HOOFDSTUK 1 T/M 4 NECTAR
HAVO 4
HOOFDSTUK 1 GEDRAG
1.1
- Alles wat een mens of dier doet of nalaat, is gedrag. Vaak helpt dat gedrag dieren om in
leven te blijven.
Menselijk gedrag kan ook andere functies hebben zoals sociale functies
- Rituelen zijn een voorbereiding op het eigenlijke gedrag. ze verlagen de kans op agressie en
de spanning. Als je bijvoorbeeld op een nieuwe school komt dan praten sommige leerlingen
luid en zwaaien druk met hun armen. Anderen giechelen. Het heeft te maken met de nieuwe
situatie. Om de spanning te verminderen gebruik je een ritueel gedrag. Het is normaal als er
een docent om de aandacht vraagt. Maar als je iemand bijvoorbeeld voor het eerst
tegenkomt dan is dit ritueel raar.
- Signalen zijn bedoeld om het gedrag van soortgenoten te beïnvloeden
Signalen bevatten voor soortgenoten informatie.
- Een rangorde in een groep voorkomt gevechten en maakt een taakverdeling mogelijk. De
meest dominante staan bovenaan, de meest ondergeschikte helemaal onderaan
- Veel dieren hebben een territorium. Daarin zoeken zij hun voedsel of brengen er hun jongen
groot. Door dreiggedrag stellen dieren de territoriumgrenzen vast. Je gebruikt signalen om te
laten zien dat dit jouw plek is.
1.2
- Gedrag ontstaat door prikkels.
Deze prikkels kunnen uit de
omgeving komen of uit het dier
zelf: uitwendige en inwendige
prikkels
- Een prikkel die altijd een gelijke
reactie oproept, is een
sleutelprikkel. Een versterkte
sleutelprikkel is een supernormale
prikkel
- Mensen en dieren vertonen pas
gedrag, nadat de motivatie boven
de drempelwaarde uitkomt
- Gedrag kan aangeleerd of aangeboren zijn
1.3