Casus 1
1.
A. Tegen welk besluit en om welke redenen zijn appellanten een juridische procedure
gestart?
Appellanten hebben tegen het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken bezwaar
ingesteld omdat ze het opmerkelijk vinden dat verweerder in het bestreden besluit de kans laat
bestaan dat appellanten wel degelijk voor een ontheffing in aanmerking komen. Dit terwijl de
aanvraag voor een ontheffing in het primaire besluit ondubbelzinnig is afgewezen. Daarnaast worden
aanvragers die slechts in het bezit zijn van een stalcertificaat ten onrechte beschouwd als bedrijven
met een integraal duurzame stal.
B. Leg uit of voor het reguleren van het aantal te houden kippen en kalkoenen een
wettelijke bevoegdheid nodig is.
Op grond van artikel 20 Meststoffenwet is het verboden op een bedrijf gemiddeld in een
kalenderjaar een groter aantal kippen en kalkoenen te houden dan het op het bedrijf rustende
pluimveerecht.
2.
A. Bestaat voor het reguleren van het aantal te houden kippen en kalkoenen een
bevoegdheid tot het stellen van algemene regels?
Ja, op grond van artikel 38 Meststoffenwet is er een mogelijkheid tot het stellen van algemene
regels.
B. Wie heeft op welke wijze de in de vraag 2a bedoelde bevoegdheid verkregen?
De minister heeft de bevoegdheid gekregen door middel van attributie. Er is een wet in formele zin
(wettelijke grondslag).
3.
A. Op welke wettelijke regeling(en) berust blijkens de uitspraak van het CBB de
bevoegdheid van de staatssecretaris van Economische Zaken om ontheffing te verlenen
van het verbod om op een bedrijf gemiddeld in een kalenderjaar een groter aantal kippen
en kalkoenen te houden dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht?
Artikel 38 lid 2 en artikel 112 meststoffenwet.
B. Op welke wijze heeft de staatssecretaris de in de vraag 3a bedoelde bevoegdheid
verkregen?
Door middel van attributie. Artikel 46 lid 2 Grondwet. Staatsecretaris wordt gelijkgesteld met de
minister.
C. Wat is, zie ook artikel 38 Meststoffenwet, het verschil tussen een vrijstelling en
ontheffing?
- Een ontheffing is een officiële toestemming van de overheid om een activiteit uit te voeren die
eigenlijk door de wet wordt verboden (persoonlijk).
,- Een vrijstelling is een ontheffing die kan gelden voor een onbepaald aantal personen of gevallen
en is een besluit van algemene strekking (algemeen).
Aanwijzing 5.17 Aanwijzing voor de regelgeving.
4. In r.o. 4.4 stelt het College vast dat de Uitvoeringsregeling voor zover het gaat om
andere bepalingen dan vormvoorschriften niet berust op een wettelijke grondslag in de
zin van een op of overgedragen regelgevende bevoegdheid. Vervolgens kwalificeert het
CBB deze andere bepalingen in lijn met eerdere uitspraken als een samenstel van
beleidsregels (conversie). Beargumenteer, mede gelet op het legaliteitsbeginsel, waarom
deze conversie is geoorloofd
De minister mag regels stellen op grond van artikel 38 lid 2 Meststoffenwet en heeft de bevoegdheid
om ontheffing te verlenen. Door de minister de bevoegdheid heeft, mag hij beleidsregels vaststellen
ex. 4:81 lid 1 Awb.
Extra vraag:
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld. De minister mag beleidsregels
stellen.
Casus 2
1.
Bespreek of burgemeester Jeroen Dijsselbloem bevoegd is om de in artikel 176a
Gemeentewet neergelegde bevoegdheid te delegeren aan Caspar Hofstra?
Nee de burgemeester is op grond van artikel 178 lid 2 Gemeentewet niet bevoegd om de
neergelegde bevoegdheid te delegeren. Je hebt wettelijke grondslag nodig om te delegeren
(10.15 Awb), maar deze is er dus niet. Je mag daarnaast niet delegeren aan een ondergeschikte
en een ambtenaar is wel ondergeschikt.
2
A. Op welke wijze heeft de Stichting de bevoegdheid tot subsidieverlening verkregen?
Op grond van artikel 10.13 Awb en artikel 4 subsidieverordening cultuur Eindhoven heeft de
Stichting via delegatie de bevoegdheid gekregen van het college van B&W.
