Gelijkenis van de grot – boek 7 Politeia
Om verstandig te worden moet je realiteitszin ontwikkelen. Je moet ontdekken wat de
werkelijkheid betekent.
Er worden twee dingen gezegd:
- Wat is de werkelijkheid? – ontologie;
- Wat weten wij over de werkelijkheid?
Grottheorie: iemand is vastgeketend in het onderste van de grot.
Er is sprake van vier niveaus (gelaagdheid in de werkelijkheid):
1. Uitgangspunt van de mens: wij zitten in de grot. Je zit daar vanaf je geboorte, dus je
hebt nooit iets anders gezien. Je weet dan dus niet beter.
Jouw visie op de werkelijkheid is dan: de schaduwen op de wand van de grot. Dat is
volgens jou de werkelijkheid. Wij hebben dus een partiële/gebrekkige visie op de
werkelijkheid, want de werkelijkheid is veel groter.
We weten bijv. veel minder over andere mensen dan we denken te weten, omdat
onze informatiebron niet klopt.
Er zit een spanning tussen onze visie op de werkelijkheid en de echte werkelijkheid.
We kennen de werkelijkheid dus niet. We leven grotendeels in een schaduwwereld –
voortdurende strijd om de werkelijkheid te achterhalen.
2. Empirische (/stoffelijke) werkelijkheid of de werkelijkheid die in tijd en ruimte is
(spatio temporele werkelijkheid). Je moet het echt onderzoeken. Dit is ‘het zijnde’.
De mens bestaat in de tijd – het bestaan is tijdelijk. Ook de zon is bijvoorbeeld een
tijd-ruimtelijke entiteit.
Al deze tijd-ruimtelijke entiteiten bestaan en vergaan.
In die werkelijkheid is alles in beweging – er is geen rust/constantheid. Er is
permanent beweging in alle stoffelijke dingen. Ook de mens is in voortdurende
ontwikkeling.
De wetenschap doet onderzoek naar de empirische/stoffelijke werkelijkheid. Plato is
van mening dat dit niet de hele werkelijkheid is. Er zijn meer niveaus die deel
uitmaken van de werkelijkheid.
3. Onzichtbaar, niet-tijdelijk en niet-ruimtelijk dit is het platoonse idee.
De werkelijkheid is groter dan enkel het ‘zijnde’. Er zijn namelijk entiteiten die niet
stoffelijk zijn – die je niet met zintuigen kunt waarnemen – en die ook niet spatio en
temporeel zijn. Ze zijn eeuwig en alom aanwezig. De wiskunde is een voorbeeld van
dat soort entiteiten. Wiskunde is een analyse van de structuur van de werkelijkheid.
Je gebruikt hiervoor niet je zintuigen, maar je ratio.
Pi heeft iets van de werkelijkheid in zich. Pi heeft twee kanten: maakt deel uit van de
werkelijkheid en je kunt er kennis van hebben of niet – je hebt dan kennis van iets
wat bestaat. Dus pi bestaat.
De werkelijkheid is dus groter dan alleen stoffelijke dingen.
Het gaat hier om de essentie van een ding – ook wel ‘de natuur’ van het ding.
Plato zegt dat er een natuur bestaat van de dingen en dus ook van de moraal (goed
en kwaad) en ook van rechtvaardigheid.
In voldoende mate participeren in de natuur van het ding – alle samenlevingen zijn
anders, maar we noemen ze zo als ze in voldoende mate participeren in het idee
ervan.
Om verstandig te worden moet je realiteitszin ontwikkelen. Je moet ontdekken wat de
werkelijkheid betekent.
Er worden twee dingen gezegd:
- Wat is de werkelijkheid? – ontologie;
- Wat weten wij over de werkelijkheid?
Grottheorie: iemand is vastgeketend in het onderste van de grot.
Er is sprake van vier niveaus (gelaagdheid in de werkelijkheid):
1. Uitgangspunt van de mens: wij zitten in de grot. Je zit daar vanaf je geboorte, dus je
hebt nooit iets anders gezien. Je weet dan dus niet beter.
Jouw visie op de werkelijkheid is dan: de schaduwen op de wand van de grot. Dat is
volgens jou de werkelijkheid. Wij hebben dus een partiële/gebrekkige visie op de
werkelijkheid, want de werkelijkheid is veel groter.
We weten bijv. veel minder over andere mensen dan we denken te weten, omdat
onze informatiebron niet klopt.
Er zit een spanning tussen onze visie op de werkelijkheid en de echte werkelijkheid.
We kennen de werkelijkheid dus niet. We leven grotendeels in een schaduwwereld –
voortdurende strijd om de werkelijkheid te achterhalen.
2. Empirische (/stoffelijke) werkelijkheid of de werkelijkheid die in tijd en ruimte is
(spatio temporele werkelijkheid). Je moet het echt onderzoeken. Dit is ‘het zijnde’.
De mens bestaat in de tijd – het bestaan is tijdelijk. Ook de zon is bijvoorbeeld een
tijd-ruimtelijke entiteit.
Al deze tijd-ruimtelijke entiteiten bestaan en vergaan.
In die werkelijkheid is alles in beweging – er is geen rust/constantheid. Er is
permanent beweging in alle stoffelijke dingen. Ook de mens is in voortdurende
ontwikkeling.
De wetenschap doet onderzoek naar de empirische/stoffelijke werkelijkheid. Plato is
van mening dat dit niet de hele werkelijkheid is. Er zijn meer niveaus die deel
uitmaken van de werkelijkheid.
3. Onzichtbaar, niet-tijdelijk en niet-ruimtelijk dit is het platoonse idee.
De werkelijkheid is groter dan enkel het ‘zijnde’. Er zijn namelijk entiteiten die niet
stoffelijk zijn – die je niet met zintuigen kunt waarnemen – en die ook niet spatio en
temporeel zijn. Ze zijn eeuwig en alom aanwezig. De wiskunde is een voorbeeld van
dat soort entiteiten. Wiskunde is een analyse van de structuur van de werkelijkheid.
Je gebruikt hiervoor niet je zintuigen, maar je ratio.
Pi heeft iets van de werkelijkheid in zich. Pi heeft twee kanten: maakt deel uit van de
werkelijkheid en je kunt er kennis van hebben of niet – je hebt dan kennis van iets
wat bestaat. Dus pi bestaat.
De werkelijkheid is dus groter dan alleen stoffelijke dingen.
Het gaat hier om de essentie van een ding – ook wel ‘de natuur’ van het ding.
Plato zegt dat er een natuur bestaat van de dingen en dus ook van de moraal (goed
en kwaad) en ook van rechtvaardigheid.
In voldoende mate participeren in de natuur van het ding – alle samenlevingen zijn
anders, maar we noemen ze zo als ze in voldoende mate participeren in het idee
ervan.