Theorie 1: Betekenis, hoofdgedachte en hoofdvraag, en de inleiding van de tekst in
stukken.
1. Betekenis; er kan in een tekst gevraagd worden naar de betekenis in de zin van:
Waarde/belang: Dat en dat heeft een bepaalde waarde/ is belangrijk voor iemand.
Gevolgen: Dat en dat heeft een (groot) effect, impact, bepaalde gevolgen.
Doel: Dat en dat heeft een bepaald doel.
Teken: Dat en dat is een teken of indicatie van iets.
2. Hoofdgedachte en hoofdvraag.
- Hoofdgedachte: de belangrijkste mededeling over het tekstonderwerp.
- Hoofdvraag: centrale vraag die schrijver stelt over het tekstonderwerp.
Om de hoofdgedachte te vinden kijk je vooral in de eerste zin, de laatste zin en de
tweede zin van een alinea.
3. De verdeling van de tekst in stukken.
Lezen in drie rondes:
1. Lees je de titel, de hele inleiding en het slot helemaal. Hier kun je vaak al zien of de tekst
een betoog, beschouwing of uiteenzetting is.
2. Lees je de eerste zin van elke alinea. Je probeert de zinnen wat beknopt en
vereenvoudigd te onthouden.
3. Ga je alle zinnen analyserend lezen. Door goed op de argumenten te letten kun je
namelijk diep doordringen tot de inhoud van de tekst.
Gidsende zinnen: zinnen die lezer door de tekst gidsen. Dit doen ze op 3 manieren:
1. Ze kondigen iets aan
2. Ze vatten een stukje voor de lezer samen of trekken er een conclusie uit.
3. Ze combineren deze zaken in 1 zin. (= scharnierende zinnen)
, Theorie 2: Diverse tekstsoorten en het doel van de tekst.
1. Diverse tekstsoorten
Betoog: In een betoog staat altijd duidelijk de mening van de schrijver. De schrijver wil
jou als lezer immers overtuigen van die mening. Je zal in een betoog dan ook regelmatig
het woord ‘ik’ zien staan. In een betoog staan ook vaak argumenten waarmee de
schrijver zijn of haar mening onderbouwt, maar ook argumenten van tegenstanders die
de schrijver weerlegt. De schrijver wil gelijk hebben. (Subjectief)
Beschouwing: In een beschouwing kunnen ook meningen voorkomen, maar de schrijver
laat zijn of haar eigen mening niet doorschemeren. Bij een beschouwing is het namelijk
de bedoeling dat jij als lezer je eigen mening objectief kan bepalen. De schrijver kan wel
voor- en nadelen of meningen van anderen geven. Allebei de kanten van een zaak
worden dus toegelicht en het is aan jou als lezer om te bepalen hoe jij erover denkt.
Uiteenzetting: In een uiteenzetting komt zelden het woord ‘ik’ voor. Het is het beste te
vergelijken met een handleiding. De schrijver wil de lezer immers alleen maar
informeren. Een uiteenzetting is slechts gebaseerd op feiten; meningen komen niet
voor.
- In lange examenteksten kan heel goed
een combinatie van betoog en
uiteenzetting voorkomen. De
schrijver wil eerst de feitelijke
informatie op tafel hebben waarover
geen verschil van mening bestaat.
Daarna komt hij met zijn zienswijze en
verdedigt die tot het uiterste.
2. Het doel van de tekst: Wat wil de schrijver van jou als lezer?
a) Informeren of beschouwen – je moet kennis opdoen, iets te weten komen (wat je
waarschijnlijk nog niet wist) of de schrijver bekijkt een kwestie feitelijk op diverse
manieren.
b) Overtuigen – hij schrijft om je van zijn mening te overtuigen, je moet hetzelfde
standpunt krijgen als de schrijver.
c) Activeren of adviseren – je moet (wel of geen) actie ondernemen, je moet iets (niet)
gaan doen, je moet zijn advies opvolgen en iets wel of niet gaan doen.
d) Amuseren – je moet om zijn grappen lachen en je moet vermaakt worden.