Inleiding Staatsrecht 2024/2025
, APV Tilburg (HR 28-11-1950, NJ 1951, 137)
Naam: HR 28-11-1950, NJ 1951, 137 (APV Tilburg)
Casus: Op grond van art. 15 quater van de Algemene Politieverordening (APV) van Tilburg werd F. v. A., die in zijn
boekenkiosk op het Centraal Station in Tilburg boekjes met prikkelende afbeeldingen verkocht, strafrechtelijk vervolgd. Het
artikel verbood het verkopen van geschriften, afbeeldingen of voorwerpen die de zinnelijkheid konden prikkelen op publiek
toegankelijke plaatsen. F. v. A. verdedigde zich met een beroep op art. 7 Grondwet (vrijheid van meningsuiting en
drukpersvrijheid).
Rechtsoverweging: De Hoge Raad oordeelde dat beperkingen van het grondrecht van art. 7 GW alleen door een wet in
formele zin kunnen worden gesteld. Art. 15 quater APV is een verordening van lagere overheid en dus slechts een wet in
materiële zin. Daarom is het niet toegestaan dat deze verordening het grondrecht van vrijheid van meningsuiting beperkt.
Rechtsvraag: Is een 'wet' in art. 7 Grondwet uitsluitend een wet in formele zin (door regering en Staten-Generaal vastgesteld),
of kan ook een lagere regelgeving hieraan grenzen stellen?
Rechtsregel: Beperkingen van het grondrecht van art. 7 Grondwet kunnen alleen worden gesteld door een wet in formele zin.
Lagere regelgeving zoals gemeentelijke verordeningen kan de vrijheid van meningsuiting niet beperken. Wel mag de lagere
wetgever het verspreiden van geschriften in het belang van de openbare orde beperken, mits deze beperkingen niet de inhoud
betreffen en het verspreiden niet in het algemeen verbieden.
Uitkomst arrest: De APV van Tilburg (art. 15 quater) is niet verbindend voor zover het een beperking van de vrijheid van
meningsuiting inhoudt. F. v. A. mocht niet op grond van deze APV worden vervolgd.