Samenvatting:
Vrijheidsbenemende dwangmiddelen:
Onder strikte voorwaarden mogen de dwangmiddelen worden
toegepast.
1) Wie mag het dwangmiddel toepassen (bevoegde instantie)?
2) Tegen welke perso(o)n(en) richt het dwangmiddel zich (subject)?
3) In welke gevallen/onder welke omstandigheden mag het
dwangmiddel worden toegepast (gevallen)?
4) Met welk doel mag het dwangmiddel worden toegepast (gronden)?
1) (Ad) Bevoegde instantie:
Naarmate de inbreuk op de grondrechten groter wordt, stijgt de
persoon of instantie die de bevoegdheid mag toepassen in rang of
autoriteit.
Zo mogen onder sommige omstandigheden gewone burgers een
verdachte aanhouden en korte tijd vasthouden (de aanhouding op
heterdaad).
De vrijheidsberoving van enkele dagen mag alleen door de OvJ worden
bevolen, terwijl voor een nog langere vrijheidsberoving een bevel van
de rechter noodzakelijk is.
2) (Ad) Subject:
Het is van belang te weten tegen welke perso(o)n(en) het dwangmiddel
kan worden toegepast. Dit zal in de meeste gevallen de verdachte zijn.
Van groter belang is om te beseffen dat voor toepassing van zwaardere
dwangmiddelen een extra voorwaarde wordt verlangd.
Jegens de verdachte moet dan een sterker vermoeden van schuld
bestaan, dan enkel het ‘redelijke vermoeden’ uit art. 27 Sv.
3) (Ad) Gevallen:
Een dwangmiddel mag alleen in voorkomende gevallen worden
toegepast.
Zo vereist de aanhouding van een verdachte door een burger, dat
sprake moet zijn van een ‘heterdaad’situatie.
Soms geeft de wet zelf aan dat bepaalde dwangmiddelen alleen mogen
worden toegepast indien sprake is van een verdenking van specifieke
strafbare feiten.
4) (Ad) Gronden:
Elk dwangmiddel wordt toegepast met een bepaald strafvorderlijk doel.
Dat doel kan zijn ‘vaststellen van de identiteit’ of het
‘onderzoeksbelang’.
Alleen met het oog op deze doelen mogen de dwangmiddelen worden
toegepast.
, Verder:
Steundwangmiddelen:
Om bepaalde dwangmiddelen mogelijk te maken is soms een
aanvullende bevoegdheid nodig:
Voorbeeld:
De situatie waarin we een bepaald persoon willen aanhouden en
deze personen zich in een besloten plaats bevindt. Het betreden
van de besloten plaats geschiedt niet met het oog op het
betreden van die plaats, maar dient om op die plaats
handelingen te verrichten.
Vormen van vrijheidsbenemende dwangmiddelen:
Staandehouding (art. 52 Sv);
Het aanspreken, eventueel kort vasthouden, van de verdachte
om zijn identiteit vast te stellen.
Bij een staandehouding mag de identiteit worden vastgesteld op
de wijze bedoeld in art. 27a Sv. Daarin staat dat een verdachte
mag worden gevraagd naar:
De voornaam, achternaam;
Geboortedatum en geboorteplaats;
Het adres volgens de basisregistratie personen;
De woonplaats.
Bovendien omvat het vaststellen van de identiteit:
Een onderzoek naar het identiteitsbewijs;
Het nemen van foto’s en vingerafdrukken bij een persoon die
is aangehouden voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis
is toegelaten;
Het nemen van foto’s en vingerafdrukken bij een persoon die
niet is aangehouden maar wel wordt gehoord voor een feit
waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
Het nemen van foto’s en vingerafdrukken bij een persoon bij
wie twijfel bestaat over zijn identiteit.
Staandehouding kan enig tijd duren.
Als we de vier voorwaarden voor toepassing van een
dwangmiddel toetsen, levert dat het volgende resultaat op:
Bevoegde
Opsporingsambtenaren
instantie
Subject Verdachte (art. 27 Sv)
Ter zake van alle strafbare feiten (alle
Gevallen
gevallen)
Het vaststellen van de identiteit op de
Gronden
wijze bedoeld in artikel 27a Sv.
4. Gronden?
3. Gevallen?
2. Subject?
1. Bevoegde
instantie?
, Aanhouding (op heterdaad): algemeen
Het beroven van de vrijheid van de verdachte om hem naar een
plaats van verhoor te begeleiden of op te houden voor
onderzoek.
Wanneer een verdachte op heterdaad wordt betrapt, mag
iedereen, dus niet slechts opsporingsambtenaren, hem
aanhouden (art. 53 Sv).
Ook buiten heterdaad kan de verdachte van enig strafbaar feit,
waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, worden
aangehouden door een OvJ, hulpofficier van justitie of
opsporingsambtenaar (art. 54 Sv). In dat geval is het dus niet
eenieder die de bevoegdheid kan uitoefenen.
Een opsporingsambtenaar kan niet het bevel geven dat een
burger zich aan een aanhouding moet onderwerpen. Daar
bestaat geen wettelijke bepaling voor. Wie wegloopt, pleegt
daarom niet het misdrijf van art. 184 Sr (niet voldoen aan
ambtelijk bevel).
Aanhouding op heterdaad (art. 53 Sv):
Iedereen kan de verdachte op heterdaad aanhouden.
Wanneer is er sprake van heterdaad?
Wanneer het strafbare feit ontdekt wordt;
Terwijl het begaan wordt;
Of terstond nadat het begaan is;
Kort na de ontdekking van het feit (art. 128 lid 2 Sv).
Heterdaad omvat betrapping. De persoon die schiet, steekt,
steelt enz. terwijl men dat feitelijk waarneemt.
Heterdaad omvat ook betrapping van een afwezige verdachte.
De politie ontdekt bijv. een loods vol met gestolen goederen.
Maar ook het overtreden van een parkeerverbod is in feite de
betrapping van een delict op heterdaad, terwijl de feitelijke dader
afwezig is.
Heterdaad omvat ook de situatie waarin een delict ‘onlangs’
heeft plaatsgevonden.
Heterdaad omvat ook de situatie waarin een delict ‘kort’ na de
ontdekking van het feit wordt gedaan. In de rechtspraak is
aangenomen dat in een bepaalde zaak, al naar gelang er
‘onafgebroken opsporingshandelingen binnen een strafbaar feit’
worden verricht, een heterdaadsituatie zelfs na dertig uur nog
kan worden aangenomen. Het uitvoeren van ‘onafgebroken
opsporingshandelingen’ betekent in die zin constant bezig zijn
met dezelfde zaak.
Onverwijld overleveren aan een opsporingsambtenaar:
Als iemand die geen opsporingsambtenaar is, een persoon op
heterdaad aanhoudt, moet hij de verdachte onverwijld
overleveren aan de opsporingsambtenaar (art. 53 lid 3 Sv).
Het is niet de bedoeling dat een burger de verdachte eerst zelf
een paar dagen opsluit alvorens hem aan de autoriteiten uit te
leveren.