HOOFDSTUK 1
Bladgroen
De kleur groen wordt geassocieerd met planten, omdat het een belangrijk gemeenschappelijk kenmerk is van
planten. Dit komt door het bladgroen wat in de cellen van planten zit. Als een plant bladeren heeft zit het
bladgroen voornamelijk in de bladeren. Dit bladgroen speelt een belangrijke rol bij fotosynthese.
Fotosynthese
Dit is het proces dat planten in staat stelt om met behulp van zonlicht eigen voedsel te maken. Door deze
eigenschap vormen planten een onmisbare schakel in bijna alle voedselketens. Zuurstof is een belangrijk
bijproduct van fotosynthese. Fotosynthese vindt plaats in de bladgroenkorrels (in de cellen van bladeren en
vaak stengel). Met behulp van energie uit het geabsorbeerde licht kunnen de bladgroenkorrels uit eenvoudige
grondstoffen (koolstofdioxide en water) energierijke suikers vormen. Dit wordt ook wel assimilatie (aanmaak)
genoemd. De suikers die gevormd worden gebruikt een plant als bouwstof voor zijn eigen weefsels. Maar deze
suikers dienen ook als brandstof. De verbranding van suikers is het omgekeerde proces van fotosynthese. De
suikers worden met behulp van zuurstof afgebroken tot koolstofdioxide en water, waarbij de vastgelegde
energie vrijkomt. Dit heet dissimilatie (afbraak). De vrijgekomen energie wordt gebruikt bij de groei van een
plant en de vorming van bloemen, vruchten en zaden.
Plantenrijk
Tot nu toe zijn er 500.000 verschillende plantensoorten ontdekt, er worden nog steeds nieuwe soorten
ontdekt. Al deze soorten in het plantenrijk kun je indelen in hoofd en subgroepen. De indeling is bepaald op de
mate van verwantschap tussen de soorten. Maar ook de bouw van planten en de manier waarop ze zich
voortplanten vormen kenmerken die gebruikt worden voor de indeling. De indeling bestaat uit 5
hoofdgroepen, zie afbeelding.
Wieren Mossen Paardenstaart Varens Zaadplante Zaadplanten:
(algen) en n: bloemplanten
coniveren
Wortels - - + + + +
Stengels - Stengelachti + + + (soms in +
ge structuur vorm van
zonder boomstam)
vaatbundel
(soort
haartjes)
Bladeren - Dunne + Veernervige Stevige +
eenvoudige bladeren bladeren
blaadjes
Vaatbund - - + + + +
, els
Sporen Sommige Sporendrage Eivormige Sporendrag - - voortplanting
algen wel. rs of sporendrager ers aan de voortplanti via
Maar sporenkapse aan de top. onderkant ng via vruchten/bestuivi
voonamelij ls van de zaden ng.
k bladeren.
voortplanti
ng via
celdeling.
Vruchten - - - - -
Kegels - - - - +
Bloemen - - - - -
Wieren
Dit is de hoofdgroep met de eenvoudigste bouw. Omdat wieren in grote getalen voorkomen in het water
leveren ze de helft van de zuurstof in de atmosfeer. Wieren kunnen zo klein zijn dat je ze met een microscoop
niet eens kunt zien, bijvoorbeeld algen. Dit zijn de eencellige wieren, maar er zijn ook meercellige wieren.
Wieren leven voornamelijk in het water. Je hebt de zogenoemde flap, dit zijn draadvormige wieren die je in
overbemeste sloten ziet. Sommige algen komen op het land voor, vaak op bomen of vochtige tegels. Dit zijn de
eencellige boomalgen (ziet eruit als groene laag op boom). De boomalgen zitten voornamelijk aan de
noordwestelijkekant, dit is het schaduwrijkst waardoor ze minder snel uitdrogen.
