H.1 De markt
Markten:
Fysieke markt: Waar goederen fysiek worden verhandeld.
Abstracte markt: Waar diensten of immateriële zaken verhandeld
worden, zoals de aandelenmarkt.
Vraagkant van de Markt:
De vraagfunctie wordt weergegeven als:
Qv=−4P+100Q_v = -4P + 100
Betalingsbereidheid: Hoeveel een consument bereid is te betalen voor
een goed.
Negatief verband: Als de prijs stijgt, neemt de gevraagde hoeveelheid af.
Hoe teken je de vraaglijn?
Als Qv=0Q_v = 0, dan P=25P = 25.
Als P=0P = 0, dan Qv=100Q_v = 100.
De vraaglijn heeft een negatieve helling, wat het negatieve verband tussen
prijs en hoeveelheid weerspiegelt.
Aanbodkant van de Markt:
De aanbodfunctie wordt weergegeven als:
Qa=2P−20Q_a = 2P - 20
Leveringsbereidheid: Hoeveel aanbieders bereid zijn een product aan te
bieden tegen verschillende prijzen.
Positief verband: Hoe hoger de prijs, hoe groter de aangeboden
hoeveelheid.
Hoe teken je de aanbodlijn?
Als Qa=0Q_a = 0, dan P=10P = 10.
Als P=20P = 20, dan Qa=20Q_a = 20.
De aanbodlijn heeft een positieve helling, wat het positieve verband tussen
prijs en aanbod weerspiegelt.
Evenwichtsprijs en Evenwichtshoeveelheid:
Evenwichtsprijs: De prijs waarbij de vraag en het aanbod gelijk zijn.
Evenwichtshoeveelheid: De hoeveelheid waarbij de gevraagde
hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid.
Wanneer Qa=QvQ_a = Q_v, is er evenwicht op de markt.
Verschuiving langs de vraaglijn of van de vraaglijn:
, De collectieve vraag wordt bepaald door vijf factoren:
1. De prijs van het goed
2. De prijzen van andere goederen
3. Het inkomen van de vragers
4. Het aantal vragers
5. De voorkeuren van de vragers
Verschuiving langs de vraaglijn: Als alleen de prijs verandert,
verschuift de vraag langs de vraaglijn. Een lagere prijs leidt tot een hogere
vraag.
Verschuiving van de vraaglijn: Als een van de andere factoren
verandert, verschuift de vraaglijn naar links of rechts. Bijvoorbeeld:
o Als de vraag stijgt bij dezelfde prijs, verschuift de vraaglijn naar
rechts.
o Als de vraag daalt bij dezelfde prijs, verschuift de vraaglijn naar
links.
Substitutiegoederen: Goederen die elkaar kunnen vervangen.
Bijvoorbeeld, als de prijs van koffie stijgt, kan de vraag naar thee
toenemen.
Complementaire goederen: Goederen die elkaar aanvullen.
Bijvoorbeeld, als de prijs van mayonaise daalt, kan de vraag naar friet
toenemen.
Verschuiving langs of van de aanbodlijn:
Het aanbod wordt bepaald door drie factoren:
1. De prijs van het goed
2. De productiekosten per stuk
3. Het aantal aanbieders
Verschuiving langs de aanbodlijn: Als alleen de prijs verandert,
verschuift de aanbodlijn langs de lijn. Een hogere prijs leidt tot een groter
aanbod.
Verschuiving van de aanbodlijn: Als een van de andere factoren
verandert, verschuift de aanbodlijn naar links of rechts:
o Naar links: Minder aanbieders of stijging van productiekosten.
o Naar rechts: Meer aanbieders of daling van productiekosten.
H.2 Elasticiteiten
Negatief verband tussen prijs en vraag:
Hoger prijs = lager vraag.