DEEL 5: PRODUCT (H14 tm H16)
1. Wat is GEEN shopping good? (H14)
A. Kamerplant
B. Auto
C. Mobiele telefoon
D. Spijkerbroek
2. Wat zijn inferieure goederen? (H14)
A. Goederen van slechte kwaliteit
B. Goederen waarbij de vraag daalt als het inkomen stijgt
C. Goederen waarbij de vraag stijgt als het inkomen daalt
D. Goederen van mindere kwaliteit dan de concurrentie
3. Een fabrikant van afslankmiddelen heeft een nieuw product samengesteld dat de dagelijkse maaltijden kan
vervangen. Aan dit basisproduct voegt de fabrikant een verpakking, merknaam en garantieregeling toe. Hoe
wordt het geheel van het basisproduct en de hierboven genoemde toevoegingen genoemd? (H14)
A. Core product
B. Tangible product
C. Augmented product
D. Core & tangible product
4. Als we kijken naar het productassortiment. Wat geeft dan de breedte van het assortiment aan? (H15)
A. Het aantal producten binnen een productlijn
B. Het aantal varianten voor elk product in de lijnen
C. Het aantal productlijnen
D. Hoe samenhangend de verschillende productlijnen zijn
5. Wat is geen fabrikantenmerk? (H15)
A. Duaal merk
B. Huismerk
C. Familiemerk
D. Individueel merk
6. In welke fase van de productontwikkeling neemt de concurrentie doorgaans het snelst toe? (H16)
A. Introductiefase
B. Groeifase
C. Volwassenheidsfase
D. Neergangsfase
7. In welke fase van de productontwikkeling beginnen bedrijven doorgaans met het introduceren van nieuwe
productvarianten? (H16)
A. Introductiefase
B. Groeifase
C. Volwassenheidsfase
D. Neergangsfase
1. Wat is GEEN shopping good? (H14)
A. Kamerplant
B. Auto
C. Mobiele telefoon
D. Spijkerbroek
2. Wat zijn inferieure goederen? (H14)
A. Goederen van slechte kwaliteit
B. Goederen waarbij de vraag daalt als het inkomen stijgt
C. Goederen waarbij de vraag stijgt als het inkomen daalt
D. Goederen van mindere kwaliteit dan de concurrentie
3. Een fabrikant van afslankmiddelen heeft een nieuw product samengesteld dat de dagelijkse maaltijden kan
vervangen. Aan dit basisproduct voegt de fabrikant een verpakking, merknaam en garantieregeling toe. Hoe
wordt het geheel van het basisproduct en de hierboven genoemde toevoegingen genoemd? (H14)
A. Core product
B. Tangible product
C. Augmented product
D. Core & tangible product
4. Als we kijken naar het productassortiment. Wat geeft dan de breedte van het assortiment aan? (H15)
A. Het aantal producten binnen een productlijn
B. Het aantal varianten voor elk product in de lijnen
C. Het aantal productlijnen
D. Hoe samenhangend de verschillende productlijnen zijn
5. Wat is geen fabrikantenmerk? (H15)
A. Duaal merk
B. Huismerk
C. Familiemerk
D. Individueel merk
6. In welke fase van de productontwikkeling neemt de concurrentie doorgaans het snelst toe? (H16)
A. Introductiefase
B. Groeifase
C. Volwassenheidsfase
D. Neergangsfase
7. In welke fase van de productontwikkeling beginnen bedrijven doorgaans met het introduceren van nieuwe
productvarianten? (H16)
A. Introductiefase
B. Groeifase
C. Volwassenheidsfase
D. Neergangsfase