Hoofdstuk 6 – cognitivisme
Cognitieve processen zijn van belang in het leren
van mensen. Dit vond psycholoog Edward
Tolman ook.
Er zijn een aantal onderliggende assumpties van
cognitieve theorieën, deze verschillen sterk met
het behaviorisme:
Sommige leerprocessen zijn uniek voor alleen mensen; zoals complexe taal
Leren houdt het vromen van mentale representaties of associaties in die niet per se
gereflecteerd worden in het gedrag.
Mensen zijn actief betrokken bij hun eigen leren.
Kennis is georganiseerd en met elkaar verbonden.
De focus van wetenschappelijk onderzoek moet objectief en systematisch zijn, gedrag kan een
representatie zijn van niet observeerbare mentale processen.
Edward Tolman was een onderzoeker naar het leren die het belang van objectiviteit in onderzoek
belangrijk vond. Hij had verschillende ideeën over leren:
Leren is een interne verandering. Latent learning is leren dat je niet kan observeren, dus
intern je ziet het pas als het gedrag nut heeft.
Gedrag is doelgericht. Omdat Tolman veel keek naar doelgericht gedrag, wordt zijn theorie
ook wel purposive behaviorism genoemd.
Verwachtingen hebben invloed op gedrag. Mensen leren dat bepaald gedrag leidt tot bepaalde
uitkomsten.
Resultaten van het leren zijn georganiseerd in een netwerk van informatie. Tolman bedacht dat
dieren en mensen een cognitieve map maken van hun eigen omgeving.
Gestalt psychology
Duitse psychologen hadden een kijk op leren en cognitie die verschilde van het behaviorisme. Hun
perspectief stond bekend als gestalt psychology, waarin het belang van georganiseerde processen en
waarneming, leren en probleem oplossing naar voren kwam. Er zijn een aantal onderliggende ideeën:
Waarneming is vaak verschillend van de realiteit. Een phiphenomenon is een optische
illusie.
Het geheel is meer dan een opsomming van zijn delen. Menselijke ervaringen kunnen niet
volledig begrepen worden als verschillende aspecten als afzonderlijk bekeken werden. Het
belang van relaties tussen verschillende stimuli wordt gezien in de transpositions
experimenten van Wolfgang Kohler. Kippen werden gevoerd op een donkerder papiertje, als
ze twee verschillende papieren kregen kozen ze altijd voor de donkere, omdat ze geleerd
hadden dat donker beter is.
Mensen zijn voorbestemd om ervaringen te
organiseren in voorspelbare manieren. Een
dominant principe hierbij is de law of proximity
waarbij mensen geneigd zijn dingen die dicht bij
elkaar staan te koppelen aan elkaar. Een ander
principe is law of similarity waarbij mensen
geneigd zijn om dingen die op elkaar lijken te
groeperen. De law of closure is de neiging van
mensen om missende dingen in te vullen. Law of
prägnanz is een gestaltische kijk die stelt dat
mensen altijd hun ervaringen simpel, beknopt,
symmetrisch en zo compleet mogelijk organiseren.
, Leren volgt de law of Prägnanz. Leren omvat het vormen van memory traces Deze worden
over tijd makkelijker, beknopter en meer compleet dan de daadwerkelijke input.
Probleem oplossing omvat herstructurering en inzicht. Hierbij worden mentaal dingen
gecombineerd en opnieuw gecombineerd om zo tot een structuur te komen die het probleem
oplost.
Verbal learning research
In 1920 gingen onderzoekers behavioristische principes toepassen op taal verbal learning.
Centraal in dit onderzoek waren twee taken:
1. Serial learning; het leren van een aantal items in een bepaalde volgorde zoals het alfabet,
dagen van de week of planeten in het zonnestelsel. De eerste item op de lijst geeft de stimulus
voor het volgende item enz.
2. Paires-associate learning; het leren van paren items zoals een woord in een andere taal papier
= paper, of het leren van hoofdsteden bij landen enz. Het eerste item is een stimulus voor het
tweede item (de respons).
Er zijn een aantal principes over het leren die tot stand zijn gekomen door verbal learning research:
Serial learning heeft een bepaald patroon; serial learning curve is dat mensen de eerste en
de laatste items makkelijker leren dan de middelste items. Dat de eerste items sneller geleerd
worden noem je primary effect. Dat de laatste items snel geleerd worden noem je recency
effect.
Het overleren van iets zorgt ervoor dat je het later beter onthoudt; Overleren is als je iets
perfect leert en dit dan blijft bestuderen.
Onderbroken oefening is vaak beter dan doorgaande oefening; distributed practice is het
spreiden van de studietijd wat leidt tot beter leren. Massed practice is dat een persoon achter
elkaar door gaat leren.
Leren in een bepaalde situatie heeft invloed op het leren en ophalen in andere situaties; stel
we hebben twee sets van paren waarvan het eerste item steeds hetzelfde is. Als je die moet
leren, onthoud je de laatst geleerde set vaak beter, omdat deze het ophalen van de eerst
geleerde bemoeilijkt, dit noem je retroactive inhibition. Maar in deze situatie is er ook vaak
sprake van moeilijkheid in het ophalen van de tweede geleerde set, dit noem je proactive
inhibition. In een andere situatie kan het leren van een set informatie juist het ophalen van de
ander geleerde informatie versterkt, dit noem je retroactive facilitation of proactive
facilitation (hangt af van volgorde van sets).
Karakteristieken van materialen hebben effect op hoe snel mensen iets kunnen leren;
o Items zijn makkelijker geleerd als ze betekenis hebben (makkelijker te associëren)
o Items zijn makkelijker te leren en onthouden als de uitspreekbaar zijn.
o Concrete items zijn makkelijker te leren en onthouden dan abstracte items. Want
concrete items kunnen beter mentaal gerepresenteerd worden.
Mensen geven betekenis aan nieuwe informatie; Wanneer ene stimulus woord veel associaties
heeft kan een van die associaties een stimulus worden voor een respons.
Mensen organiseren wat ze leren; free recall is het ophalen van geleerde items in een eigen
bepaalde volgorde. Als je mensen dit laat doen zie je dat ze dingen die ‘bij elkaar horen’
achter elkaar opnoemen omdat ze ongeorganiseerde input organiseren.
Mensen gebruiken vaan encoding strategieën die hen helpen met leren;
Mensen zijn meer geneigd generale ideeën te leren dan een los woord.
Contemporary cognitive perspectives
Er zijn een aantal theorieën die beschrijven hoe leren plaats vindt:
1. Information processing theory
Hierbij wordt er vooral gekeken naar hoe mensen
stimuli waarnemen en hoe ze die in hun gedachte
stoppen en hoe ze deze weer ‘vinden’ als ze deze
informatie nodig hebben. Dit werd eerst vergeleken met