Biologie NECTAR 4VWO 4e ed TF vanaf
2022-2023
Uitgewerkte leerdoelen H2 – H8
Inclusief begrippen (aan het eind)
, Biologie Leerdoelen Hoofdstuk 2 – Cel en
leven
§2.1 – Cellen leven samen
Leerdoel 1: Je herkent de biologische organisatieniveaus.
Organisatieniveaus geven een indeling van biologische structuren, waarbij elk volgend
niveau complexer is en voortbouwt op de onderdelen uit de
onderliggende niveaus.
De verschillende organisatieniveaus zijn:
1) Molecuul: 2 of meer atomen die de kleinste deeltjes
van een stof zijn met dezelfde eigenschappen ervan.
2) Organel: Onderdeel van de cel met een bepaalde
taak.
3) Cel: De functionele basiseenheid van elk organisme.
Bevat erfelijk materiaal, cytoplasma en is omringd
door een membraan.
4) Weefsel: Een groep cellen met dezelfde bouw en
functie.
5) Orgaan: Verschillende weefsels die samenwerken
aan een bepaalde taak.
6) Orgaanstelsel: Diverse organen die samen een
bepaalde taak hebben.
7) Organisme: Een levend wezen
8) Populatie: Een groep organismen van dezelfde soort
in een bepaald gebied.
9) Levensgemeenschap: Alle organismen (met
onderlinge relaties → bijvoorbeeld voedsel) in een bepaald gebied.
10) Ecosysteem: Begrensd gebied waarin organismen met elkaar en met de levenloze
natuur relaties hebben.
11) Systeem Aarde: Alle ecosystemen en hun relaties samen.
Leerdoel 2: Je herkent emergente eigenschappen.
Organisatieniveaus hebben ook verbanden met elkaar. Een mens (organisme-niveau) kan
sporten door zijn spieren, botten en zenuwstelsel (orgaanstelsel-niveau).
Dit soort eigenschappen die worden bepaald door andere organisatieniveaus en zichtbaar zijn
op een hoger/complexer organisatieniveau, noem je emergente eigenschappen.
,Leerdoel 3: Je herkent de levenskenmerken.
Organismen hebben kenmerken die typisch zijn voor het leven op aarde. Dit zijn
levenskenmerken die organismen altijd of gedurende een tijd vertonen:
1) Beweging
2) Groei en ontwikkeling
3) Voortplanting
4) Stofwisseling (opnemen, omzetten en afgeven van stoffen)
5) Waarnemen van en reageren op prikkels
Leerdoel 4: Je legt uit hoe artsen stamcelkweek gebruiken voor
medische toepassingen.
Stamcellen zijn cellen die het vermogen hebben om zich te blijven delen en kunnen
differentiëren in gespecialiseerde celtypen. Stamcellen kunnen dus nog van alles worden.
Bijvoorbeeld een bevruchte eicel is een stamcel (de allereerste).
Als iemand in zijn lichaam klachten heeft op celniveau, bijvoorbeeld dat ze niet meer werken
of verkeerde dingen doen, moeten ze vervangen worden. Artsen kunnen dan door
stamcelkweek de benodigde cellen maken uit de stamcellen en deze aan de patiënt geven.
Celdifferentiatie kun je herkennen aan de eiwitten die de cel maakt, elke cel maakt andere
eiwitten.
Leerdoel 5: Je legt het verband uit tussen de toename van het
oppervlak en het volume bij een organisme.
Kleine organismen hebben relatief gezien een groot
oppervlak en een klein volume, terwijl grote organismen
relatief gezien een klein oppervlak hebben en een groot
volume.
Een klein organisme zal dan ook eerder opwarmen/afkoelen
bij een verandering in temperatuur, omdat er meer oppervlak
is dat die warmte weg kan voeren of op kan nemen.
Dit werkt ook zo bij cellen. Kleine cellen kunnen
makkelijker glucose en zuurstof opnemen en afvalstoffen
afgeven dan grote cellen. Daarom zijn je darmen zo lang
gemaakt met veel uitstulpingen om zoveel mogelijk
, oppervlakte te hebben en zo zoveel mogelijk stoffen uit de darm op te nemen.
§2.2 – Cellen
Leerdoel 6: Je benoemt en herkent de functies van de onderdelen
van een menselijke en een dierlijke cel.
1. Celkern
→ Groot organel met een
membraan eromheen met poriën
erin.
Dit bevat DNA-moleculen met de
bouwinstructies voor eiwitten.
2. Ribosoom
→ Klein organel dat los ligt of
gebonden is aan het ER.
Koppelen aminozuren aan elkaar
waarbij eiwitten ontstaan.
3. Endoplasmatisch reticulum
→ Netwerk van twee membranen
die dicht tegen elkaar aanliggen met
(ruw) of zonder (glad) ribosomen.
Ruw: transporteert eiwitten van de
ribosomen.
Glad: maakt vetachtige stoffen en
maakt in de lever giftige stoffen
onschadelijk.
4. Transportblaasje
→ Klein blaasje met een membraan.
Vervoert eiwitten vervoert van het ene naar het andere organel of van en naar het
celmembraan.
5. Golgisysteem
→ Bestaat uit platte membraanzakken.
Bewerkt, sorteert en transporteert eiwitten en vetachtige stoffen van het ER. Dit
transporteren gaat door middel van transportblaasjes.
6. Mitochondrium
→ Heeft een glad buitenmembraan en een geplooid binnenmembraan.
Ze breken glucose af met behulp van zuurstof. Dat levert energie voor de cel.
7. Lysosoom
→ Blaasjes met verteringsenzymen.
Kunnen versleten organellen en opgenomen stoffen binnen een cel afbreken.
