H1 Staatsinrichting van Nederland 1848 – nu:
1.1: Koning en parlement.
> Ik kan twee oorzaken noemen van de Nederlandse grondwetsherziening in 1848:
- Revoluties in Europa, Koning Willem II was bang dat hij de macht zou verliezen.
- Onvrede over de macht van de koning.
> Ik kan drie veranderingen noemen door de grondwetsherziening van 1848:
- De koning wordt onschendbaar.
- Nederland kreeg een parlementair stelsel.
- De burgers kregen meer grondrechten.
> Ik kan uitleggen dat de Luxemburgse kwestie duidelijk maakte dat het parlement in
Nederland de macht had:
- De Luxemburgse kwestie was een ruzie tussen de koning en het parlement. Vanwege de
onschendbaarheid van de koning konden de Kamerleden Willem III niet de schuld van de
Luxemburgse kwestie geven, maar door de ministeriële verantwoordelijkheid kon het
parlement wel de ministers aanpakken.
1.2: Politieke stromingen.
> Ik kan uitleggen welke politieke stromingen in het parlement bestonden en dat de
liberalen de macht hadden:
- Liberalisme, zoveel mogelijk vrijheid voor burgers. (Thorbecke)
- Socialisme, eerlijker verdelen van geld en bezit, gelijkheid. (Troelstra)
- Confessionalisme, baseren hun politieke ideeën op hun geloof.
- De Liberalen, hebben de meeste macht, vanwege het censuskiesrecht kunnen alleen rijke
mannen stemmen. De Liberalen wilde dit.
, > Ik kan beschrijven dat aanhangers van de verschillende politieke stromingen niet
hetzelfde dachten over bijzonder onderwijs en de sociale kwestie:
Bijzonder onderwijs:
- De term (bijzonder onderwijs) werd in de 19e eeuw gebruikt door protestante en
katholieke scholen, waar leerlingen les kregen vanuit de eigen godsdienstige ideeën.
- Confessionelen vonden dat de overheid ook het bijzonder onderwijs moest betalen.
- Liberalen waren hierop tegen, ze vonden dat de regering niet verantwoordelijk was voor
godsdienstlessen.
Sociale kwestie:
- Het probleem van de slechte woon- en werkomstandigheden van de arbeiders als gevolg
van de industriële revolutie.
Sociale kwestie:
- Socialisten wilden dat de overheid meer sociale wetten zou maken.
- Liberalen waren tegen dit soort wetgeving.
- Confessionelen vonden de wetgeving niet nodig.
> ik kan uitleggen hoe politieke stromingen zich onderling steeds meer gingen
onderscheiden:
- alle politieke stromingen kregen dus eigen organisaties. Zo raakte de samenleving steeds
meer verdeeld in aparte groepen, die we zuilen noemen. De groepen hadden weinig
contact met elkaar.
Politieke partijen:
- De protestanten richtten de Anti - Revolutionaire Partij (ARP) op. (Kuyper)
- De katholieken richtten de Rooms – Katholieke staatspartij (RKSP) op. (Herman)
- De Liberalen richtten de Liberale Unie op. (Vooral aanhangers onder de rijkere burgers)
- De sociaaldemocratische richtten de Sociaaldemocratische Arbeidspartij (SDAP) op.
(Troelstra)