Korstmossen
Naast de groene laag algen is een boomstam vaak begroeid met grijsgroene plakkaten of korsten, dit zijn
korstmossen. Komt ook voor op stoeptegels, gebouwen en grafstenen. Er zijn kostvormige, bladvormige en
struikvormige soorten. Zie afbeelding. Korstmossen horen niet tot de groep van de mossen, dit omdat het een
samenlevingsvorm is tussen een alg en een schimmel. Beide organismen hebben hier voordeel uit, ook wel
symbiose genoemd. Een alg levert voedingsstoffen aan de schimmel en de schimmel houd vocht en mineralen
vast en beschermt de alg hierdoor tegen uitdroging.
Mossen
Mossen zijn landplanten, maar hebben een vochtige omgeving nodig. Mossen hebben geen echte wortels,
maar wel haartjes waarmee ze zich aan de grond hechten, deze spelen geen rol bij wateropname. De mossen
nemen het water met daarin opgeloste voedingsstoffen rechtstreeks op via hun dunne eenvoudige blaadjes.
Om het water goed vast te houden en verdamping tegen te gaan leven de mosplanten vaak bij elkaar
(kussentjes van mosplanten). Als er veel droogte is komen ze in rusttoestand waarbij ze uitdrogen, ze zijn dan
niet dood en kunnen met water gewoon weer verder groeien. Mosplanten produceren sportendragers of
,sporenkapsels voor de voortplanting. De sporen bestaan slechts uit wat erfelijk materiaal, omgeven door een
omhulsel. In het voorjaar vormen de vrouwelijke mosplanten sporendragers (ziet eruit als bruin stengeltje). Bij
droog weer springt deze sporendrager open en worden de sporen via de lucht verspreid.
Paardenstaarten
Paardenstaarten zijn beter aangepast aan een droger landleven. De bladeren en stengels hebben een
wasachtige laag die uitdroging tegengaat. Met de vaatbundels worden water en voedigsstoffen door de plant
getransporteerd. Hierdoor kunnen ze ook in de hoogte groeien. Hoe hoger planten groeien hoe meer zonlicht
ze kunnen opvangen (hiermee kun je concurenten overschaduwen). De grootste paardenstaarten worden niet
hoger dan een meter. Het is een stijve rechte stengel die geleed is (uit stukjes bestaat).
Varens
Varens groeien uit een wortelstok. De bovengrondse stengel is vrij klein en onopvallend. De bladeren komen
stevig en opgerold uit de grond. De sporendragers onder op de bladeren zien eruit als kleine bruine
puntjes/streepjes (zitten onderop want beter beschut tegen regen). Als je de bladeren schud lijkt het op bruin
poeder. Ze planten zich geslachtelijk voor door sporen (mannelijke planten)
Varens, paardenstaarten en mossen vallen onder de groep sporenplanten.
Zaadplanten
Zaadplanten zijn het best aangepast aan een droog landleven. De bladeren en stengels hebben een wasachtige
laag waardoor uitdroging tegegaan wordt. Zaadplanten kunnen het grootst worden (naaldbomen bv).
Karakteristiek voor zaadplanten is dat ze zich voortplanten door zaden. Een zaad is groter dan een spore en
bevat een embryonaal lantje met voedsel voor de kiemperiode. Tijdens deze periode barst de zaadhuid open
en ontwikkelt het embryonaal zich tot een kiemplantje met wortel, stengel en bladeren. Zaadplanten kun je
indelen in 2 subgroepen: coniferen (naaktzadigen) en bloemplanten (bedektzadigen).
Coniveren (naaktzadigen)
Conifeer betekent letterlijk kegeldrager. Hu zaden ontwikkelen zich op op de houdige schubben van kegels.
Naaldbomen behoren ook tot coniferen. Coniferen noem je naaktzadigen omdat de zaden zich niet in een
vrucht ontwikkelen maar open en bloot op de schubben van de kegels liggen. de zaden hebben een extra
vliesje waardoor de wind ze beter kan verspreiden.
