H.1 Economische doelmatigheid
Volkomen concurrentie, ook wel volledige mededinging genoemd, is een marktvorm met de
volgende kenmerken: veel aanbieders en vragers, homogene producten, transparantie van de
markt, vrije toe- en uittreding, en lage transactiekosten. In een dergelijke markt kunnen kopers
en verkopers zonder beperkingen handelen.
Betalingsbereidheid en ruilwinst beschrijven de waarde die een consument bereid is te
betalen voor een product. In het voorbeeld met Kees, die maximaal € 850 wil betalen voor een
scooter die € 750 kost, bedraagt zijn ruilwinst € 100.
Een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) weegt kosten, zoals
opgeofferde schaarse middelen, af tegen baten, oftewel de bevrediging van
behoeften. Dit principe geldt voor beslissingen van individuen, bedrijven en
overheden.
Consumentensurplus is het verschil tussen wat een consument bereid is te
betalen en de werkelijke prijs, grafisch weergegeven door de vraaglijn.
Producentensurplus is het verschil tussen de ontvangen prijs en de
minimale prijs waarvoor een producent bereid is te leveren, weergegeven
door de aanbodlijn.
Pareto-efficiëntie betekent dat de welvaart van één persoon niet kan toenemen zonder dat die
van iemand anders afneemt.
De welvaartstheorie streeft naar doelmatigheid als maatstaf voor economische welvaart,
gebaseerd op perfecte marktwerking en volkomen concurrentie. In de moderne economie wordt
dit begrip breder gezien, met aandacht voor marktvormen zoals monopolistische concurrentie,
oligopolies, en monopolies, waar concurrentie en innovatie belangrijke factoren zijn voor groei.
H.2 De overheid grijpt in
Marktverstoringen door overheidsingrijpen kunnen ontstaan door prijsreguleringen en
belastingen. Hieronder volgen de belangrijkste effecten en mechanismen.
Prijsreguleringen
• Maximumprijs: Stelt een bovengrens aan de prijs ter bescherming van de consument,
leidt tot vraagoverschot en aanbodtekort. Het consumenten surplus stijgt, terwijl het
producenten surplus afneemt, met welvaartsverlies (Harberger-driehoek) als gevolg.
• Minimumprijs: Biedt bescherming aan producenten, veroorzaakt aanbodoverschotten
en een te hoge prijs. Het producentensurplus neemt toe, het consumentensurplus
neemt af, en er ontstaat eveneens welvaartsverlies.
Belastingen
• Indirecte belastingen zoals btw en accijnzen verhogen de kosten voor producenten, wat
leidt tot hogere prijzen en een daling van het consumentensurplus en
producentensurplus. De overheid ontvangt belastinginkomsten, maar er gaat welvaart
verloren (Harberger-driehoek).