B. Leg uit of de wijze waarop de Stichting haar bevoegdheid tot subsidieverlening heeft
verkregen al dan niet in strijd is met de Grondwet dan wel met de Gemeentewet.
Artikel 124, eerste lid, van de GW bepaalt dat voor gemeenten de bevoegdheid tot regeling en
bestuur inzake hun huishouding aan hun bestuur wordt overgelaten. Dat bestuur bestaat, zo
blijkt uit artikel 125 van de GW, uit de gemeenteraad, het college van burgemeester en
wethouders en de burgemeester. Ingevolge artikel 128 van de GW kan toekenning van autonome
bevoegdheden aan andere organen dan de organen die in artikel 125 worden genoemd, alleen
door de gemeenteraad geschieden. Nu de gemeenteraad het college in artikel 4, zesde lid, van de
Verordening uitdrukkelijk toestaat de bevoegdheid tot het verlenen van subsidie(s) op grond van
deze verordening te delegeren aan SCE, is deze bevoegdheidsoverdracht niet in strijd met artikel
128 van de GW.
De GW staat dus niet in de weg aan delegatie door het college van de bevoegdheid tot
subsidieverlening aan SCE, maar de Gemeentewet (hierna: de Gemw) doet dat wel. Zo blijkt uit
de wetsgeschiedenis (bij de herziening) van de Gemw (in 1992) dat de regering afwijzend stond
tegenover de mogelijkheid van delegatie van de aan het bestuur van de gemeente toekomende
, bevoegdheden aan ambtenaren en individuele wethouders. Volgens de regering zou dit niet
stroken met het collegiale bestuur en de politieke verantwoordelijkheid
Artikel 158 Gemeentewet. Gemeentewet is een gesloten stelsel en er kan hierdoor niet
gedelegeerd worden.
C. Welke juridische alternatieven draagt de Afdeling bestuursrechtspraak aan om het
geconstateerde bevoegdheidsgebrek op te lossen?
Zo kan de raad (of het college) aan SCE mandaat verlenen om, namens de raad (of het college),
op grond van de Verordening, besluiten te nemen. Ook kan SCE als een bestuurscommissie, als
bedoeld in artikel 83 van de Gemw, worden ingericht, waarna de raad (of het college) daaraan de
bevoegdheid om, op grond van de Verordening, besluiten te nemen, kan delegeren. Voor een
delegatiebepaling zoals opgenomen in artikel 4, zesde lid, van de Verordening is evenwel een
grondslag in een formele wet vereist en die is er niet. Indien de wetgever het wenselijk acht dat
subsidieverstrekking ook op gemeentelijk niveau op afstand kan worden geplaatst door
subsidiebevoegdheden aan privaatrechtelijke rechtspersonen te delegeren dan kan de wetgever
dat regelen, bijvoorbeeld in titel 4.2 Awb.
Mandaat is mogelijk omdat er geen wettelijke grondslag voor nodig is. art. 10.1 Awb
3.
Stelling: ‘De delegans is tot aan het moment dat delegatie heeft plaatsgevonden bevoegd
om beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de over te dragen bevoegdheid. Nadat
delegatie heeft plaatsgevonden, is slechts de delegataris bevoegd om beleidsregels vast te
stellen en mag de delegans slechts concrete of mondelinge instructies geven.’
Is deze stelling juist of onjuist? Motiveer uw antwoord
De delegans is bevoegd beleidsregels met betrekking tot de gedelegeerde bevoegdheid vast te
stellen, ook nadat delegatie heeft plaatsgevonden (art. 4:81 lid 1 Awb).
Extra casus Wmo in Venlo
1. Op welke wijze heeft het college van B&W van Venlo de neergelegde bevoegdheid
verkregen?
Er is sprake van een nieuwe bevoegdheid dus er is sprake van attributie
2. Er is sprake van mandaat ‘er staat namens’. Er is gedelegeerd aan een ondergeschikte en
dat mag niet ex art. 10:14 Awb, maar er kan wel mandaat verleend worden. De jurist mag
dus beslissen op aanvragen, verzoeken.
De jurist mag niet beslissen op bezwaarschriften. Ex. 10.3 lid 3 Awb.