Privaatrecht hoofdstuk 5 samenvatting
5.1 Algemene bepalingen
In het Burgerlijk Wetboek boek 3,5 en 6 wordt het vermogensrecht behandeld. Denk hierbij
aan regels met betrekking tot vermogensrechten en rechten die tot het vermogen van
rechtssubjecten behoren, omdat zij een bepaalde geldwaarde vertegenwoordigen.
Vermogensrecht bestaat uit twee soorten recht, verbintenissenrecht en goederenrecht.
- Vermogensrechtelijke relaties tussen twee of meer (rechts)personen noemen we
verbintenissenrecht.
Een verbintenis heeft twee zijden: een plicht en een recht. Verbintenissen kunnen
ontstaan uit overeenkomsten, rechtmatige daad (zaakwaarneming) en
onrechtmatige daad.
Het verbintenissenrecht heeft een open systeem. Dit wil zeggen dat het aantal
soorten verbintenissen onbeperkt is en ze niet allemaal in het BW zijn
opgenomen.
Het verbintenissenrecht heeft een relatieve werking, dus werkt alleen ten
opzichte van de partij waarmee jij de verbintenis ben aangegaan.
In het Burgerlijk wetboek boek 3 en 6 staat veel aanvullend recht.
- Goederenrecht heeft betrekking op goederen en op de relatie tussen
(rechts)personen en een goed. Bij goederenrecht staat niet de prestatie centraal
maar het goed staat centraal.
Het goederenrecht regelt onder anderen wie er rechten kunnen uitoefenen met
betrekking tot ene bepaald goed, bijvoorbeeld eigendomsrechten.
Goederenrecht wordt ook wel het recht met een gesloten systeem genoemd.
Hiermee wordt bedoeld dat de rechten op goederen opgesomd in het BW de
enige rechten zijn in het goederenrecht.
Het goederenrecht heeft een absolute werking, dit wil zeggen dat het werkt ten
opzichte van iedereen.
Burgerlijk Wetboek boek 5 staat veel dwingend recht.
5.2 Rechtshandelingen
Rechtshandeling zijn menselijke handelingen met een beoogd rechtsgevolg. Bij een
overeenkomst wordt er gesproken van een meerzijdige rechtshandeling. Er zijn namelijk
meerdere partijen nodig om de juridische gevolgen tot stand te laten komen. Van een
eenzijdige overeenkomst wordt er gesproken wanneer er maar een handelend persoon
nodig is voor de totstandkoming van de juridische gevolgen.
Om rechtshandelingen te kunnen verrichten moet je handelingsbekwaam zijn. Art. 3:32 lid 1
Bw is vermeld dat ieder natuurlijke persoon bekwaam is tot het verrichten van
rechtshandelingen tenzij de wet anders bepaald.
De wet heeft bepaald dat twee groepen mensen geen rechtshandelingen mogen verrichten:
1. Minderjarigen (art. 1:234 Bw)
5.1 Algemene bepalingen
In het Burgerlijk Wetboek boek 3,5 en 6 wordt het vermogensrecht behandeld. Denk hierbij
aan regels met betrekking tot vermogensrechten en rechten die tot het vermogen van
rechtssubjecten behoren, omdat zij een bepaalde geldwaarde vertegenwoordigen.
Vermogensrecht bestaat uit twee soorten recht, verbintenissenrecht en goederenrecht.
- Vermogensrechtelijke relaties tussen twee of meer (rechts)personen noemen we
verbintenissenrecht.
Een verbintenis heeft twee zijden: een plicht en een recht. Verbintenissen kunnen
ontstaan uit overeenkomsten, rechtmatige daad (zaakwaarneming) en
onrechtmatige daad.
Het verbintenissenrecht heeft een open systeem. Dit wil zeggen dat het aantal
soorten verbintenissen onbeperkt is en ze niet allemaal in het BW zijn
opgenomen.
Het verbintenissenrecht heeft een relatieve werking, dus werkt alleen ten
opzichte van de partij waarmee jij de verbintenis ben aangegaan.
In het Burgerlijk wetboek boek 3 en 6 staat veel aanvullend recht.
- Goederenrecht heeft betrekking op goederen en op de relatie tussen
(rechts)personen en een goed. Bij goederenrecht staat niet de prestatie centraal
maar het goed staat centraal.
Het goederenrecht regelt onder anderen wie er rechten kunnen uitoefenen met
betrekking tot ene bepaald goed, bijvoorbeeld eigendomsrechten.
Goederenrecht wordt ook wel het recht met een gesloten systeem genoemd.
Hiermee wordt bedoeld dat de rechten op goederen opgesomd in het BW de
enige rechten zijn in het goederenrecht.
Het goederenrecht heeft een absolute werking, dit wil zeggen dat het werkt ten
opzichte van iedereen.
Burgerlijk Wetboek boek 5 staat veel dwingend recht.
5.2 Rechtshandelingen
Rechtshandeling zijn menselijke handelingen met een beoogd rechtsgevolg. Bij een
overeenkomst wordt er gesproken van een meerzijdige rechtshandeling. Er zijn namelijk
meerdere partijen nodig om de juridische gevolgen tot stand te laten komen. Van een
eenzijdige overeenkomst wordt er gesproken wanneer er maar een handelend persoon
nodig is voor de totstandkoming van de juridische gevolgen.
Om rechtshandelingen te kunnen verrichten moet je handelingsbekwaam zijn. Art. 3:32 lid 1
Bw is vermeld dat ieder natuurlijke persoon bekwaam is tot het verrichten van
rechtshandelingen tenzij de wet anders bepaald.
De wet heeft bepaald dat twee groepen mensen geen rechtshandelingen mogen verrichten:
1. Minderjarigen (art. 1:234 Bw)