Planmatig werken: Je werkt volgens een bepaalde aanpak toe naar het bereiken van een doel.
Methodisch handelen: Je werkt volgens de methodische cyclus.
Systematisch handelen: Het draait om ordelijk werken, volgens een bepaalde systematiek. Alle
stappen en handelingen komen in een logische volgorde.
Doelgericht: Je richt je op het bereiken van een doel.
Cyclisch proces : Als je een doel hebt bereikt, volgt er vanzelf een nieuw doel. Het procesbegeleiding
start dan van voor af aan.
Methodische cyclus bestaat uit 5 fasen:
- beginsituatie vaststellen
- Ondersteuningvraag vaststellen
- doel formuleren
- Plannen maken en uitvoeren
- evalueren en doelen bijstellen
Om doelen te formuleren die passen bij de hulpvraag van een persoon en aansluiten bij de
mogelijkheden van de instelling, gebruik je SMART.
S- Specifiek ; zo concreet mogelijk.
M- Meetbaar; je kunt meten of het bereikt is.
A – Acceptabel ; cliënt moet zelf probleem accepteren
R- Realistisch; doelen moeten haalbaar zijn.
T- Tijdsgebonden ; hoe lang het duurt.
Algemene doel: is een breed doel en vaak na lange tijd haalbaar.
Subdoelen: Algemene doel verdeeld in kleinere doelen.
Kortetermijndoel : doelen die je binnen 4 weken kan behalen.
Langetermijndoel: doelen die na 3 maanden of langer bereikt worden.
Plan van aanpak: is een voorbereiding, waarbij je beschrijft wat je gaat doen om je doel te bereiken.
Je gebruikt de 5 w-vragen:
- wie? -> Wie is je doelgroep?
- wat? -> wat ga je doen?
- waar? -> waar vindt de activiteit plaats?
- wanneer? -> op welke momenten?
- waarmee? -> Welke materialen gebruik je?
Werkplan : is een lijst van punten die bij een bepaalde activiteit of taak elke keer terugkomen.
Werkplan is een geheugensteun voor de persoon die de activiteit uitvoert.
Draaiboek: je legt tot in details de organisatie vast van een evenement. Bij een grote evenement is
een coördinator belast met de leiding. Ingrediënten van een draaiboek zijn: tijdstip, activiteit, locatie,
benodigdheden en wie is er verantwoordelijk voor het organiseren en uitvoeren.
Overzicht van benamingen van plannen in de welzijnssector:
, - Begeleidingsplan of behandelplan - binnen psychiatrie, zorginstellingen en jeugdzorg
- Activiteitenplan – in onderwijs, kinderopvang, buurtwerk, ouderenzorg en maatschappelijke
zorg
- - ondersteuningsplan – bij maatschappelijke dienstverlening en zorgingstellingen
Onverwachte situatie: dit is een situatie waarin het anders gaat dan je van te voren gepland
hebt. Plan zal gewijzigd of bijgesteld moeten worden.
Evalueren : is het verzamelen van informatie over een resultaat of proces, met als doel het te
waarderen en er conclusie uit te trekken voor een volgende keer.
Er zijn twee momenten waarop je kunt evalueren: aan het eind van een proces of tussentijds.
Evalueren heeft alleen zin als je iets doet met de uitkomsten van je evaluatie. Je kunt de uitkomsten
van je evaluatie gebruiken om:
- Een handeling of activiteit de volgende keet beter te laten verlopen
- Een doelstelling bij te stellen
- Efficienter te werken
- Vast te stellen of je de doelen die je wilde bereiken, ook echt bereikt hebt
Er zijn twee niveaus van evalueren: de productevaluatie en procesevaluatie.
Productevaluatie: is het evalueren van het product, het eindresultaat. Je hebt een onderzoek
uitgevoerd en je evalueert of het onderzoekt heeft opgeleverd wat je wilde onderzoeken.
Procesevaluatie: is het evalueren van het proces, de manier waarop je tot het eindresultaat bent
gekomen.
Evalueren kan je doen aan de hand van een vooraf opgesteld punt, het evaluatiecriterium. Een
criterium is datgene waarop je je beoordeling baseert. De evaluatiecriteria stel je op voor de start
van je project, handeling of het maken van een product.
Evalueren kan mondeling, maar ook schriftelijk.
Mondeling = evaluatiegesprek.
Schriftelijk = evaluatieformulier, vragenlijst, theorietoets of vaardigheidstoets.
