Een Vergelijking Tussen de Effecten van Cognitieve Gedragstherapie en SSRI’s
als Depressiebehandeling Tijdens de Zwangerschap op Jonge Kinderen
[naam]
Rijksuniversiteit Groningen
[datum]
, Inleiding
Ongeveer 15-20% van de vrouwen krijgt te maken met een depressie tijdens de
zwangerschap. Vrouwen die eerder in hun leven een periode van depressie hebben meegemaakt,
zijn kwetsbaarder voor zwangerschapsdepressies (Frank, Kupfer, Jacob, Blumenthal, Jarrett, 1987).
Verschillende onderzoeken hebben bovendien aangetoond dat onbehandelde, of onderbehandelde
depressie bij zwangere vrouwen het risico verhoogt op vroeggeboorte, laag geboorte gewicht en een
verstoring in neurologische gedragsontwikkeling van de foetus (Hanley & Oberlander, 2014).
Daarnaast zorgen depressieve vrouwen tijdens de zwangerschap minder goed voor zichzelf,
verdiepen ze zich minder in prenatale zorg, komen ze minder aan als gevolg van verminderde eetlust,
en zijn eerder in staat om alcohol te drinken of te roken. Ook komt bij deze vrouwen vaker
zelfverwonding plaats. Dit bij elkaar heeft een negatieve impact op de nakomelingen (Zuckerman,
Amaro, Bauchner, & Cabral). Wanneer vrouwen depressief zijn tijdens de zwangerschap, wordt
daarom toch vaak antidepressiva voorgeschreven en met name selective serotonin reuptake
inhibitors (SSRI’s) (Cooper, Pont, & Ray, 2007). Hoewel de effecten van SSRI’s moeilijk te
onderscheiden zijn van de effecten die veroorzaakt worden door depressie van de moeder
(Weisskopf et al., 2015), is bekend dat bepaalde stoffen van SSRI’s in staat zijn om binnen de
placenta te treden en mogelijkerwijs op deze manier de foetale ontwikkeling te beïnvloeden. Dit
gebeurt voornamelijk tijdens de foetale fase, wanneer het brein nog erg kwetsbaar is en
neurotransmitters een belangrijke rol spelen in specifieke neurologische ontwikkelingsprocessen
(Levitt, Harvey, Friedman, Simansky, & Murphy, 1997). Zo heeft het onderzoek van Oberlander,
Warburton, Misri, Aghajanian en Hertzman (2006) aangetoond dat prenatale blootstelling aan SSRI’s
leidt tot een verhoogd risico op een lager geboortegewicht en ademhalingsproblemen bij het kind in
vergelijking met kinderen van moeders met onbehandelde depressie, ook als er gecontroleerd wordt
voor de mate van de maternale depressie. Daarnaast kan er een klein verhoogd risico optreden op
aangeboren hartafwijkingen bij kinderen (Hanley & Oberlander, 2014). Verder lijkt SSRI gebruik
tijdens de zwangerschap de kans te verhogen op een verstoring in de sociaal-emotionele
ontwikkeling (Weikum, Mayes, Grunau, Brain, & Oberlander, 2013) en psychomotorische
ontwikkeling (Mortensen et al. 2003) en is er een verhoogd risico op autismespectrumstoornissen
(Croen, Grether, Yoshida, Odouli, & Hendrick, 2011) en ADHD (Clements et al., 2015).
Er is dus onduidelijkheid over de effecten van SSRI’s tijdens zwangerschap op het kind, maar
de effecten die gevonden worden kunnen risico’s vormen. Ook de consequenties van depressie
blijken niet goed te zijn voor het kind. Het moet daarom behandeld worden. Er zijn een aantal
alternatieve behandelingen van depressie die kunnen helpen om de symptomen te verminderen,
zonder dat het kind wordt blootgesteld aan stoffen van SSRI’s (Hollon, Thase, & Markowitz, 2002).
Een van deze alternatieve behandelingen is cognitieve gedragstherapie (CGT). CGT is gebaseerd op
het idee dat de manier waarop mensen bepaalde situaties waarnemen, bepaalt hoe zij gedragsmatig
en gevoelsmatig zullen reageren (Hollon, 1998). Dysfunctionele overtuigingen en
informatieverwerking is in veel psychiatrische stoornissen terug te vinden, en deze aspecten worden
aangepakt met behulp van deze therapievorm (Chabrol et al., 2002). Hierbij wordt voornamelijk
geprobeerd de patiënten nieuwe perspectieven te geven en worden er duidelijke, haalbare doelen
gesteld waar met behulp van de therapie actief naartoe gewerkt kan worden (Stravynski &
Greenberg, 1992). Uit een aantal onderzoeken blijkt dat CGT een even goede al dan niet betere
behandeling is tegen depressie in vergelijking met het gebruik van farmaca (Rush, Beck, Kovacs, &
Hollon, 1997; Murphy, Simons, Witzel, & Lustman, 1984). DeRubeis, Gelfand, Tang en Simons (1999)
concluderen dat, omdat CGT minstens zo effectief blijkt als SSRI-gebruik, deze behandeling de
voorkeur moet hebben. Ook tijdens de zwangerschap blijkt CGT een effectieve behandeling te zijn
(Spinelli & Endicott, 2003). Bovendien is de kans op een terugval op depressie verminderd na
behandelingen met cognitieve gedragstherapie in vergelijking met het gebruik van antidepressiva
als Depressiebehandeling Tijdens de Zwangerschap op Jonge Kinderen
[naam]
Rijksuniversiteit Groningen
[datum]
, Inleiding
Ongeveer 15-20% van de vrouwen krijgt te maken met een depressie tijdens de
zwangerschap. Vrouwen die eerder in hun leven een periode van depressie hebben meegemaakt,
zijn kwetsbaarder voor zwangerschapsdepressies (Frank, Kupfer, Jacob, Blumenthal, Jarrett, 1987).
