Naam: Hollende Kleurling
Rechterlijke instantie: Gerechtshof Amsterdam
Casus: Twee agenten surveilleren in de omgeving van de Warmoesstraat
in Amsterdam. Ze zien een man met een donkere huidskleur uit de richting
van café Caribian Nights komen, een locatie die bekendstaat bij de politie
vanwege drugsgebruik en -handel. De man houdt zijn hand in zijn jaszak,
wat de agenten verdacht vinden. Ze houden hem staande, vragen om
legitimatie, en na weigering verrichten ze een fouillering. De man verzet
zich, waarbij een wikkel heroïne uit zijn jas valt. Hij wordt vervolgd voor
drugsbezit en wederspannigheid.
Rechtsoverweging: Het hof oordeelt dat er geen sprake was van een
redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv. De enkele
omstandigheid dat de man uit de richting van een berucht café kwam en
zijn hand in zijn jaszak hield, volstaat niet als objectieve grond voor
verdenking. De daaropvolgende fouillering en staandehouding zijn
daarmee onrechtmatig. Omdat het bewijs (de heroïne) door deze
onrechtmatige handelingen is verkregen, is het onrechtmatig bewijs.
Rechtsvraag: Was er sprake van een rechtmatige staandehouding en
fouillering, en is het verkregen bewijs op rechtmatige wijze verkregen?
Rechtsregel: Een persoon mag enkel als verdachte worden aangemerkt
indien er sprake is van een objectief en concreet ‘redelijk vermoeden van
schuld’ aan een strafbaar feit (art. 27 Sv). Staandehouding en fouillering
zonder dit vermoeden zijn onrechtmatig. Ook moeten voor fouillering
‘ernstige bezwaren’ aanwezig zijn; deze zwaardere norm vereist meer dan
een eenvoudige verdenking.
Uitkomst arrest: De verdachte is van zowel het drugsbezit als de
wederspannigheid vrijgesproken, omdat de handelingen van de politie
onrechtmatig waren en het bewijs onrechtmatig is verkregen.
, ECLI:NL:PHR:1983:AB9590 (Damrak)
Naam: Damrak
Rechterlijke instantie: Hoge Raad der Nederlanden
Casus: Op het Damrak in Amsterdam observeren verbalisanten twee
getinte mannen in gesprek met een blanke man (de verdachte). Kort
daarna stappen deze drie samen in een auto met een Duits kenteken,
bestuurd door een andere blanke man. Terwijl de auto stilstaat op het
Damrak, proberen de verbalisanten naar de auto toe te lopen vanwege
een vermoeden van een drugsdeal. Zodra de agenten oversteken, slaan
de twee getinte mannen op de vlucht. De twee overgebleven inzittenden
worden aangehouden. In de auto worden heroïne en hasj aangetroffen.
Rechtsoverweging: Zowel het hof als de Hoge Raad oordeelt dat de
verbalisanten beschikten over een redelijk vermoeden van schuld in de zin
van art. 27 Sv. Doorslaggevend hierbij was hun ervaring met
drugscriminaliteit, het feit dat het Damrak een bekende locatie is voor
drugsdeals, en het gedrag van de verdachten (o.a. het vluchten van de
twee mannen). Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigden de
aanhouding en maakten het verkregen bewijs rechtmatig.
Rechtsvraag: Was er sprake van een redelijk vermoeden van schuld op
grond waarvan de aanhouding en het bewijsverkrijging rechtmatig waren?
Rechtsregel: Een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in art. 27 Sv
kan gebaseerd zijn op feiten en omstandigheden zoals locatie, gedrag van
betrokkenen en ervaring van opsporingsambtenaren. Vluchtgedrag kan dit
vermoeden versterken. In dat geval is het bewijs rechtmatig verkregen.
Uitkomst arrest: De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof: de
aanhouding was rechtmatig, er was sprake van een redelijk vermoeden
van schuld, en het bewijs (heroïne en hasj) is rechtmatig verkregen. De
verdachte werd dus niet vrijgesproken.