Er zijn verschillende creatieve werkvormen om te evalueren:
- Lijnevaluatie
een lijn met een 0 en een 10. Anderen kunnen cijfer geven voor proces.
- Smileys plakken
een flap met punten die je wilt evalueren. Tevreden = smiley plakken
- Goed/fout methode
op één vel zetten deelnemers positieve punten van een activiteit en op andere vel
verbeterpunten.
- Dobbelsteenevaluatie
op het bord staan 6 evaluatiepunten. Dobbelsteen gooien= iets zeggen over het punt dat je
hebt gegooid.
, Evaluatie kan leiden tot 3 conclusies:
- doelen zijn behaald
- doelen zijn gedeeltelijk behaald
- doelen zijn niet behaald.
Evaluatieplan:
- bedenk wanneer je wilt evalueren
- bedenk wat je wilt evalueren
- bedenk hoe je wilt evalueren
- voer evaluatie uit
- werk resultaten uit
- geef gevolg aan resultaten
Evaluatiemodel van Kirkpatrick
Dit model bestaat uit 4 niveaus die op elkaar steunen.
Niveau 1: reactieniveau (tevredenheid) hoe tevreden zijn deelnemers?
Niveau 2: leerniveau (verworven kennis) Wat hebben deelnemers geleerd?
Niveau 3: gedragsniveau (overdracht) In hoeverre kunnen deelnemers geleerde kennis toepassen?
Niveau 4: resultaat (impact) wat voor effect heeft de training aan de organisatie?
Doel van gesprek voeren :
- informeren
- bemiddelen
- motiveren
- ondersteunen
Ontwikkelingsgerichte activiteiten geven mensen gelegenheid hun cognitieve, motorische en
sociaal emotionele vaardigheden te oefenen en te ontwikkelen.
Voorbeelden van cognitieve activiteiten zijn:
- maken van een puzzel
- geheugenstraining
- taalspelletjes
Voorbeelden van motorische activiteiten zijn:
- jas dichtritsen
- kleien
- tekenen
- wandelen
Voorbeelden van sociaal emotionele activiteiten zijn:
- samenwerken aan een project
- conflicten oplossen
- drama activiteiten
- spelen in een poppenhoek
Tijdens het werken met mensen zijn er drie niveaus waarop je de begeleiding kunt afstemmen.
- De persoon ; wat zijn de mogelijkheden en beperkingen van de persoon?
Methodisch handelen: Je werkt volgens de methodische cyclus.
Systematisch handelen: Het draait om ordelijk werken, volgens een bepaalde systematiek. Alle
stappen en handelingen komen in een logische volgorde.
Doelgericht: Je richt je op het bereiken van een doel.
Cyclisch proces : Als je een doel hebt bereikt, volgt er vanzelf een nieuw doel. Het procesbegeleiding
start dan van voor af aan.
Methodische cyclus bestaat uit 5 fasen:
- beginsituatie vaststellen
- Ondersteuningvraag vaststellen
- doel formuleren
- Plannen maken en uitvoeren
- evalueren en doelen bijstellen
Om doelen te formuleren die passen bij de hulpvraag van een persoon en aansluiten bij de
mogelijkheden van de instelling, gebruik je SMART.
S- Specifiek ; zo concreet mogelijk.
M- Meetbaar; je kunt meten of het bereikt is.
A – Acceptabel ; cliënt moet zelf probleem accepteren
R- Realistisch; doelen moeten haalbaar zijn.
T- Tijdsgebonden ; hoe lang het duurt.
Algemene doel: is een breed doel en vaak na lange tijd haalbaar.
Subdoelen: Algemene doel verdeeld in kleinere doelen.
Kortetermijndoel : doelen die je binnen 4 weken kan behalen.
Langetermijndoel: doelen die na 3 maanden of langer bereikt worden.
Plan van aanpak: is een voorbereiding, waarbij je beschrijft wat je gaat doen om je doel te bereiken.
Je gebruikt de 5 w-vragen:
- wie? -> Wie is je doelgroep?
- wat? -> wat ga je doen?
- waar? -> waar vindt de activiteit plaats?
- wanneer? -> op welke momenten?
- waarmee? -> Welke materialen gebruik je?
Werkplan : is een lijst van punten die bij een bepaalde activiteit of taak elke keer terugkomen.
Werkplan is een geheugensteun voor de persoon die de activiteit uitvoert.
Draaiboek: je legt tot in details de organisatie vast van een evenement. Bij een grote evenement is
een coördinator belast met de leiding. Ingrediënten van een draaiboek zijn: tijdstip, activiteit, locatie,
benodigdheden en wie is er verantwoordelijk voor het organiseren en uitvoeren.