Bloemplanten (bedektzadigen)
Bloemplanten zijn 80% van de planten soorten op aarde. Hieronder vallen loofbomen, struiken en kruidachtige
planten. Kenmerk kruidachtige planten: stengel sterft na elk groeiseizoen af. Bloemplanten hebben bloemen
die een belangrijke rol spelen bij voortplanting. Na de bestuiving vindt de bevruchting plaats in het
vruchtbeginsel van de bloem. Nu kan het zaad zich ontwikkelen in het vruchtbeginsel. Het vruchtbeginsel groeit
uit tot een vrucht met daarin het rijpe zaad. Daarom noemt met bloemplanten ook wel bedektzadigen, de
zaden zitten in een vrucht (denkt aan tomaat, kastanje).
Paardenstaarten, varens en zaadplanten vallen onder de groep vaatplanten.
Groei van planten.
De toppen van stengels en wortels zorgen voor groei in de lengte. Knoppen kunnen uitgroeien tot nieuwe
zijtakken, bladeren of bloemen. In de stengel zitten speciale cellen die ervoor zorgen dat een stengel in de dikte
kan groeien. Planten groeien sneller bij gunstige omstandigheden. Belangrijke kiemings- en groeifactoren voor
een plant zijn licht, koolstofdioxide, zuurstof, water, voedingszouten en warmte.
, Bouw en functie van bladeren
De belangrijkste functie van bladeren is het aanmaken van eigen voedsel door fotosynthese. Een blad heeft
meestal een platte brede vorm waardoor er een groot oppervlak ontstaat waarmee licht opgevangen kan
worden.
Uitwendige bouw blad
Bladeren overlappen elkaar zo min mogelijk, hierdoor kan het meer zonlicht opvangen. Het blad heeft hoofd en
zijnerven waarmee het benodigde water wordt aangevoerd. Een blad is vrij dun zodat de koolstofdioxide snel
in de cellen met bladgroenkorrels kan komen.
Inwendige bouw blad
De cellen met de meeste bladgroenkorrels bevinden zich aan de bovenkant. Aan de onderkant zitten de meeste
huidmondjes die zorgen voor de aan- en afvoer van zuurstof en koolstofdioxide. Via de huidmondjes wordt ook
de verdamping geregeld. Deze huidmondjes kunnen geopend en afgesloten worden. een wasachtig laagje aan
de boven en onderkant van het blad voorkomt uitdroging en verdamping.
Plantencel
Afhankelijk van de functie die ze vervullen kunnen cellen verschillend gebouwd zijn, maar de meeste hebben
een vergelijkbaar bouwplan. Zie afbeelding. De celkern bevat het erfelijk materiaal in de vorm van
chromosomen en speelt een belangrijke rol bij de processen in de cel. Het celplasma bevat water en eiwitten
(en verder ingezoemd organellen). Het celmembraan regelt het transport van de ene naar de andere cel,
hiermee wordt de cel begrenst. Een plantencel heeft een extra begrenzing door middel van de celwand, dit
zorgt voor extra versteviging en kan verhouten (zo ontstaan houtvaten). Een vacuole is een blaasje gevuld met
water en opgeloste stoffen (zouten, reservestoffen, kleurstoffen en afvalstoffen). Als een vacuole goed gevuld
is geeft deze extra druk op de celwand, dit vergroot de stevigheid van de cel. de bladgroenkorrels kunnen zich
ook ontwikkelen tot kleurstofkorrels die kleur geven aan een plant (bv bloem of tomaat). Ook kunnen de
bladgroenkorrels een opslag functie hebben en zetmeelkorrels vormen wanneer glucose wordt omgezet in
zetmeel. Denk aan bollen of knollen.
Bouw en functie van wortels
Het wortelstelsel heeft 2 belangrijke functies; verankeren en water en voedingszouten opnemen uit de bodem.
Een plant heeft water nodig voor fotosynthese en voor de stevigheid. Vooral jonge planten en kruidachtige
planten ontlenen hun stevigheid aan het vochtgehalte. Als dit te laag is gaat de plant slap hangen en
verwelken. Hoewel planten hun eigen voedsel kunnen maken hebben ze ook geringe behoefte aan
voedingszouten. Soms heeft een plant een hoofdwortel met zijwortels en soms groeien er meerdere kleine
wortels de grond in. Welke vorm het wortelstelsel ook heeft, vla achter de toppen van alle wortels en hun