van toepassing op handelszaken en burgerlijk recht zaken) brussel
II- ter van toepassing op huwelijkszaken)
Stappenplan
1. Heeft de casus een internationaal element waardoor er naar internationaal recht
gekeken moet worden. Voor de internationale bevoegdheid van de rechter moet er
gekeken worden naar Art 1 Rv.
• Ja,
✓ Betreft het een EU-land > Brussel I bis. (handelszaken en burgerlijke zaken)
✓ Buiten EU > Noorwegen, Zwitserland, Ijsland > Parellelverdrag/ EVEX II
✓ Elders > art 1 RV.
• Nee, kijk dan naar Nederlands recht, 1 Rv.
Toepassing van art 1 Rv
• Art 1 RV
• Art 2 RV: de woonplaats of verblijfplaats, afgeleid uit art 1:10 BW ook de werkelijke verblijf
verstaan
• Art 6 RV: keuzemogelijkheid voor nederlandse of buitenlandse rechter
• Art 7 RV > bevoegdheid rechter
• Art 8 RV > jurisdictieclausule, tussen partijen opgemaakt beding over welke rechter
bevoegd is. geen juridisdictieclausule opgenomen dan kan de rechter soms zijn
rechtsmacht ontlenen aan het feit dat de eiser de zaak bij de nederlandse rechter
aanhangig maakt en de gedaagde geen beroep doet op ontbreken van rechtsmacht, ook
wel stilzwijgende forumkeuze, art 9 onder a Rv.
4