Overzicht van benamingen van plannen in de welzijnssector:
, - Begeleidingsplan of behandelplan - binnen psychiatrie, zorginstellingen en jeugdzorg
- Activiteitenplan – in onderwijs, kinderopvang, buurtwerk, ouderenzorg en maatschappelijke
zorg
- - ondersteuningsplan – bij maatschappelijke dienstverlening en zorgingstellingen
Onverwachte situatie: dit is een situatie waarin het anders gaat dan je van te voren gepland
hebt. Plan zal gewijzigd of bijgesteld moeten worden.
Evalueren : is het verzamelen van informatie over een resultaat of proces, met als doel het te
waarderen en er conclusie uit te trekken voor een volgende keer.
Er zijn twee momenten waarop je kunt evalueren: aan het eind van een proces of tussentijds.
Evalueren heeft alleen zin als je iets doet met de uitkomsten van je evaluatie. Je kunt de uitkomsten
van je evaluatie gebruiken om:
- Een handeling of activiteit de volgende keet beter te laten verlopen
- Een doelstelling bij te stellen
- Efficienter te werken
- Vast te stellen of je de doelen die je wilde bereiken, ook echt bereikt hebt
Er zijn twee niveaus van evalueren: de productevaluatie en procesevaluatie.
Productevaluatie: is het evalueren van het product, het eindresultaat. Je hebt een onderzoek
uitgevoerd en je evalueert of het onderzoekt heeft opgeleverd wat je wilde onderzoeken.
Procesevaluatie: is het evalueren van het proces, de manier waarop je tot het eindresultaat bent
gekomen.
Evalueren kan je doen aan de hand van een vooraf opgesteld punt, het evaluatiecriterium. Een
criterium is datgene waarop je je beoordeling baseert. De evaluatiecriteria stel je op voor de start
van je project, handeling of het maken van een product.
Evalueren kan mondeling, maar ook schriftelijk.
Mondeling = evaluatiegesprek.
Schriftelijk = evaluatieformulier, vragenlijst, theorietoets of vaardigheidstoets.
Er zijn verschillende creatieve werkvormen om te evalueren:
- Lijnevaluatie
een lijn met een 0 en een 10. Anderen kunnen cijfer geven voor proces.
- Smileys plakken
een flap met punten die je wilt evalueren. Tevreden = smiley plakken
- Goed/fout methode
op één vel zetten deelnemers positieve punten van een activiteit en op andere vel
verbeterpunten.
- Dobbelsteenevaluatie
op het bord staan 6 evaluatiepunten. Dobbelsteen gooien= iets zeggen over het punt dat je
hebt gegooid.
, Evaluatie kan leiden tot 3 conclusies:
- doelen zijn behaald
- doelen zijn gedeeltelijk behaald
- doelen zijn niet behaald.
Evaluatieplan:
- bedenk wanneer je wilt evalueren
- bedenk wat je wilt evalueren
- bedenk hoe je wilt evalueren
- voer evaluatie uit
- werk resultaten uit
- geef gevolg aan resultaten
Evaluatiemodel van Kirkpatrick
Dit model bestaat uit 4 niveaus die op elkaar steunen.
Niveau 1: reactieniveau (tevredenheid) hoe tevreden zijn deelnemers?
Niveau 2: leerniveau (verworven kennis) Wat hebben deelnemers geleerd?
Niveau 3: gedragsniveau (overdracht) In hoeverre kunnen deelnemers geleerde kennis toepassen?
Niveau 4: resultaat (impact) wat voor effect heeft de training aan de organisatie?
Doel van gesprek voeren :
- informeren
- bemiddelen
- motiveren
- ondersteunen
Ontwikkelingsgerichte activiteiten geven mensen gelegenheid hun cognitieve, motorische en
sociaal emotionele vaardigheden te oefenen en te ontwikkelen.
Voorbeelden van cognitieve activiteiten zijn:
- maken van een puzzel
- geheugenstraining
- taalspelletjes
Voorbeelden van motorische activiteiten zijn:
- jas dichtritsen
- kleien
- tekenen
- wandelen
Voorbeelden van sociaal emotionele activiteiten zijn:
- samenwerken aan een project
- conflicten oplossen
- drama activiteiten
- spelen in een poppenhoek
Tijdens het werken met mensen zijn er drie niveaus waarop je de begeleiding kunt afstemmen.
- De persoon ; wat zijn de mogelijkheden en beperkingen van de persoon?