Verschillende onderzoeken hebben bovendien aangetoond dat onbehandelde, of onderbehandelde
depressie bij zwangere vrouwen het risico verhoogt op vroeggeboorte, laag geboorte gewicht en een
verstoring in neurologische gedragsontwikkeling van de foetus (Hanley & Oberlander, 2014).
Daarnaast zorgen depressieve vrouwen tijdens de zwangerschap minder goed voor zichzelf,
verdiepen ze zich minder in prenatale zorg, komen ze minder aan als gevolg van verminderde eetlust,
en zijn eerder in staat om alcohol te drinken of te roken. Ook komt bij deze vrouwen vaker
zelfverwonding plaats. Dit bij elkaar heeft een negatieve impact op de nakomelingen (Zuckerman,
Amaro, Bauchner, & Cabral). Wanneer vrouwen depressief zijn tijdens de zwangerschap, wordt
daarom toch vaak antidepressiva voorgeschreven en met name selective serotonin reuptake
inhibitors (SSRI’s) (Cooper, Pont, & Ray, 2007). Hoewel de effecten van SSRI’s moeilijk te
onderscheiden zijn van de effecten die veroorzaakt worden door depressie van de moeder
(Weisskopf et al., 2015), is bekend dat bepaalde stoffen van SSRI’s in staat zijn om binnen de
placenta te treden en mogelijkerwijs op deze manier de foetale ontwikkeling te beïnvloeden. Dit
gebeurt voornamelijk tijdens de foetale fase, wanneer het brein nog erg kwetsbaar is en
neurotransmitters een belangrijke rol spelen in specifieke neurologische ontwikkelingsprocessen
(Levitt, Harvey, Friedman, Simansky, & Murphy, 1997). Zo heeft het onderzoek van Oberlander,
Warburton, Misri, Aghajanian en Hertzman (2006) aangetoond dat prenatale blootstelling aan SSRI’s
leidt tot een verhoogd risico op een lager geboortegewicht en ademhalingsproblemen bij het kind in
vergelijking met kinderen van moeders met onbehandelde depressie, ook als er gecontroleerd wordt
voor de mate van de maternale depressie. Daarnaast kan er een klein verhoogd risico optreden op
aangeboren hartafwijkingen bij kinderen (Hanley & Oberlander, 2014). Verder lijkt SSRI gebruik
tijdens de zwangerschap de kans te verhogen op een verstoring in de sociaal-emotionele
ontwikkeling (Weikum, Mayes, Grunau, Brain, & Oberlander, 2013) en psychomotorische
ontwikkeling (Mortensen et al. 2003) en is er een verhoogd risico op autismespectrumstoornissen
(Croen, Grether, Yoshida, Odouli, & Hendrick, 2011) en ADHD (Clements et al., 2015).
Er is dus onduidelijkheid over de effecten van SSRI’s tijdens zwangerschap op het kind, maar
de effecten die gevonden worden kunnen risico’s vormen. Ook de consequenties van depressie
blijken niet goed te zijn voor het kind. Het moet daarom behandeld worden. Er zijn een aantal
alternatieve behandelingen van depressie die kunnen helpen om de symptomen te verminderen,
zonder dat het kind wordt blootgesteld aan stoffen van SSRI’s (Hollon, Thase, & Markowitz, 2002).
Een van deze alternatieve behandelingen is cognitieve gedragstherapie (CGT). CGT is gebaseerd op
het idee dat de manier waarop mensen bepaalde situaties waarnemen, bepaalt hoe zij gedragsmatig
en gevoelsmatig zullen reageren (Hollon, 1998). Dysfunctionele overtuigingen en
informatieverwerking is in veel psychiatrische stoornissen terug te vinden, en deze aspecten worden
aangepakt met behulp van deze therapievorm (Chabrol et al., 2002). Hierbij wordt voornamelijk
geprobeerd de patiënten nieuwe perspectieven te geven en worden er duidelijke, haalbare doelen
gesteld waar met behulp van de therapie actief naartoe gewerkt kan worden (Stravynski &
Greenberg, 1992). Uit een aantal onderzoeken blijkt dat CGT een even goede al dan niet betere
behandeling is tegen depressie in vergelijking met het gebruik van farmaca (Rush, Beck, Kovacs, &
Hollon, 1997; Murphy, Simons, Witzel, & Lustman, 1984). DeRubeis, Gelfand, Tang en Simons (1999)
concluderen dat, omdat CGT minstens zo effectief blijkt als SSRI-gebruik, deze behandeling de
voorkeur moet hebben. Ook tijdens de zwangerschap blijkt CGT een effectieve behandeling te zijn
(Spinelli & Endicott, 2003). Bovendien is de kans op een terugval op depressie verminderd na
behandelingen met cognitieve gedragstherapie in vergelijking met het gebruik van antidepressiva