Hoofdstuk 5 – social cognitive theory
Mensen leren veel door het observeren van
andere mensen. Leren door observatie en
modeling is de focus van de social cognitive
theory.
Generale principes van sociaal cognitieve
theorie
Er zijn een paar generale principes die horen bij de
sociaal cognitieve theorie:
Mensen kunnen leren door gedragingen van
anderen te observeren en de consequenties
daarvan te zien.
Leren kan gebeuren zonder een verandering in
gedrag. Dit wordt wel gedacht door vele
behavioristen.
Cognitie speelt een belangrijke rol in het leren.
Mensen kunnen een grote invloed hebben op hun acties en de omgeving. Dit wordt ook wel
personal agency genoemd.
Miller en Dollard gaven aan dat de imitatoren op een bepaalde manier een reinforcer krijgen als ze het
gedrag na deden. Daarnaast kreeg het gedrag soms wel en soms niet een reinforcer, hierdoor was het
volgens hen ook aantrekkelijk om het gedrag na te doen. Uiteindelijk wordt het imiteren zelf een
gewoonte, dit noemden zij generalized imitation. Er zijn verschillende situaties waarbij de omgeving
een reinforcer kan geven of juist een straf kan geven bij het imiteren:
De observeerder krijgt een reinforcer van het model; een groep meiden kan een nieuw meisje
accepteren als ze zich op dezelfde manier kleed.
De observeerder krijgt ene reinforcer van een derde persoon; een jongen gaat zijn haar
hetzelfde doen als een beroemde zanger en meisjes vinden hem dan leuker, dan zijn de meisjes
de derde persoon.
Het geïmiteerde gedraag leidt tot reinforcement; door het nadoen van je trainer bij tennis, krijg
je de bal wel over het net.
Consequenties van het gedrag van het model hebben invloed op het gedrag van de
observeerder;
o Als het model een reinforcer krijgt voor gedrag, dan gaat de observeerder dit sneller
en vaker nadoen vicarious reinforcement
o Als het model een straf krijgt voor gedrag, dan gaat de observeerder dit gedrag minder
snel nadoen vicarious punishment
Veel theorieën probeerden het imitatieve gedrag te verklaren door middel van het behaviorisme, maar
daar waren enkele problemen mee:
Nieuwe gedragingen kunnen komen door alleen het kijken naar anderen; in het behaviorisme
wordt gedrag gevormd (shaping)
Delayed imitation (gedragingen komen pas een week of zelfs langer na het zien ervan), bij
het behaviorisme moet er direct een repsons zijn.
vicarious reinforcement is erg sterk, de personen zelf hoeven geen reinforcer te krijgen om het
gedrag te vertonen.
De cognitieve kant van deze theorie bevat de volgende hoofdideeën:
, Leren houdt een mentale verandering in (in plaats van gedragsverandering). In het sociaal
cognitivisme wordt er een verschil gemaakt tussen leren door observatie (vicarious
acquisition) en de daadwerkelijke handeling van wat er geleerd is. Mensen kunnen vaak
gedrag omschrijven, zonder dat ze het hebben uitgevoerd.
Bepaalde cognitieve processen zijn essentieel voor het leren. Een voorbeeld is aandacht of
herhaling.
Lerende moeten op de hoogte zijn van onvoorziende respons-consequentie. Lerende moeten
precies weten welk gedrag heeft geleid tot een reinforcement of straf.
Lerende vormen verwachtingen voor toekomstige respons-consequenties. Outcome
expectations zijn hypotheses over resultaten van toekomstige acties.
Lerenden vormen geloven over hun vaardigheid om verschillende gedragingen te kunnen
uitvoeren. Efficacy expectations zijn geloven of je zelf een bepaalde gedraging uit kan
voeren.
Uitkomsten en efficacy expectations hebben invloed op cognitieve processen die onderliggend
zijn aan het leren. Of mensen actief deelnemen in het leren van iets is afhankelijk van hun
eigen geloven of het leren leidt tot ene bepaalde reinforcement.
verwachte consequenties die niet gebeuren zijn invloedrijke consequenties op zichzelf.
Wanneer een reinforcer niet komt, kan dit worden ervaren als een straf en andersom.
Het gedrag van iemand heeft invloed op de omgeving en
cognitieve processen. Het leren en langer termijn ontwikkeling
bevat drie verschillende variabelen:
Environment
Person; karakteristieken, processen, reputaties etc.
Behavior; acties en reacties
Deze variabelen hebben allemaal invloed op elkaar. Een
voorbeeld van interactie tussen deze drie variabelen is modeling.
Modeling
Modeling heeft verschillende mogelijke effecten op gedrag:
Het leert nieuwe gedragingen aan
Heeft invloed op de frequentie van eerder geleerde gedragingen
o Facilitation vaker het gedrag uitvoeren
o Inhibition minder of niet het gedrag uitvoeren
Kan eerder verboden gedragingen aanmoedigen
o Disinhibition eerder geïnhibiteerde gedragingen wordt opnieuw vaker uitgevoerd.
Verhoogt de frequentie van gelijke gedragingen.
Bandura beschrijft drie generale typen van modellen:
Live model; een persoon
Symbolic model; karakter in een boek of film etc.
Verbal instructions; beschrijvingen hoe te gedragen zonder dat er een ander persoon of
symbolisch persoon aanwezig is.
Er zijn een aantal karakteristieken die bijna elk model heeft:
Het model is competent
Het model heeft prestige en power (hoge status, respect, power enz.)
Het model gedraagt zich stereotyperend in gender-appropriate manieren.
Het gedrag van het model is relevant voor de situatie van de observeerder (zelfde leeftijd,
gender, status).
Door modeling kan er veel geleerd worden. Er is onderzoek gedaan naar de impact van modeling op
academische vaardigheden, agressie en interpersonale gedragingen.