2022-2023
Uitgewerkte leerdoelen H2 – H8
Inclusief begrippen (aan het eind)
, Biologie Leerdoelen Hoofdstuk 2 – Cel en
leven
§2.1 – Cellen leven samen
Leerdoel 1: Je herkent de biologische organisatieniveaus.
Organisatieniveaus geven een indeling van biologische structuren, waarbij elk volgend
niveau complexer is en voortbouwt op de onderdelen uit de
onderliggende niveaus.
De verschillende organisatieniveaus zijn:
1) Molecuul: 2 of meer atomen die de kleinste deeltjes
van een stof zijn met dezelfde eigenschappen ervan.
2) Organel: Onderdeel van de cel met een bepaalde
taak.
3) Cel: De functionele basiseenheid van elk organisme.
Bevat erfelijk materiaal, cytoplasma en is omringd
door een membraan.
4) Weefsel: Een groep cellen met dezelfde bouw en
functie.
5) Orgaan: Verschillende weefsels die samenwerken
aan een bepaalde taak.
6) Orgaanstelsel: Diverse organen die samen een
bepaalde taak hebben.
7) Organisme: Een levend wezen
8) Populatie: Een groep organismen van dezelfde soort
in een bepaald gebied.
9) Levensgemeenschap: Alle organismen (met
onderlinge relaties → bijvoorbeeld voedsel) in een bepaald gebied.
10) Ecosysteem: Begrensd gebied waarin organismen met elkaar en met de levenloze
natuur relaties hebben.
11) Systeem Aarde: Alle ecosystemen en hun relaties samen.
Leerdoel 2: Je herkent emergente eigenschappen.
Organisatieniveaus hebben ook verbanden met elkaar. Een mens (organisme-niveau) kan
sporten door zijn spieren, botten en zenuwstelsel (orgaanstelsel-niveau).
Dit soort eigenschappen die worden bepaald door andere organisatieniveaus en zichtbaar zijn
op een hoger/complexer organisatieniveau, noem je emergente eigenschappen.
,Leerdoel 3: Je herkent de levenskenmerken.
Organismen hebben kenmerken die typisch zijn voor het leven op aarde. Dit zijn
levenskenmerken die organismen altijd of gedurende een tijd vertonen:
1) Beweging
2) Groei en ontwikkeling
3) Voortplanting
4) Stofwisseling (opnemen, omzetten en afgeven van stoffen)
5) Waarnemen van en reageren op prikkels
Leerdoel 4: Je legt uit hoe artsen stamcelkweek gebruiken voor
medische toepassingen.
Stamcellen zijn cellen die het vermogen hebben om zich te blijven delen en kunnen
differentiëren in gespecialiseerde celtypen. Stamcellen kunnen dus nog van alles worden.
Bijvoorbeeld een bevruchte eicel is een stamcel (de allereerste).
Als iemand in zijn lichaam klachten heeft op celniveau, bijvoorbeeld dat ze niet meer werken
of verkeerde dingen doen, moeten ze vervangen worden. Artsen kunnen dan door
stamcelkweek de benodigde cellen maken uit de stamcellen en deze aan de patiënt geven.
Celdifferentiatie kun je herkennen aan de eiwitten die de cel maakt, elke cel maakt andere
eiwitten.
Leerdoel 5: Je legt het verband uit tussen de toename van het
oppervlak en het volume bij een organisme.
Kleine organismen hebben relatief gezien een groot
oppervlak en een klein volume, terwijl grote organismen
relatief gezien een klein oppervlak hebben en een groot
volume.
Een klein organisme zal dan ook eerder opwarmen/afkoelen
bij een verandering in temperatuur, omdat er meer oppervlak
is dat die warmte weg kan voeren of op kan nemen.
Dit werkt ook zo bij cellen. Kleine cellen kunnen
makkelijker glucose en zuurstof opnemen en afvalstoffen
afgeven dan grote cellen. Daarom zijn je darmen zo lang
gemaakt met veel uitstulpingen om zoveel mogelijk
, oppervlakte te hebben en zo zoveel mogelijk stoffen uit de darm op te nemen.
§2.2 – Cellen
Leerdoel 6: Je benoemt en herkent de functies van de onderdelen
van een menselijke en een dierlijke cel.
1. Celkern
→ Groot organel met een
membraan eromheen met poriën
erin.
Dit bevat DNA-moleculen met de
bouwinstructies voor eiwitten.
2. Ribosoom
→ Klein organel dat los ligt of
gebonden is aan het ER.
Koppelen aminozuren aan elkaar
waarbij eiwitten ontstaan.
3. Endoplasmatisch reticulum
→ Netwerk van twee membranen
die dicht tegen elkaar aanliggen met
(ruw) of zonder (glad) ribosomen.
Ruw: transporteert eiwitten van de
ribosomen.
Glad: maakt vetachtige stoffen en
maakt in de lever giftige stoffen
onschadelijk.
4. Transportblaasje
→ Klein blaasje met een membraan.
Vervoert eiwitten vervoert van het ene naar het andere organel of van en naar het
celmembraan.
5. Golgisysteem
→ Bestaat uit platte membraanzakken.
Bewerkt, sorteert en transporteert eiwitten en vetachtige stoffen van het ER. Dit
transporteren gaat door middel van transportblaasjes.
6. Mitochondrium
→ Heeft een glad buitenmembraan en een geplooid binnenmembraan.
Ze breken glucose af met behulp van zuurstof. Dat levert energie voor de cel.
7. Lysosoom
→ Blaasjes met verteringsenzymen.
Kunnen versleten organellen en opgenomen stoffen binnen een cel afbreken.